Casus onderwijsgroep week 3.5
Centrale vraag :
Wanneer is er sprake van een onrechtmatige daad?
Leerdoelen :
1. Hoe ontstaan verbintenissen?
Verbintenissen zijn rechten en plichten. Verbintenissen kunnen voortvloeien uit een
overeenkomst. Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
partijen jegens een of meer andere partijen een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1 BW). Uit
de bepalingen die partijen hebben afgesproken, vloeien verbintenissen voort. De verbintenis
tot schadevergoeding op grond van wanprestatie vloeit voort uit een overeenkomst (art.
6:74 lid 1 BW).
Verbintenissen kunnen ook voortvloeien uit de wet. De verbintenissen tot schadevergoeding
die uit de wet voortvloeien zijn:
1) Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)(feitelijke handeling die in strijd is met het recht)
2) Rechtmatige daad (feitelijke handeling die niet in strijd is met het recht)
a. Zaakwaarneming (art. 6:198 BW)
b. Onverschuldigde betaling (art. 6:203 lid 1 BW)
c. Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 lid 1 BW)
2. Hoe verhoudt de verbintenis uit onrechtmatige daad zich tot de verbintenis uit
wanprestatie?
Als er een contractuele relatie tussen twee of meer personen bestaat en de debiteur pleegt
wanprestatie, dan moet de crediteur hem aansprakelijk stellen op grond van wanprestatie.
Als er geen contractuele relatie tussen twee of meer personen bestaat en de debiteur pleegt
een onrechtmatige daad, dan moet de crediteur hem aansprakelijk stellen op grond van
onrechtmatige daad. Als de gedraging naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad
oplevert, dan bestaat voor de crediteur de mogelijkheid om te kiezen of hij de debiteur
aansprakelijk stelt op grond van wanprestatie dan wel op grond van onrechtmatige daad. Uit
de jurisprudentie blijkt dat dit slechts het geval is indien de gedraging los van de schending
van de verbintenis een onrechtmatige daad oplevert.
3. Wat is een onrechtmatige daad (vereisten)?
Een onrechtmatige daad is een (art. 6:162 lid 2 BW) :
1) Een inbreuk op een recht.
Een inbreuk op een persoonlijkheidsrecht, absoluut recht en rechten op voortbrengselen
van de geest. Hieronder vallen geen relatieve rechten met uitzondering van de rechten
van huurder en pachter.
2) Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht.
Onder het doen in strijd met een wettelijke plicht valt elk handelen dat in strijd is met
hetgeen in een wet is bepaald. Onder het nalaten in strijd met een wettelijke plicht valt
elk stilzitten waar de wet tot een handelend optreden verplicht.
3) Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt.
Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, die aangeven welke zorgvuldigheid een ieder in
het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht behoort te nemen (Kelderluik-
arrest).
, De daad is niet onrechtmatig met aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een
rechtvaardigingsgrond ontneemt het onrechtmatige karakter, waardoor de dader niet
aansprakelijk is. Rechtvaardigingsgronden zijn :
1) Noodweer (een handeling geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen een
eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke
aanranding).
2) Noodtoestand (de handelwijze geboden in verband met een belang van hogere orde).
3) Toestemming benadeelde (een handeling verricht met de toestemming van de
benadeelde).
4) Bevoegd gegeven ambtelijk bevel (een handeling ter uitvoering van een ambtelijk bevel,
gegeven door het daartoe bevoegde gezag).
4. Wanneer is een onrechtmatige daad toerekenbaar?
Een onrechtmatige daad is toerekenbaar (art. 6:162 lid 3 BW) :
1) Indien het te wijten is aan zijn schuld (schuldaansprakelijkheid)
De dader kan verwijt worden gemaakt dat hij de daad heeft verricht.
2) Indien het te wijten is aan een oorzaak welke voor zijn rekening komt
(risicoaansprakelijkheid)
a. Krachtens de wet
De wet kan expliciet bepalen dat de onrechtmatige daad toerekenbaar is. De wet kan
echter ook bepalen dat een gedraging niet als onrechtmatige daad aan iemand kan
worden toegerekend.
b. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen
Op grond van in het maatschappelijk verkeer levende opvattingen kan een
onrechtmatige daad aan iemand worden toegerekend.
5. Wat zijn de vereisten voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad?
Iemand die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden
toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden (art.
6:162 lid 1 BW). De vereisten zijn :
1) Onrechtmatigheid
Een onrechtmatige daad is (art. 6:162 lid 2 BW)
a. Een inbreuk op een recht.
b. Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht.
c. Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt.
De daad is niet onrechtmatig met aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
2) Toerekenbaarheid
Een onrechtmatige daad is toerekenbaar (art. 6:162 lid 3 BW) :
a. Indien het te wijten is aan zijn schuld
b. Indien het te wijten is aan een oorzaak welke voor zijn rekening komt
1) Krachtens de wet
2) Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen
3) Schade
De benadeelde heeft schade geleden. De schade die op grond van een wettelijke
verplichting tot schadevergoeding moeten worden vergoed, is vermogensschade of
ander nadeel, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft (art. 6:95 lid 1 BW).
4) Causaal verband (c.s.q.n.-vereiste)
De schade is het gevolg van de onrechtmatige daad. Er was geen schade geweest indien
de onrechtmatige daad niet had plaatsgevonden.
