Media-economie en structuren
Les 1: h1: No business like the media business
Wat is media-economie?
Jong vakgebied
Comwet eerst nauwelijks oog voor economische aspecten aangezien
verwante disciplines zoals psychologie
+ mediasector voor ’70 nauwelijks commerciële kenmerken
veranderde
Besef groeide : wetenschappelijke inzichten in financiële/economische
krachten noodzakelijk!!
Media-economie = past economische theorieën, concepten en principes toe om
de werking en structuur van mediabedrijven en -industrieën te verklaren.
Begrijpen van financiële en economische omstandigheden waarin mediabedrijven
opteren en die een invloed uitoefenen op structuur en strategieën van deze
bedrijven.
Aandacht aan eigendoms-en marktstructuren, concurrentiële strategieën,
prijszetting,…
Robert Picard (grondlegger)
o ‘hoe mediabedrijven met beschikbare middelen de informatie- en
entertainmentbehoeften van publiek en adverteerders en sml
vervullen.
Deze middelen niet onbeperkt onmogelijk om in alle behoeften te
voorzien
ontstaan schaarste
Economie = wetenschap van de schaarste
Wetenschap van de schaarste:
Media-economie focust op hoe mediabedrijven hun schaarse middelen of
efficiënte wijze aanwenden om vraag naar mediaproducten tegemoet te
komen.
gebruik van productiefactoren
Productiefactoren = schaarse middelen die nodig zijn voor productie van
goederen en diensten.
3 soorten productiefactoren:
1) Arbeid:
‘people business’ (creatief en zakelijk talent)
Aantrekken creatief talent noodzakelijk
Digitale technologie verandert arbeidsomstandigheden
2) Grondstoffen:
Materieel of immaterieel
Waarmee ze mediaproducten kunnen maken
Extern aangekocht, maken deel uit van bedrijfsovername of intern
ontwikkeld
, 3) Kapitaal:
Investeren in bovenstaande productiefactoren
Via eigenaars, investeerders of beursgang
Prijs van deze productiefactoren komt in stand door vraag en aanbod
Deze wisselwerking = 1 vd meest fundamentele principes van een
vrijemarkteconomie
Moet in evenwicht zijn
Wnr vraag daalt prijs zakt
Het evenwicht is altijd in beweging
Vraag kan wijzigen als:
Consumenten andere behoeften hebben
Naar alternatieve (goedkopere) zaken uitwijken
Ook aanbod evolueert door:
Veranderende grondstofprijzen
Aanbod concurrerende producten
Technologische vooruitgang
Contradictie: schaarste in tijden van overvloed:
Economie draait rond creëren van schaarste
Toch media-economie ook gekenmerkt door overvloed
Gigantische toename van aanbod (content en platformen)
En toch: schaarste, niet overvloed, creëert waarde
Mediaproducten schaars prijzen omhoog, bij overvloed dalen
Niet langer technologische schaarste, wel kunstmatige schaarste
Strategieën om schaarste te creëren:
- Exclusieve uitzendingen
- Beperkte toegang niet-betalende gebruikers
- Boeken in beperkte toelage uitgebracht,…
Maar: tijd consument blijft schaars. Mediabedrijven moeten aandacht (en
tijd) van de consument winnen om economische waarde te creëren
Afbakening: media-economie:
Combinatie van mediastudies en economie
Toepassen van economische theorieën, concepten en principes om werking
media-industrie/bedrijven/producten te verklaren
Begrijpen welke invloed financieel-economische krachten/structuren op
media-industrie/bedrijven/producten uitoefenen
Sterk gelinkt aan politieke economie van de communicatie
Media als ruilwaarde: niet altijd met geld, ook met aandacht betalen
Media-economie bestudeert werking tss vraag en aanbod binnen media-
industrie
Kunnen 2 perspectieven worden toegepast:
1. micro-economie:
, Focus op vraag een aanbod tss individuele actoren (bedrijven, overheden
en consumenten)
Betreft nauwer perspectief omdat het de activiteiten van specifieke
aspecten van de economie bestudeert
2. macro-economie:
Bestudeert eerder het gehele economische systeem
Focus op economische groei, tewerkstelling, inflatie of export/import
Nationale, Europese, wereldeconomie
De focus van media-economie is eerder micro-economisch ‘hoe
functioneert een bepaalde media-industrie?’
