LEGENDE:
1. Levende organismen vertonen reactievermogen, groei, voortplanting,
beweging en stofwisseling
2. Anatomie is de studie van de structuur en fysiologie is de studie van de
functie
2.1. Anatomie
2.2. Fysiologie
3. De verschillende organisatieniveaus: van eenvoudige atomen en
moleculen tot een volledig organisme
4. Het menselijk lichaam bestaat uit 11 orgaanstelsels
5. Homeostase is het streven naar intern evenwicht
6. Negatieve terugkoppeling gaat afwijken ten opzichte van de
normaalwaarden tegen, terwijl positieve terugkoppeling deze versterkt
6.1. Negatieve terugkoppeling
6.2. Positieve terugkoppeling
6.3. Klinische aantekening – homeostase en ziekte
6.4. Verpleegkundige toepassing – regulering van de glycemie
7. Anatomische termen omvatten gebieden van het lichaam, anatomische
houdingen en richtingen en lichaamsdelen
7.1. Uitwendige anatomie
7.1.1. Anatomische oriëntatiepunten
7.1.2. Anatomische gebieden
7.1.3. Anatomische richtingen
7.2. Anatomie van doorsneden
8. Holten van de romp beschermen inwendige organen en dankzij deze
holten kunnen de organen van vorm veranderen
8.1. De borstholte
8.2. De buik- en bekkenholte
1
, 1. Levende organismen vertonen reactievermogen, groei, voortplanting,
beweging en stofwisseling:
De wereld om ons heen bestaat uit een enorme verscheidenheid aan levende
organismen die sterk van elkaar verschillen in uiterlijk en levenswijze. Een
belangrijk doel van de biologie, de wetenschap van het leven, is het ontdekken
van de onderliggende patronen die deze diversiteit verklaren. Uit onderzoek
blijkt dat alle levende wezens dezelfde basisfuncties vertonen:
REACTIEVERMOGEN: GROEI:
Organismen reageren op veranderingen in hun Organismen groeien door het groter worden van
directe omgeving, een eigenschap die cellen of door de toename van het aantal cellen, de
prikkelbaarheid wordt genoemd. Zo trekken bouwstenen van het leven. Eencellige organismen
mensen hun hand terug van een hete kachel, groeien vooral doordat hun cel groter wordt, terwijl
blaffen honden bij een vreemde, schrikken vissen complexe meercellige organismen voornamelijk
van harde geluiden en bewegen amoeben naar een toenemen in aantal cellen. Organismen zoals
mogelijke prooi. Daarnaast kunnen organismen honden, katten en mensen bestaan uit miljarden
langdurige veranderingen ondergaan om zich aan cellen. Tijdens de ontwikkeling specialiseren cellen
hun omgeving aan te passen, zoals een dikkere zich door differentiatie, waardoor ze specifieke
vacht krijgen in de winter of naar een warmer functies vervullen, soms ten koste van andere
klimaat verhuizen. Dit vermogen tot aanpassingen functies.
wordt het aanpassingsvermogen genoemd. Het
reactievermogen van organismen kan zowel intern
als extern plaatsvinden.
VOORTPLANTING: BEWEGING:
Organismen planten zich voort en brengen Organismen vertonen beweging, die zowel intern
zodoende steeds nieuwe generaties van dezelfde als extern kan zijn. Intern verwijst naar het
organismen voort. Ze hebben een drang om de transport van voedingsstoffen, bloed of andere
‘soort’ in stand te houden. stoffen binnen het lichaam, terwijl extern
betrekking heeft op voortbeweging door de
omgeving.
STOFWISSELING:
Organismen zijn afhankelijk van complexe chemische reacties, bekend als stofwisseling (metabolisme),
om energie te leveren voor hun reactievermogen, groei, voortplanting en beweging. Hierbij synthetiseren
ze ook ingewikkelde chemische stoffen zoals eiwitten. Voor normale stofwisselingsreacties nemen ze
stoffen uit de omgeving op, waaronder voedingsstoffen (nutriënten) en zuurstof. Voedingsstoffen worden
in voedsel aangetroffen en zijn essentieel voor het vrijmaken van energie in cellen. Het proces waarbij
zuurstof wordt opgenomen, vervoerd en gebruikt door cellen heet 'respiratie'. Tijdens deze chemische
reacties ontstaan vaak afvalstoffen die via uitscheiding (excretie) uit het lichaam verwijderd moeten
worden. Stofwisseling is dus een intern proces dat de energievoorziening en de productie van nodig
stoffen en afvalverwerking regelt.
2
, Bij kleine organismen gebeurt opname, ademhaling en uitscheiding direct via
het contactoppervlak met de omgeving. Grotere organismen, zoals mensen,
nemen voedingsstoffen niet direct uit voedsel, maar verwerken deze eerst in
speciale organen (bijvoorbeeld de spijsvertering) om kleine, opneembare
stoffen te maken. Ook ademhaling en uitscheiding zijn complexer: mensen
gebruiken bijvoorbeeld de longen voor gaswisseling en de nieren voor
uitscheiding. Cellen blijven op hun plek en communiceren via de bloedsomloop,
die stoffen zoals afval en zuurstof door het lichaam vervoert. Hierdoor kunnen
cellen hun benodigde stoffen krijgen en afvalstoffen afvoeren naar de
uitscheidingsorganen.
2. Anatomie is de studie van de structuur en fysiologie is de studie van de
functie:
Anatomie en fysiologie zijn twee belangrijke vakgebieden die ons helpen
begrijpen hoe het lichaam is opgebouwd en hoe het functioneert. Anatomie,
afkomstig uit het Grieks en betekent 'opensnijden', bestudeert de inwendige en
uitwendige lichaamsstructuren en hoe ze met elkaar verbonden zijn.
Bijvoorbeeld, uitwendig: de huid en het oog, inwendig: de long en de ellepijp.
Het onderzoekt ook de fysieke relaties tussen verschillende onderdelen, zoals
de verbinding tussen de galblaas, lever en dunne darm, of tussen een
longalveool en een capillair bloedvat. Deze relaties laten zien hoe verschillende
systemen samenwerken, zoals ademhaling en bloedtransport, om bijvoorbeeld
zuurstof op te nemen en door het lichaam te verspreiden.
Fysiologie richt zich op het begrijpen van hoe levende organismen hun vitale
functies uitvoeren. Het gaat om de processen en mechanismen die ervoor
zorgen dat het lichaam blijft werken. Bijvoorbeeld, wanneer en hoe het
hormoon EPO door de nieren wordt afgegeven, of hoe het hart het bloed
rondpompt.
Bouw (structuur) en functie zijn altijd met elkaar verbonden: de structuur
bepaalt wat een onderdeel kan doen, en de functie laat zien hoe het onderdeel
werkt. Bijvoorbeeld, een hartspiercel kan samentrekken en daardoor bloed
rondpompen, maar kan geen elektrische prikkels geleiden. Een zenuwcel
daarentegen, kan prikkels geleiden maar niet samentrekken.
3