Samenvatting tentamen profiel christelijke identiteit
College aantekeningen per college, daarin de readers verwerken.
1: De student heeft kennis van de basisprincipes van de christelijke
levensbeschouwing v.w.b. vragen die in de samenleving leven/en die van belang
zijn voor kind en school.
2: De student heeft kennis van de ontwikkeling en communicatie van
(christelijke) waarden en normen op het niveau van de basisschool.
5 De student heeft kennis van de meest relevante kerken en stromingen in
Nederland en kan de verschillen in spiritualiteit benoemen in relatie met de
identiteit van de school, van de ouders en van de student zelf.
6 De student is in staat tot perspectiefwisseling m.b.t. gelovigen uit verschillende
kerkgenootschappen en (h)erkent daarbij de zienswijzen met respect.
7 Student heeft kennis van (kern) begrippen uit het christelijk geloof en kan zich
daarmee verhouden.
8 Student heeft kennis van het boek Openbaring, kan zich daarmee confronteren
en daar lessen bij maken voor de basisschool.
,Tentamen gaat vooral over: Ethiek, Jezus, HG en H11, t/m 15 uit het Woord
Vooraf.
1: De student heeft kennis van de basisprincipes van de christelijke
levensbeschouwing v.w.b. vragen die in de samenleving leven/en die van belang
zijn voor kind en school.
2: De student heeft kennis van de ontwikkeling en communicatie van
(christelijke) waarden en normen op het niveau van de basisschool.
College 1 en 2: Ethiek
Ethiek: is het vakgebied dat zich bezighoudt met wat goed en kwaad is; hoe je
jezelf moet gedragen. Ethiek wordt gedragen door de volgende begrippen:
-Taboe: een ongeschreven regel/gewoonte die sterk ethisch geladen is, maar
waar niet over gepraat wordt.
-Gewoonten: niet ethisch (geen goed of kwaad) geladen
persoonlijke/volksgewoonten.
-Moraal: het “pakket” van waarden en normen dat iemand heeft.
-Ethiek: systematische bezinning op goed en slecht/kwaad.
-Normen: regels waar je je al dan niet aan houdt.
-Waarden: onderliggende visies/concepten die gedrag en normen sturen.
Als leerkracht ben je ethisch rolmodel. Door op jouw manier verhalen te vertellen,
instructie te geven of de klas te managen, ben je voor de leerlingen een
voorbeeld of ethisch model.
3 motieven:
1. Antropologisch motief: in de mens zelf zit het verlangen naar het goede.
2. Existentieel motief: jij zelf bent verantwoordelijk.
3. Cultureel motief: verantwoordelijk naar onze omgeving.
Hoe benader je een ethische situatie:
1. Hoogste waarde: wat is het?
2. Behoren/ moeten doen: gevolgtrekking.
3. Concrete beslissing: de daad.
Er zijn vier benaderingen/visies op het gebied van ethiek:
, Stappen bij een ethisch vraagstuk:
Fase 1: verzamel de feiten. Ethiek begint altijd bij het verzamelen van concrete
feiten. De deugd van strengheid. De ondeugd: luiheid, onnauwkeurigheid.
Fase 2: formuleer het ethische probleem. De vraag moet eigenlijk zo scherp
mogelijk worden gesteld. Het gevaar in deze fase is het ontwijken of
minimaliseren van het echte probleem. De deugd: oprechtheid. De ondeugd:
bevooroordeeld.
Fase 3: bespreek de vraag vanuit de vier aspecten van ethiek. In deze fase
maken we gebruik van de diverse aspecten van een moreel oordeel en de
omvattende ethiek. Welke waarden spelen hier een rol? Zijn er belangrijke
geboden? Wat zegt het over het karakter van de betrokkenen en de gevolgen
van een bepaalde keuze voor behandeling? Houd de samenhang van waarden,
principes, karakter en doelen voor ogen. De deugd van inzicht of prudentie. De
ondeugd: kortzichtigheid, domheid
Fase 4: verzamel alternatieve oplossingen en overweeg deze. Het onderzoek
richt zich naar de verschillende handelingsmogelijkheden. Vaak is het alternatief
minder efficiënt maar schept het minder ethische problemen.
Fase 5: neem een beslissing. De deugd: moed. De ondeugd: besluitenloosheid.
Fase 6: evalueer. Na het verzamelen van feiten en met kennis van de gevolgen.
Moeten we durven om opnieuw ons eerder genomen
besluit te evalueren. We moeten leren te leren,
alleen mensen die dit durven, zullen zich moreel
ontwikkelen. De deugd die bij deze fase hoort is
nederigheid. De ondeugd: arrogantie.
Christelijke ethiek bestaat vooral uit:
-het bouwen aan Gods Koninkrijk
-naastenliefde
-navolging van Christus
-de rede (inzicht)
Bijbel is het uitgangspunt.
Voorbeelden verhalen: rijke jongenling, voetzalving Jezus, Parel van grote
waarde.
Deugd: een karakterhouding van waaruit je keuzes maakt, die het midden houdt
tussen te veel en te weinig bepaald worden door emotie of verlangen.