Minder macro ‘wat is de bijdrage van een bepaalde media-industrie tot
de totale economie?’ is echter niet onbelangrijk (politieke economie
meer op globale)
Waarom (media)bedrijven bestaan
Verschillende types ondernemingen
Functies (rollen): producent – aggregator – distributeur
Omvang: groot en klein, lokaal en internationaal
Eigendom: beursgenoteerd, familie-eigendom, overheid
Multinationale ondernemingen actief in meerdere landen
Nationale ondernemingen uitsluitend op hun thuismarkt
Ondanks verschillen, delen ze essentieel kenmerk ze zijn een
onderneming
Theorieën over bestaan en functioneren (media)bedrijven (theorieën van
ondernemingen):
1. Neoklassieke theorie (winstmaximalisatie)
2. Transactiekostentheorie (transactiekosten)
3. Agencytheorie (tegengestelde belangen)
1. Neoklassieke theorie:
Bedrijf streeft winstmaximalisatie na = ultieme doel
Bedrijf zet middelen (productiefactoren) efficiënt in (kosten-
batenanalyse)
= belangrijkste instrument in economische beslissingsproces
Productiefactoren kunnen op # manieren worden ingezet moet
hoogst mogelijke opbrengst leveren ( de baten)
Kiezen = verliezen bij elke keuze offert men een alternatief (=
opportuniteitskost) op
Rationele keuzes → opportuniteitskost
, Opportuniteitskosten = de waarde en opbrengst van het best mogelijke
alternatief tov de uiteindelijke genomen beslissing.
Kritisch tov rol van overheid in de markt
Markt, niet de overheid, creëert beste uitkomst
Overheid = remmend en verstorend voor werking markt
Enkel overheidsinterventie bij marktfalen wanneer markt
onvoldoende ‘werkt’
Bemoeienis overheid kan leiden tot overheidsfalen wnr overheid
onvoldoende effectief optreedt voor een oplossing
De neoklassieke theorie in de media-economie:
Niet evident om deze principes op mediabedrijven toe te passen:
Kritiek op neoklassiek perspectief:
Niet elk mediabedrijf streeft zoveel mogelijk winst na
Overheid nodig om negatieve uitkomst markt te remediëren ( de media-
industrie wordt immers gekenmerkt door marktfalen)
Huidige mediaminister Cieltje Van Achter
2. Transactiekostentheorie:
Bouwt verder op inzichten van Nobelprijswinnaar Ronald Coase
‘Bedrijven/onderneming als alternatief voor de markt’
Productie van goederen en diensten kan gebeuren via reeks losse
arbeidscontracten/marktcontracten productie per productie (eenmalige
producties)
Losse arbeidscontracten voor specifieke opdracht
Impliceert transactiekosten (onderhandeling)
Merkte op dat elke economische uitwisseling van goederen, geld of arbeid
gepaard gaat met extra transactiekosten
Transactiekosten = kosten die nodig zijn om de transactie uit te voeren zoals
zoek- en informatiekosten, contractkosten en controle- en nalevingskosten
Ondernemingen besparen op transactiekosten door personeel via langdurige
arbeidscontracten in een gecentraliseerde structuur aan zich te binden:
Centrale organisatie als substituut voor markt (seriële producties)
Langdurige arbeidscontracten in hiërarchisch verband
Impliceert coördinatiekosten (management)
Bedrijf als coördinatiekosten < transactiekosten
Speelt vaak rol bij overnames in media
Tegenover transactiekosten staan coördinatiekosten
Coördinatiekosten = om het werk te organiseren en op te volgen, zoals
directeurslonen of communicatiekosten.