5) Relativiteitsvereiste
Centrale vraag :
Wanneer is er sprake van een onrechtmatige daad?
Leerdoelen :
1. Hoe ontstaan verbintenissen?
Verbintenissen zijn rechten en plichten. Verbintenissen kunnen voortvloeien uit een
overeenkomst. Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
partijen jegens een of meer andere partijen een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1 BW). Uit
de bepalingen die partijen hebben afgesproken, vloeien verbintenissen voort. De verbintenis
tot schadevergoeding op grond van wanprestatie vloeit voort uit een overeenkomst (art.
6:74 lid 1 BW).
Verbintenissen kunnen ook voortvloeien uit de wet. De verbintenissen tot schadevergoeding
die uit de wet voortvloeien zijn:
1) Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)(feitelijke handeling die in strijd is met het recht)
2) Rechtmatige daad (feitelijke handeling die niet in strijd is met het recht)
a. Zaakwaarneming (art. 6:198 BW)
b. Onverschuldigde betaling (art. 6:203 lid 1 BW)
c. Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 lid 1 BW)
2. Hoe verhoudt de verbintenis uit onrechtmatige daad zich tot de verbintenis uit
wanprestatie?
Als er een contractuele relatie tussen twee of meer personen bestaat en de debiteur pleegt
wanprestatie, dan moet de crediteur hem aansprakelijk stellen op grond van wanprestatie.
Als er geen contractuele relatie tussen twee of meer personen bestaat en de debiteur pleegt
een onrechtmatige daad, dan moet de crediteur hem aansprakelijk stellen op grond van
onrechtmatige daad. Als de gedraging naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad
oplevert, dan bestaat voor de crediteur de mogelijkheid om te kiezen of hij de debiteur
aansprakelijk stelt op grond van wanprestatie dan wel op grond van onrechtmatige daad. Uit
de jurisprudentie blijkt dat dit slechts het geval is indien de gedraging los van de schending
van de verbintenis een onrechtmatige daad oplevert.
3. Wat is een onrechtmatige daad (vereisten)?
Een onrechtmatige daad is een (art. 6:162 lid 2 BW) :
1) Een inbreuk op een recht.
Een inbreuk op een persoonlijkheidsrecht, absoluut recht en rechten op voortbrengselen
van de geest. Hieronder vallen geen relatieve rechten met uitzondering van de rechten
van huurder en pachter.
2) Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht.
Onder het doen in strijd met een wettelijke plicht valt elk handelen dat in strijd is met
hetgeen in een wet is bepaald. Onder het nalaten in strijd met een wettelijke plicht valt
elk stilzitten waar de wet tot een handelend optreden verplicht.
3) Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt.
Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, die aangeven welke zorgvuldigheid een ieder in
het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht behoort te nemen (Kelderluik-
arrest).
, De daad is niet onrechtmatig met aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een
rechtvaardigingsgrond ontneemt het onrechtmatige karakter, waardoor de dader niet
aansprakelijk is. Rechtvaardigingsgronden zijn :
1) Noodweer (een handeling geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen een
eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke
aanranding).
2) Noodtoestand (de handelwijze geboden in verband met een belang van hogere orde).
3) Toestemming benadeelde (een handeling verricht met de toestemming van de
benadeelde).
4) Bevoegd gegeven ambtelijk bevel (een handeling ter uitvoering van een ambtelijk bevel,
gegeven door het daartoe bevoegde gezag).
4. Wanneer is een onrechtmatige daad toerekenbaar?
Een onrechtmatige daad is toerekenbaar (art. 6:162 lid 3 BW) :
1) Indien het te wijten is aan zijn schuld (schuldaansprakelijkheid)
De dader kan verwijt worden gemaakt dat hij de daad heeft verricht.
2) Indien het te wijten is aan een oorzaak welke voor zijn rekening komt
(risicoaansprakelijkheid)
a. Krachtens de wet
De wet kan expliciet bepalen dat de onrechtmatige daad toerekenbaar is. De wet kan
echter ook bepalen dat een gedraging niet als onrechtmatige daad aan iemand kan
worden toegerekend.
b. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen
Op grond van in het maatschappelijk verkeer levende opvattingen kan een
onrechtmatige daad aan iemand worden toegerekend.
5. Wat zijn de vereisten voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad?
Iemand die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden
toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden (art.
6:162 lid 1 BW). De vereisten zijn :
1) Onrechtmatigheid
Een onrechtmatige daad is (art. 6:162 lid 2 BW)
a. Een inbreuk op een recht.
b. Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht.
c. Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt.
De daad is niet onrechtmatig met aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
2) Toerekenbaarheid
Een onrechtmatige daad is toerekenbaar (art. 6:162 lid 3 BW) :
a. Indien het te wijten is aan zijn schuld
b. Indien het te wijten is aan een oorzaak welke voor zijn rekening komt
1) Krachtens de wet
2) Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen
3) Schade
De benadeelde heeft schade geleden. De schade die op grond van een wettelijke
verplichting tot schadevergoeding moeten worden vergoed, is vermogensschade of
ander nadeel, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft (art. 6:95 lid 1 BW).
4) Causaal verband (c.s.q.n.-vereiste)
De schade is het gevolg van de onrechtmatige daad. Er was geen schade geweest indien
de onrechtmatige daad niet had plaatsgevonden.
5) Relativiteitsvereiste