College aantekeningen per college, daarin de readers verwerken.
1: De student heeft kennis van de basisprincipes van de christelijke
levensbeschouwing v.w.b. vragen die in de samenleving leven/en die van belang
zijn voor kind en school.
2: De student heeft kennis van de ontwikkeling en communicatie van
(christelijke) waarden en normen op het niveau van de basisschool.
5 De student heeft kennis van de meest relevante kerken en stromingen in
Nederland en kan de verschillen in spiritualiteit benoemen in relatie met de
identiteit van de school, van de ouders en van de student zelf.
6 De student is in staat tot perspectiefwisseling m.b.t. gelovigen uit verschillende
kerkgenootschappen en (h)erkent daarbij de zienswijzen met respect.
7 Student heeft kennis van (kern) begrippen uit het christelijk geloof en kan zich
daarmee verhouden.
8 Student heeft kennis van het boek Openbaring, kan zich daarmee confronteren
en daar lessen bij maken voor de basisschool.
,Tentamen gaat vooral over: Ethiek, Jezus, HG en H11, t/m 15 uit het Woord
Vooraf.
1: De student heeft kennis van de basisprincipes van de christelijke
levensbeschouwing v.w.b. vragen die in de samenleving leven/en die van belang
zijn voor kind en school.
2: De student heeft kennis van de ontwikkeling en communicatie van
(christelijke) waarden en normen op het niveau van de basisschool.
College 1 en 2: Ethiek
Ethiek: is het vakgebied dat zich bezighoudt met wat goed en kwaad is; hoe je
jezelf moet gedragen. Ethiek wordt gedragen door de volgende begrippen:
-Taboe: een ongeschreven regel/gewoonte die sterk ethisch geladen is, maar
waar niet over gepraat wordt.
-Gewoonten: niet ethisch (geen goed of kwaad) geladen
persoonlijke/volksgewoonten.
-Moraal: het “pakket” van waarden en normen dat iemand heeft.
-Ethiek: systematische bezinning op goed en slecht/kwaad.
-Normen: regels waar je je al dan niet aan houdt.
-Waarden: onderliggende visies/concepten die gedrag en normen sturen.
Als leerkracht ben je ethisch rolmodel. Door op jouw manier verhalen te vertellen,
instructie te geven of de klas te managen, ben je voor de leerlingen een
voorbeeld of ethisch model.
3 motieven:
1. Antropologisch motief: in de mens zelf zit het verlangen naar het goede.
2. Existentieel motief: jij zelf bent verantwoordelijk.
3. Cultureel motief: verantwoordelijk naar onze omgeving.
Hoe benader je een ethische situatie:
1. Hoogste waarde: wat is het?
2. Behoren/ moeten doen: gevolgtrekking.
3. Concrete beslissing: de daad.
Er zijn vier benaderingen/visies op het gebied van ethiek:
, Stappen bij een ethisch vraagstuk:
Fase 1: verzamel de feiten. Ethiek begint altijd bij het verzamelen van concrete
feiten. De deugd van strengheid. De ondeugd: luiheid, onnauwkeurigheid.
Fase 2: formuleer het ethische probleem. De vraag moet eigenlijk zo scherp
mogelijk worden gesteld. Het gevaar in deze fase is het ontwijken of
minimaliseren van het echte probleem. De deugd: oprechtheid. De ondeugd:
bevooroordeeld.
Fase 3: bespreek de vraag vanuit de vier aspecten van ethiek. In deze fase
maken we gebruik van de diverse aspecten van een moreel oordeel en de
omvattende ethiek. Welke waarden spelen hier een rol? Zijn er belangrijke
geboden? Wat zegt het over het karakter van de betrokkenen en de gevolgen
van een bepaalde keuze voor behandeling? Houd de samenhang van waarden,
principes, karakter en doelen voor ogen. De deugd van inzicht of prudentie. De
ondeugd: kortzichtigheid, domheid
Fase 4: verzamel alternatieve oplossingen en overweeg deze. Het onderzoek
richt zich naar de verschillende handelingsmogelijkheden. Vaak is het alternatief
minder efficiënt maar schept het minder ethische problemen.
Fase 5: neem een beslissing. De deugd: moed. De ondeugd: besluitenloosheid.
Fase 6: evalueer. Na het verzamelen van feiten en met kennis van de gevolgen.
Moeten we durven om opnieuw ons eerder genomen
besluit te evalueren. We moeten leren te leren,
alleen mensen die dit durven, zullen zich moreel
ontwikkelen. De deugd die bij deze fase hoort is
nederigheid. De ondeugd: arrogantie.
Christelijke ethiek bestaat vooral uit:
-het bouwen aan Gods Koninkrijk
-naastenliefde
-navolging van Christus
-de rede (inzicht)
Bijbel is het uitgangspunt.
Voorbeelden verhalen: rijke jongenling, voetzalving Jezus, Parel van grote
waarde.
Deugd: een karakterhouding van waaruit je keuzes maakt, die het midden houdt
tussen te veel en te weinig bepaald worden door emotie of verlangen.