Les 1: h1: No business like the media business
Wat is media-economie?
Jong vakgebied
Comwet eerst nauwelijks oog voor economische aspecten aangezien
verwante disciplines zoals psychologie
+ mediasector voor ’70 nauwelijks commerciële kenmerken
veranderde
Besef groeide : wetenschappelijke inzichten in financiële/economische
krachten noodzakelijk!!
Media-economie = past economische theorieën, concepten en principes toe om
de werking en structuur van mediabedrijven en -industrieën te verklaren.
Begrijpen van financiële en economische omstandigheden waarin mediabedrijven
opteren en die een invloed uitoefenen op structuur en strategieën van deze
bedrijven.
Aandacht aan eigendoms-en marktstructuren, concurrentiële strategieën,
prijszetting,…
Robert Picard (grondlegger)
o ‘hoe mediabedrijven met beschikbare middelen de informatie- en
entertainmentbehoeften van publiek en adverteerders en sml
vervullen.
Deze middelen niet onbeperkt onmogelijk om in alle behoeften te
voorzien
ontstaan schaarste
Economie = wetenschap van de schaarste
Wetenschap van de schaarste:
Media-economie focust op hoe mediabedrijven hun schaarse middelen of
efficiënte wijze aanwenden om vraag naar mediaproducten tegemoet te
komen.
gebruik van productiefactoren
Productiefactoren = schaarse middelen die nodig zijn voor productie van
goederen en diensten.
3 soorten productiefactoren:
1) Arbeid:
‘people business’ (creatief en zakelijk talent)
Aantrekken creatief talent noodzakelijk
Digitale technologie verandert arbeidsomstandigheden
2) Grondstoffen:
Materieel of immaterieel
Waarmee ze mediaproducten kunnen maken
Extern aangekocht, maken deel uit van bedrijfsovername of intern
ontwikkeld
, 3) Kapitaal:
Investeren in bovenstaande productiefactoren
Via eigenaars, investeerders of beursgang
Prijs van deze productiefactoren komt in stand door vraag en aanbod
Deze wisselwerking = 1 vd meest fundamentele principes van een
vrijemarkteconomie
Moet in evenwicht zijn
Wnr vraag daalt prijs zakt
Het evenwicht is altijd in beweging
Vraag kan wijzigen als:
Consumenten andere behoeften hebben
Naar alternatieve (goedkopere) zaken uitwijken
Ook aanbod evolueert door:
Veranderende grondstofprijzen
Aanbod concurrerende producten
Technologische vooruitgang
Contradictie: schaarste in tijden van overvloed:
Economie draait rond creëren van schaarste
Toch media-economie ook gekenmerkt door overvloed
Gigantische toename van aanbod (content en platformen)
En toch: schaarste, niet overvloed, creëert waarde
Mediaproducten schaars prijzen omhoog, bij overvloed dalen
Niet langer technologische schaarste, wel kunstmatige schaarste
Strategieën om schaarste te creëren:
- Exclusieve uitzendingen
- Beperkte toegang niet-betalende gebruikers
- Boeken in beperkte toelage uitgebracht,…
Maar: tijd consument blijft schaars. Mediabedrijven moeten aandacht (en
tijd) van de consument winnen om economische waarde te creëren
Afbakening: media-economie:
Combinatie van mediastudies en economie
Toepassen van economische theorieën, concepten en principes om werking
media-industrie/bedrijven/producten te verklaren
Begrijpen welke invloed financieel-economische krachten/structuren op
media-industrie/bedrijven/producten uitoefenen
Sterk gelinkt aan politieke economie van de communicatie
Media als ruilwaarde: niet altijd met geld, ook met aandacht betalen
Media-economie bestudeert werking tss vraag en aanbod binnen media-
industrie
Kunnen 2 perspectieven worden toegepast:
1. micro-economie:
, Focus op vraag een aanbod tss individuele actoren (bedrijven, overheden
en consumenten)
Betreft nauwer perspectief omdat het de activiteiten van specifieke
aspecten van de economie bestudeert
2. macro-economie:
Bestudeert eerder het gehele economische systeem
Focus op economische groei, tewerkstelling, inflatie of export/import
Nationale, Europese, wereldeconomie
De focus van media-economie is eerder micro-economisch ‘hoe
functioneert een bepaalde media-industrie?’
