MAJOR DEPRESSIVE DISORDER
ARTIKEL 1 – MAJOR DEPRESSIVE DISORDER – WOLFGANG MARX ET AL.
INTRODUCTIE
MDD (Major Depressive Disorder) treft wereldwijd zo’n 185 miljoen mensen. De belangrijkste
kenmerken zijn een aanhoudend sombere stemming, verlies van interesse of plezier,
en terugkerende gedachten aan de dood. Mensen met MDD ervaren ook vaak stigma,
hebben meer lichamelijke gezondheidsproblemen (zoals hart- en vaatziekten, obesitas en
diabetes), en ondervinden nadelige gevolgen op het gebied van opleiding, werk en relaties.
De oorzaken bestaan uit een combinatie van:
Genetische aanleg
Omgevingsfactoren (zoals armoede of jeugdtrauma)
Psychologische patronen (zoals piekeren)
Biologische processen (zoals ontsteking en verstoring in neurotransmitters)
Diagnose gebeurt volgens de DSM-5-TR of ICD-11. Behandeling bestaat meestal
uit antidepressiva (zoals SSRI’s), psychotherapie (zoals cognitieve gedragstherapie), of, in
ernstige gevallen ECT. Nieuwe behandelingen, zoals TMS, ketamine,
psychedelica en leefstijlinterventies, worden momenteel onderzocht of al toegepast.
EPIDEMIOLOGIE
De prevalentie van MDD hangt af van hoe en waar er gemeten wordt. Volgens internationale
studies heeft ongeveer 4–5% van de mensen jaarlijks MDD, terwijl het levenslange
risico meer dan 30% kan zijn.
Vrouwen hebben bijna twee keer zo vaak MDD als mannen, mogelijk door een combinatie
van hormonale, psychologische en sociale verschillen.
MDD begint meestal rond de leeftijd van 20 tot 25 jaar. Bij de meeste mensen duurt een
episode 2 tot 6 maanden, en meer dan 70% herstelt binnen een jaar. In de geestelijke
gezondheidszorg komt een chronisch beloop vaker voor: bij 34–48% duurt de episode
langer dan een jaar. Terugval is zeer gebruikelijk.
MDD verhoogt het risico op vroegtijdige sterfte, mede door lichamelijke comorbiditeit.
Daarnaast is MDD de belangrijkste psychische oorzaak van suïcide. Mensen met MDD
hebben een bijna 20 keer hogere kans op overlijden door suïcide. Risicofactoren van
suïcide zijn o.a. mannelijk geslacht, eerdere pogingen, ernst van de symptomen, en
comorbide stoornissen zoals angst of middelengebruik.
MECHANISMEN EN PATHOFISIOLOGY
Lange tijd werd gedacht dat MDD vooral werd veroorzaakt door een tekort aan serotonine
en andere monoamines (de monoaminehypothese). Hoewel dit deels klopt, verklaart het
niet waarom antidepressiva pas na weken werken of waarom sommige mensen niet reageren.
Moderne inzichten wijzen op een samenspel van:
, Hersenstructuur en -functie
Ontstekingsreacties
Dysfunctie in de HPA-as (stresssysteem)
De darm-hersen-as
Levensgebeurtenissen en kwetsbaarheden
Het meest gebruikte verklaringsmodel is het vulnerability-stress model, waarin biologische
of psychologische kwetsbaarheid samen met stressvolle gebeurtenissen tot MDD kan leiden.
Hoe kwetsbaarder iemand is, hoe minder stress nodig is om een depressie uit te lokken.
RISICOFACTOREN EN BESCHERMINGSFACTOREN VAN DE OMGEVING
Hiernaast een overzichtje van de verschillende
beschermende factoren en risicofactoren.
Sommige van deze omgevingsfactoren hebben
ook invloed op biologische processen die
betrokken zijn bij MDD. Sommige
omgevingsfactoren, zoals jeugdtrauma of
armoede, lijken puur buiten jezelf te liggen,
maar kunnen ook deels erfelijk zijn; je genen
beïnvloeden soms ook in welke omgeving
je terechtkomt. Hierdoor zijn omgeving en
biologie bij depressie vaak met elkaar
verweven. Daarnaast kan er ook sprake zijn
van wederzijdse beïnvloeding (bi-
directional association) waarbij
risicofactoren een wederkerige relatie hebben
met MDD.
