College 1 Inleiding: Alles is interventie
Psychologische interventies: Kan iedereen geven. Combinatie van algemene en specifieke
handelingen gericht op gedragsverandering (oplossen van psychologisch probleem)
Psychologische behandeling: Combinatie van psychologische interventies gericht op
hulpverlening (herstel, genezing, verhoging van kwaliteit van leven, andere gedragspatronen)
Psychotherapeutische behandeling: Specifieke vorm van psychologische behandeling,
therapie gericht op genezing.
Vier professionele taken (DIRE)
1. Diagnostiek: therapeut stelt vast wat er aan de hand is. Neemt verantwoordelijkheid voor het
begrijpen van het probleem.
2. Indicatie: therapeut formuleert een doel en komt met een oplossingsplan. Neemt
verantwoordelijkheid voor het vinden van de oplossing.
3. Remedie (interventie): therapeut zet interventies in om doel te realiseren. Neemt
verantwoordelijkheid voor de remedie.
4. Evaluatie: therapeut beoordeelt of doel gerealiseerd is. Neemt verantwoordelijkheid voor het
proces.
Empirische cyclus: observeren indicatiestelling (hypothesen formuleren) interventie
(hypothesen toetsen) evaluatie (zijn hypothesen juist)
Medisch model:
Richt zich op het achterhalen van wat er objectief aan de hand is (toestandsbeeld).
Het probleem wordt geduid als een afzonderlijke, decontextualiseerde aandoening die
verklaard kan worden en een specifieke behandeling vereist.
Diagnostiek en casusconceptualisatie zijn essentieel om een interventieplan op te stellen en de
effectiviteit wordt bepaald door de specifieke interventies.
Coping model:
Beschouwt het probleem als een signaal van ineffectieve coping met levensgebeurtenissen.
De focus ligt op het begrijpen van de situatie waarin de cliënt vastloopt en het versterken van
de cliënt om weer in zijn of haar kracht te komen.
Het behandelresultaat hangt af van hoe goed de cliënt leert omgaan met problemen, niet alleen
van de specifieke interventie.
Het medisch model focust op diagnose en specifieke interventies, terwijl het copingmodel kijkt naar
de context en de cliënt helpt vaardigheden te ontwikkelen om met problemen om te gaan.
K = (L) * O * P
Klacht: Welke klachten zijn er nu aan de orde?
Lichaam: Wat is problematisch wat betreft het lichaam. Algemene verkenning over
chronische psychiatrische aandoeningen, lichamelijke aandoeningen, middelengebruik en
psychosomatisch.
Omstandigheden: Welke omstandigheden staan nu direct in verband met huidige klachten?
Persoonlijke stijl: Welk persoonlijk stijlkenmerk houdt de huidige klacht in stand?
1
, Wondervraag: Stel je voor, terwijl je vannacht slaapt, gebeurt er een wonder en is het
probleem waar je nu mee worstelt volledig opgelost. Hoe zou je dat de volgende ochtend
merken? Wat zou er anders zijn?
Schaalvragen: Als de oplossing zit bij een 10 en je zit bij een 4, denk na over de vijf in plaats
van gelijk naar de tien, je gaat het afschalen
Uitzonderingen: Er is altijd wel een plek in het leven waar iemand geen last heeft, nadenken
over de reden waarom er dan geen last wordt ervaren
College 2 Ingrediënten van (on)succesvolle psychotherapie
Therapiemislukkingen
1. Geen aanmelding ondanks psychische stoornis
2. Drop-outs: Tegen advies van behandelaar in stoppen met behandeling
3. Non-responders: Iemand reageert te weinig op behandeling.
4. Relapses/terugval
Rogeriaanse therapeutische factoren
1.Empathie: De therapeut probeert de innerlijke belevingswereld van de cliënt te begrijpen en dit
begrip actief te tonen, zodat de cliënt zich begrepen voelt.
2. Acceptatie/onvoorwaardelijke positieve waardering: De therapeut accepteert de cliënt volledig
zonder oordeel, ongeacht wat de cliënt deelt. Dit bevordert een gevoel van veiligheid en acceptatie.