Minder macro ‘wat is de bijdrage van een bepaalde media-industrie tot
de totale economie?’ is echter niet onbelangrijk (politieke economie
meer op globale)
Waarom (media)bedrijven bestaan
Verschillende types ondernemingen
Functies (rollen): producent – aggregator – distributeur
Omvang: groot en klein, lokaal en internationaal
Eigendom: beursgenoteerd, familie-eigendom, overheid
Multinationale ondernemingen actief in meerdere landen
Nationale ondernemingen uitsluitend op hun thuismarkt
Ondanks verschillen, delen ze essentieel kenmerk ze zijn een
onderneming
Theorieën over bestaan en functioneren (media)bedrijven (theorieën van
ondernemingen):
1. Neoklassieke theorie (winstmaximalisatie)
2. Transactiekostentheorie (transactiekosten)
3. Agencytheorie (tegengestelde belangen)
1. Neoklassieke theorie:
Bedrijf streeft winstmaximalisatie na = ultieme doel
Bedrijf zet middelen (productiefactoren) efficiënt in (kosten-
batenanalyse)
= belangrijkste instrument in economische beslissingsproces
Productiefactoren kunnen op # manieren worden ingezet moet
hoogst mogelijke opbrengst leveren ( de baten)
Kiezen = verliezen bij elke keuze offert men een alternatief (=
opportuniteitskost) op
Rationele keuzes → opportuniteitskost
, Opportuniteitskosten = de waarde en opbrengst van het best mogelijke
alternatief tov de uiteindelijke genomen beslissing.
Kritisch tov rol van overheid in de markt
Markt, niet de overheid, creëert beste uitkomst
Overheid = remmend en verstorend voor werking markt
Enkel overheidsinterventie bij marktfalen wanneer markt
onvoldoende ‘werkt’
Bemoeienis overheid kan leiden tot overheidsfalen wnr overheid
onvoldoende effectief optreedt voor een oplossing
De neoklassieke theorie in de media-economie:
Niet evident om deze principes op mediabedrijven toe te passen:
Kritiek op neoklassiek perspectief:
Niet elk mediabedrijf streeft zoveel mogelijk winst na
Overheid nodig om negatieve uitkomst markt te remediëren ( de media-
industrie wordt immers gekenmerkt door marktfalen)
Huidige mediaminister Cieltje Van Achter
2. Transactiekostentheorie:
Bouwt verder op inzichten van Nobelprijswinnaar Ronald Coase
‘Bedrijven/onderneming als alternatief voor de markt’
Productie van goederen en diensten kan gebeuren via reeks losse
arbeidscontracten/marktcontracten productie per productie (eenmalige
producties)
Losse arbeidscontracten voor specifieke opdracht
Impliceert transactiekosten (onderhandeling)
Merkte op dat elke economische uitwisseling van goederen, geld of arbeid
gepaard gaat met extra transactiekosten
Transactiekosten = kosten die nodig zijn om de transactie uit te voeren zoals
zoek- en informatiekosten, contractkosten en controle- en nalevingskosten
Ondernemingen besparen op transactiekosten door personeel via langdurige
arbeidscontracten in een gecentraliseerde structuur aan zich te binden:
Centrale organisatie als substituut voor markt (seriële producties)
Langdurige arbeidscontracten in hiërarchisch verband
Impliceert coördinatiekosten (management)
Bedrijf als coördinatiekosten < transactiekosten
Speelt vaak rol bij overnames in media
Tegenover transactiekosten staan coördinatiekosten
Coördinatiekosten = om het werk te organiseren en op te volgen, zoals
directeurslonen of communicatiekosten.