Voorbeeld: Lage sociaaleconomische status
kan het risico op depressie vergroten, maar
mensen met depressie kunnen juist ook
afglijden in werk, inkomen en sociale relaties.
Er ontstaat zo een vicieuze cirkel waarin
depressie en sociale problemen elkaar
versterken.
Daarnaast werken veel risicofactoren werken
niet op een lineaire of voorspelbare manier. Ze
beïnvloeden elkaar op complexe, soms
willekeurige (stochastische) manieren. Ook
kunnen sommige factoren een indirecte rol spelen, als vervanging van onderliggende
processen.
Voorbeeld: Jeugdtrauma kan je beeld van relaties en van jezelf ernstig beïnvloeden (zoals
minder zelfvertrouwen of wantrouwen). Dit kan op zijn beurt leiden tot ongezond gedrag:
slecht slapen, weinig bewegen, ongezond eten of overmatig alcoholgebruik. Al deze
gedragingen verhogen op hun beurt weer het risico op depressie.
DIAGNOSE EN PREVENTIE
DSM-5 criteria MDD:
, A. 5 (of meer) van de volgende symptomen gedurende een 2-week periode. Tenminste
één van de symptomen is een van de eerste twee:
1. Depressieve mood
2. Verlies van interesse of plezier
3. Significant gewichtsverlies zonder een dieet te volgen of een toegenomen
behoefte aan eten elke dag
4. Insomnia of hyposomnie bijna elke dag
5. Psychomotorische agitatie of retardatie bijna elke dag (observeerbaar door
anderen)
6. Vermoeidheid of verlies van energie
7. Gevoelens van waardeloosheid of schuldgevoelens bijna elke dag
8. Minder concentratievermogen
9. Terugkomende gedachten over de dood
B. Het zorgt voor significante distress of impact in belangrijke delen van functioneren
C. De episode is niet veroorzaakt door fysiologische effecten van drugsgebruik of een
andere medische conditie.
D. Het wordt niet veroorzaakt door een beter verklarende psychiatrische conditie
Een belangrijk aandachtspunt is het onderscheid met rouw. In de DSM-5 is het mogelijk om
iemand met MDD te diagnosticeren als de klachten voldoen aan de criteria, zelfs als ze
begonnen na een verlies. Wel is er aandacht voor een nieuw onderscheid,
namelijk Prolonged Grief Disorder (langdurige rouwstoornis), dat iets anders is dan MDD
maar er wel op kan lijken. Beide stoornissen mogen naast elkaar bestaan, als aan de criteria
wordt voldaan.
Daarnaast werkt de DSM-5-TR met ‘specifiers’ om aan te geven welk subtype iemand heeft,
zoals:
Met angstige kenmerken
Met gemixte kenmerken
Met melancholische kenmerken
Met atyptische kenmerken
Met psychotische kenmerken
Met catatonie
Met peripartum onset (begint tijdens de zwangerschap of binnen 4 weken na de
bevalling)
Met seizoensgebonden patroon
Problemen met het stellen van de diagnose
Veel mensen hebben milde klachten die niet aan de volledige DSM-criteria voldoen, maar
die wel degelijk zorgen voor lijden of beperkingen. Dit wordt subthreshold depressie
genoemd. Het onderscheid is niet altijd duidelijk tussen ‘wel depressie’ of ‘geen depressie’.
Mensen met subthreshold depressie hebben een verhoogd risico om binnen 1 tot 3 jaar een
volledige depressie te ontwikkelen. Schattingen lopen uiteen van 3,8% tot bijna 19%. Dit
benadrukt het belang van vroegtijdige herkenning en aanpak, ook bij mensen die ‘net niet’ in
aanmerking komen voor een officiële diagnose.
Preventie van MDD
Er is steeds meer aandacht voor het voorkomen van depressie, vooral door risicofactoren aan
te pakken zoals armoede, eenzaamheid, en pesten.
