BOUWSTENEN KUNSTEDUCATIE
,Muzische vorming:
, BEELD
1) Vorm
Vormsoorten
= Karakter: hoekig, open fijn, sierlijk, grillig,…
= Tegengestelde vormen noemen we contrastvormen:
o Hoekig en ronde vormen
o Geometrische en organische
o Sym en asym
o Ruimtelijke en vlakke
o Grillige en strakke
Contour of omtreklijn
= Kan dik, ritmisch, wazig, elegant, fijn,…
Patroon
= 1 of meer vormen herhaald
Silhouet
= geen diepte, lijnen, tinten.
= egale kleur en aangegeven door de omtrek
vb. schimmenspel, vormen bij tegenlicht
Restvorm of tussenruimte
= vorm die niet getekend wordt, vorm die overblijft
Vormen stileren
= vorm steeds abstracter en minder herkenbaar maken
= figuratief -> non-figuratief -> abstract
2) Kleur
Kleurencirckel
o Primaire kleuren, secundaire kleuren, tertiaire kleuren
= geeloranje, roodoranje, roodpaars, blauwpaars, blauwgroen
o Complementaire kleuren
= kleuren overelkaar op kleurencirckel
o Zuivere kleuren
= Kleuren die slechts één of twee hoofdkleuren bevatten
o Onzuivere kleuren
= Kleuren die bestaan uit 3 hoofdkleuren of kleuren die gemengd
zijn met wit of zwart
o Grijswaarden
= Zeer bleek – midden – donker
= Grijswaardenschaal: een volledige reeks grijswaarden naast elkaar
o Bruin
= Een donkertrap van oranje
= Twee complementaire kleuren mengen
= 3 hoofdkleuren mengen
Kleurtonen of tinten
= bij een kleur een kleine hoeveelheid van een naastliggende kleur
toevoegen
o Kleurtoontrap = reeks kleuren die de overgang maken van de ene
kleur naar de andere
Kleurverzadiging
= zuivere kleuren zijn volledig verzadigde kleuren
-> deze verbleken/verdonkeren met wit of zwart
,Muzische vorming:
, BEELD
1) Vorm
Vormsoorten
= Karakter: hoekig, open fijn, sierlijk, grillig,…
= Tegengestelde vormen noemen we contrastvormen:
o Hoekig en ronde vormen
o Geometrische en organische
o Sym en asym
o Ruimtelijke en vlakke
o Grillige en strakke
Contour of omtreklijn
= Kan dik, ritmisch, wazig, elegant, fijn,…
Patroon
= 1 of meer vormen herhaald
Silhouet
= geen diepte, lijnen, tinten.
= egale kleur en aangegeven door de omtrek
vb. schimmenspel, vormen bij tegenlicht
Restvorm of tussenruimte
= vorm die niet getekend wordt, vorm die overblijft
Vormen stileren
= vorm steeds abstracter en minder herkenbaar maken
= figuratief -> non-figuratief -> abstract
2) Kleur
Kleurencirckel
o Primaire kleuren, secundaire kleuren, tertiaire kleuren
= geeloranje, roodoranje, roodpaars, blauwpaars, blauwgroen
o Complementaire kleuren
= kleuren overelkaar op kleurencirckel
o Zuivere kleuren
= Kleuren die slechts één of twee hoofdkleuren bevatten
o Onzuivere kleuren
= Kleuren die bestaan uit 3 hoofdkleuren of kleuren die gemengd
zijn met wit of zwart
o Grijswaarden
= Zeer bleek – midden – donker
= Grijswaardenschaal: een volledige reeks grijswaarden naast elkaar
o Bruin
= Een donkertrap van oranje
= Twee complementaire kleuren mengen
= 3 hoofdkleuren mengen
Kleurtonen of tinten
= bij een kleur een kleine hoeveelheid van een naastliggende kleur
toevoegen
o Kleurtoontrap = reeks kleuren die de overgang maken van de ene
kleur naar de andere
Kleurverzadiging
= zuivere kleuren zijn volledig verzadigde kleuren
-> deze verbleken/verdonkeren met wit of zwart