3. Echtheid: De therapeut is oprecht, congruent en open, en vermijdt een façade. Dit moedigt de cliënt
aan ook eerlijk en open te zijn.
Work Alliance inventory (WAI): meet het volgende
o Ben je tevreden over de band tussen therapeut en cliënt?
o Ben je tevreden over hoe de doelen zijn afgestemd?
o Ben je tevreden over hoe de middelen zijn afgestemd?
Multi-dimensioneel evalueren (Beck): cliënt kiest eigenschappen die hij/zij vindt passen bij het zijn
van een goed persoon (tegenovergestelde van de kernovertuiging). Vervolgens moet de cliënt twee
personen kiezen die dan scores op die eigenschappen krijgt toegewezen door de cliënt. De cliënt moet
zichzelf ook scores toe bekennen op die eigenschappen. Hierdoor komt een cliënt erachter dat de
kernovertuiging bijv. niet ligt aan dat diegene faalt, maar dat het komt door bijv. laag zelfvertrouwen
Drie belangrijke onderdelen van therapie
1. Propositionele representaties: Verkeerd geïnformeerd dus je moet de informatie
veranderen
2. Associatieve representaties: Brein maakt snel associaties of patronen. We hebben geen
controle en dat moet aangepakt worden door te oefenen, hierdoor leer je iets te verdragen.
Oude is niet weg, maar het nieuwe wordt sterker.
3. Schematische representaties: Ideeën die al heel lang bestaan. Veranderen door andere
grote neurale netwerken te activeren Je zet een andere betekenis ernaast. Na herhaling
raken deze twee netwerken aan elkaar gekoppeld en is het eerste schema niet meer enkel
geactiveerd.
2
, College 3 ZCP
Baumeister: Zelfcontrole ‘overruling a tendency’: neiging tot bepaald gedrag kunnen tegenhouden.
3 oorzaken voor het falen van zelfcontrole:
1. Unclear or conflicting standards: Bij onduidelijke doelen of conflicterende standaarden
is de kans kleiner dat je zelfcontrole kan opbrengen. Stellen van duidelijke doelen zorgt er
voor dat je efficiënte impliciete processen kan laten meewerken.
Duidelijke afstemming tussen patiënt en therapeut
Concreet maken
Doelen stellen die uit het leven gegrepen zijn
Dit werkt beter en motiverender dan gewoon werken naar afname van klachten
2. No/insufficient (self-)monitoring: Bij onvoldoende zelfmonitoring op hoe je het nu doet en
waar je naar toe wilt, herpakt het automatische gedrag. Zelfmonitoring leidt tot afname van
gedrag (behalve bij alcohol). De impliciete waardering voor bepaald gedrag neemt af door
monitoring van gedrag reactiviteit-effect = effecten van zelfmonitoring
Registratie van gewenst gedrag gedrag neemt toe
Registratie van ongewenst gedrag gedrag neemt af
Goede klachten registratie:
1. Valide en betrouwbaar
2. Haalbaar
3. Frequentie registreren (voorkeur), anders sampelen of kijken naar tijdsduur
Toepassing van zelfcontroleprocedures
Repetitief-stereotype gedrag
- Tics
- OCD
- Vermijdingsgedrag
- Snoepen
- Stelen
- Agressie
- Eetbuien
- Verslavingen (behalve alcohol)
- Controlegedrag
Vaak weinig bewust
Regelmatig ervaren drang vooraf, urge/craving
Vrijwillig, maar tegenhouden gaat moeilijk
3. Ego-depletion: Gebrek aan wilskracht. Je wilskracht kan opraken als je bv twee taken achter
elkaar uitvoert die zelfcontrole vereisen, tweede gaat dan slechter
Motiveren voor behandeling
1. Zelfcontrole vereist energie en investering, maar vergroot de kans op klachtenvermindering.
2. Een snel succesje (bijvoorbeeld kleine gewoontes aanpassen) motiveert en helpt om gedrag
stapsgewijs te veranderen.
3. Verleiden door uitvoeringsdetails aan te passen: het gedrag mag doorgaan, maar anders, om
automatisme te doorbreken en therapietrouw te bevorderen.
4. De behandeling is vooral effectief op korte termijn.
3