Er zijn drie soorten preventie:
ARTIKEL 1 – MAJOR DEPRESSIVE DISORDER – WOLFGANG MARX ET AL.
INTRODUCTIE
MDD (Major Depressive Disorder) treft wereldwijd zo’n 185 miljoen mensen. De belangrijkste
kenmerken zijn een aanhoudend sombere stemming, verlies van interesse of plezier,
en terugkerende gedachten aan de dood. Mensen met MDD ervaren ook vaak stigma,
hebben meer lichamelijke gezondheidsproblemen (zoals hart- en vaatziekten, obesitas en
diabetes), en ondervinden nadelige gevolgen op het gebied van opleiding, werk en relaties.
De oorzaken bestaan uit een combinatie van:
Genetische aanleg
Omgevingsfactoren (zoals armoede of jeugdtrauma)
Psychologische patronen (zoals piekeren)
Biologische processen (zoals ontsteking en verstoring in neurotransmitters)
Diagnose gebeurt volgens de DSM-5-TR of ICD-11. Behandeling bestaat meestal
uit antidepressiva (zoals SSRI’s), psychotherapie (zoals cognitieve gedragstherapie), of, in
ernstige gevallen ECT. Nieuwe behandelingen, zoals TMS, ketamine,
psychedelica en leefstijlinterventies, worden momenteel onderzocht of al toegepast.
EPIDEMIOLOGIE
De prevalentie van MDD hangt af van hoe en waar er gemeten wordt. Volgens internationale
studies heeft ongeveer 4–5% van de mensen jaarlijks MDD, terwijl het levenslange
risico meer dan 30% kan zijn.
Vrouwen hebben bijna twee keer zo vaak MDD als mannen, mogelijk door een combinatie
van hormonale, psychologische en sociale verschillen.
MDD begint meestal rond de leeftijd van 20 tot 25 jaar. Bij de meeste mensen duurt een
episode 2 tot 6 maanden, en meer dan 70% herstelt binnen een jaar. In de geestelijke
gezondheidszorg komt een chronisch beloop vaker voor: bij 34–48% duurt de episode
langer dan een jaar. Terugval is zeer gebruikelijk.
MDD verhoogt het risico op vroegtijdige sterfte, mede door lichamelijke comorbiditeit.
Daarnaast is MDD de belangrijkste psychische oorzaak van suïcide. Mensen met MDD
hebben een bijna 20 keer hogere kans op overlijden door suïcide. Risicofactoren van
suïcide zijn o.a. mannelijk geslacht, eerdere pogingen, ernst van de symptomen, en
comorbide stoornissen zoals angst of middelengebruik.
MECHANISMEN EN PATHOFISIOLOGY
Lange tijd werd gedacht dat MDD vooral werd veroorzaakt door een tekort aan serotonine
en andere monoamines (de monoaminehypothese). Hoewel dit deels klopt, verklaart het
niet waarom antidepressiva pas na weken werken of waarom sommige mensen niet reageren.
Moderne inzichten wijzen op een samenspel van:
, Hersenstructuur en -functie
Ontstekingsreacties
Dysfunctie in de HPA-as (stresssysteem)
De darm-hersen-as
Levensgebeurtenissen en kwetsbaarheden
Het meest gebruikte verklaringsmodel is het vulnerability-stress model, waarin biologische
of psychologische kwetsbaarheid samen met stressvolle gebeurtenissen tot MDD kan leiden.
Hoe kwetsbaarder iemand is, hoe minder stress nodig is om een depressie uit te lokken.
RISICOFACTOREN EN BESCHERMINGSFACTOREN VAN DE OMGEVING
Hiernaast een overzichtje van de verschillende
beschermende factoren en risicofactoren.
Sommige van deze omgevingsfactoren hebben
ook invloed op biologische processen die
betrokken zijn bij MDD. Sommige
omgevingsfactoren, zoals jeugdtrauma of
armoede, lijken puur buiten jezelf te liggen,
maar kunnen ook deels erfelijk zijn; je genen
beïnvloeden soms ook in welke omgeving
je terechtkomt. Hierdoor zijn omgeving en
biologie bij depressie vaak met elkaar
verweven. Daarnaast kan er ook sprake zijn
van wederzijdse beïnvloeding (bi-
directional association) waarbij
risicofactoren een wederkerige relatie hebben
met MDD.
Voorbeeld: Lage sociaaleconomische status
kan het risico op depressie vergroten, maar
mensen met depressie kunnen juist ook
afglijden in werk, inkomen en sociale relaties.
Er ontstaat zo een vicieuze cirkel waarin
depressie en sociale problemen elkaar
versterken.
Daarnaast werken veel risicofactoren werken
niet op een lineaire of voorspelbare manier. Ze
beïnvloeden elkaar op complexe, soms
willekeurige (stochastische) manieren. Ook
kunnen sommige factoren een indirecte rol spelen, als vervanging van onderliggende
processen.
Voorbeeld: Jeugdtrauma kan je beeld van relaties en van jezelf ernstig beïnvloeden (zoals
minder zelfvertrouwen of wantrouwen). Dit kan op zijn beurt leiden tot ongezond gedrag:
slecht slapen, weinig bewegen, ongezond eten of overmatig alcoholgebruik. Al deze
gedragingen verhogen op hun beurt weer het risico op depressie.
DIAGNOSE EN PREVENTIE
DSM-5 criteria MDD:
, A. 5 (of meer) van de volgende symptomen gedurende een 2-week periode. Tenminste
één van de symptomen is een van de eerste twee:
1. Depressieve mood
2. Verlies van interesse of plezier
3. Significant gewichtsverlies zonder een dieet te volgen of een toegenomen
behoefte aan eten elke dag
4. Insomnia of hyposomnie bijna elke dag
5. Psychomotorische agitatie of retardatie bijna elke dag (observeerbaar door
anderen)
6. Vermoeidheid of verlies van energie
7. Gevoelens van waardeloosheid of schuldgevoelens bijna elke dag
8. Minder concentratievermogen
9. Terugkomende gedachten over de dood
B. Het zorgt voor significante distress of impact in belangrijke delen van functioneren
C. De episode is niet veroorzaakt door fysiologische effecten van drugsgebruik of een
andere medische conditie.
D. Het wordt niet veroorzaakt door een beter verklarende psychiatrische conditie
Een belangrijk aandachtspunt is het onderscheid met rouw. In de DSM-5 is het mogelijk om
iemand met MDD te diagnosticeren als de klachten voldoen aan de criteria, zelfs als ze
begonnen na een verlies. Wel is er aandacht voor een nieuw onderscheid,
namelijk Prolonged Grief Disorder (langdurige rouwstoornis), dat iets anders is dan MDD
maar er wel op kan lijken. Beide stoornissen mogen naast elkaar bestaan, als aan de criteria
wordt voldaan.
Daarnaast werkt de DSM-5-TR met ‘specifiers’ om aan te geven welk subtype iemand heeft,
zoals:
Met angstige kenmerken
Met gemixte kenmerken
Met melancholische kenmerken
Met atyptische kenmerken
Met psychotische kenmerken
Met catatonie
Met peripartum onset (begint tijdens de zwangerschap of binnen 4 weken na de
bevalling)
Met seizoensgebonden patroon
Problemen met het stellen van de diagnose
Veel mensen hebben milde klachten die niet aan de volledige DSM-criteria voldoen, maar
die wel degelijk zorgen voor lijden of beperkingen. Dit wordt subthreshold depressie
genoemd. Het onderscheid is niet altijd duidelijk tussen ‘wel depressie’ of ‘geen depressie’.
Mensen met subthreshold depressie hebben een verhoogd risico om binnen 1 tot 3 jaar een
volledige depressie te ontwikkelen. Schattingen lopen uiteen van 3,8% tot bijna 19%. Dit
benadrukt het belang van vroegtijdige herkenning en aanpak, ook bij mensen die ‘net niet’ in
aanmerking komen voor een officiële diagnose.
Preventie van MDD
Er is steeds meer aandacht voor het voorkomen van depressie, vooral door risicofactoren aan
te pakken zoals armoede, eenzaamheid, en pesten.
Er zijn drie soorten preventie: