Samenvatting College-aantekeningen Interculturele Communicatie
Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 ......................................................................................................................2
Hoorcollege 2 ......................................................................................................................3
Gerritsen & Claes hoofdstuk 1 ..........................................................................................3
Hoorcollege 3 ......................................................................................................................5
Gerritsen & Claes hoofdstuk 3 ..........................................................................................5
Hoorcollege 4 ......................................................................................................................6
Gerritsen & Claes hoofdstuk 2 ..........................................................................................6
Hoorcollege 6 ......................................................................................................................9
Chhokar, Brodbeck & House Intercultureel Management: Globe Study ............................. 12
Hoorcollege 5 .................................................................................................................... 16
Variatie in gebaren in cross-culturele communicatie (KIta, 2009). ..................................... 18
Hoorcollege 7 .................................................................................................................... 20
Han & Shavitt (1994) ....................................................................................................... 20
Hornikx & O'Keefe (2009): Meta-analyse .......................................................................... 21
Hornikx et al. (2010): Aanpassing in West-Europa ............................................................ 21
Hornikx et al. (2023): Update Meta-analyse ..................................................................... 23
Hoorcollege 8 .................................................................................................................... 23
Stereotypen (Claes & Gerritsen, hoofdstuk 1) .................................................................. 23
Representatie van ‘de Ander’, (Huismans, Joye, & Maeseele, 2012) ................................... 26
Hoorcollege 9 .................................................................................................................... 28
Claes & Gerritsen Hoofdstuk 6 ........................................................................................ 28
Hoorcollege 10 .................................................................................................................. 31
Interculturele Vriendschappen (Gareis et al., 2011) ......................................................... 33
Spitzberg's (2000) ........................................................................................................... 33
Discrepancies in Perception of Cultural Differences (Christopher Thesing, 2021) .............. 35
Hoorcollege 11 .................................................................................................................. 36
(Smith Pfister & Soliz, 2011) ............................................................................................ 36
(Sandel, 2014) ................................................................................................................ 36
1
,Hoorcollege 1
1: cultuur. Wat is Cultuur?
Cultuur kent meerdere definities:
• De unieke manier van doen en denken binnen een groep.
• Een gedeelde manier van betekenis geven.
• Collectieve mentale programmering.
Cultuur bestaat uit lagen, vergelijkbaar met een ui:
1. Zichtbare laag: praktijken en instituties
Deze laag omvat:
• Symbolen: taal, kleding, vlaggen, enz.
• Helden: individuen met gewaardeerde eigenschappen, zoals André Hazes als voorbeeld
van een Nederlandse culturele held.
• Rituelen: sociaal belangrijke, maar technisch overbodige handelingen. Denk aan
begroetingen (hand geven), gezinsmaaltijden, of ceremonies zoals de Japanse
theeceremonie.
Deze drie vallen onder de noemer praktijken en zijn waarneembaar gedrag binnen een cultuur.
2. Onzichtbare kern: waarden, normen
Waarden zijn opvattingen over wat goed, normaal en belangrijk is. Ze bepalen het gedrag binnen
een cultuur, maar zijn niet direct zichtbaar.
Verschillen in waarden en normen veroorzaken vaak misverstanden in interculturele
communicatie – dit wordt mooi uitgelegd via de ijsbergmetafoor: De IJsberg van Cultuur
• Boven water (zichtbaar): gedrag, taal, rituelen, kleding, eten – de praktijken.
• Onder water (onzichtbaar): waarden, overtuigingen, normen – de diepere betekenissen.
Soorten Cultuur: Naast de nationale cultuur bestaan er diverse subculturen:
• Etnische subculturen: gedeelde afkomst en tradities, bijv. migranten of inheemse
groepen.
• Sociale klasse: bepaald door inkomen, opleiding, beroep, woonplaats en
familieachtergrond.
• Regionale cultuur: verschillen tussen regio’s, bijv. Randstad vs. provincie.
• Organisatiecultuur: cultuur binnen bedrijven en organisaties.
• Andere subculturen: gebaseerd op leeftijd, geslacht, seksuele oriëntatie, hobby’s (zoals
voetbal), dialecten, enz.
Globalisering: Globalisering verwijst naar de groeiende wereldwijde verbondenheid op
economisch, cultureel, politiek en sociaal vlak. Belangrijke aanjagers zijn technologie, transport,
toerisme en migratie.
Aspecten van globalisering:
• Economisch: wereldhandel, multinationals, arbeidsmigratie.
• Cultureel: verspreiding van cultuurelementen én het behoud of ontstaan van nieuwe
tradities.
• Politiek: internationale samenwerking via organisaties en verdragen.
De KOF Index of Globalization (1970–2010) meet deze ontwikkeling op verschillende niveaus.
Door globalisering leven we steeds meer in een “global village” – een wereld zonder grenzen.
Dit leidt tot meer intercultureel contact, vooral op de werkvloer, waardoor kennis van
cultuurverschillen en interculturele communicatie steeds belangrijker wordt.
2
,Hoorcollege 2
Gerritsen & Claes hoofdstuk 1
Cross-cultureel versus Intercultureel Onderzoek
• Cross-cultureel onderzoek vergelijkt culturen met elkaar. Het beschrijft kenmerken en
eigenaardigheden van verschillende culturen en toont overeenkomsten en verschillen,
bijvoorbeeld door het vergelijken van scores op cultuurdimensies. Een voorbeeld is het
vergelijken van machtsafstand tussen Polen, Duitsland en Nederland.
• Intercultureel onderzoek richt zich op de interactie en communicatie tussen mensen
uit verschillende culturen. Voorbeeld: analyse van de samenwerking tussen Duitse,
Nederlandse en Poolse specialisten in een project
Oorsprong en evolutie van cross- en intercultureel onderzoek
De ontwikkeling van intercultureel onderzoek kent drie fasen:
1. Fase 1: Eenvoudige beschrijvingen van culturele verschillen, vaak oppervlakkig en
beïnvloed door een eigen cultureel perspectief.
2. Fase 2: Systematische modellen om culturele variatie te analyseren, zoals
individualisme vs. collectivisme. Kritiek: overmatige nadruk op cultuur als verklaring,
zonder oog voor andere factoren.
3. Fase 3: Kritische benadering van bestaande modellen, met aandacht voor globalisering,
migratie en diversiteit binnen landen. Nationale culturen worden niet langer als
homogene eenheden gezien.
Power Distance: in hoeverre wordt een ongelijke verdeling van macht geaccepteerd en
verwacht? (machtsafstand).
Conclusie: Verschillen tussen twee culturen kunnen worden veroorzaakt door
cultuur, maar er kunnen ook andere factoren een rol spelen.
• Gender: Mannen zijn meer geneigd risico’s te nemen dan vrouwen.
• Institutionele factoren: wetten bepalen wat is toegestaan en wat niet.
• Religie en cultuur: worden beïnvloed door godsdienst. Het is van invloed op de cultuur
of een land of politiek gezien overwegend katholiek, protestants of anders religieus is.
Zijn culturele kenmerken te verklaren met historische ontwikkelingen?
- Nee: je kunt niet met zekerheid zeggen hoe culturele kenmerken zich hebben ontwikkeld. Maar:
geschiedenis helpt om een vreemde cultuur, attitudes en gedrag beter te begrijpen.
Bij het analyseren van nationale culturen (macroniveau, alle culturen) is het belangrijk ook te
kijken naar het mesoniveau (groepen zoals sportclubs of studenten met eigen subculturen) en
het microniveau (individuele persoonlijkheid en ervaringen). Een nationale cultuur is geen
eenheid, maar wordt gevormd door de interactie tussen individuen en groepen.
2: Communicatie
Link tussen cultuur en communicatie
• Communicatie: we delen met elkaar wie we zijn en wat we weten
• Hoe we onze ideeën en gevoelens delen met anderen verschilt van cultuur tot cultuur
Communicatiemodel van Shannon & Weaver (1949) beschrijft communicatie als een zender
die informatie naar een ontvanger stuurt. Belemmeringen kunnen ontstaan door technische
storingen of doordat zender en ontvanger niet dezelfde referentiekaders (repertoires) delen.
3
, Problemen:
1. Geen feedback
2. Geen rol voor context
3. Niet alleen woorden, maar ook stem, gebaren, etc
In interculturele communicatie spelen interpretatie, context en feedback een grote rol. Wat
als normale feedback wordt gezien (zoals oogcontact of knikken), verschilt per cultuur. Ook
woorden kunnen per cultuur verschillende betekenissen hebben, zoals het voorbeeld van het
woord "fiets" laat zien.
Effectieve communicatie ontstaat als de ontvanger de boodschap opvat zoals de zender die
bedoelde. Misverstanden ontstaan vaak door culturele verschillen in taalgebruik, non-verbale
signalen en context.
Communicatiemodel van Targowski & Bowman (1988)
Targowski & Bowman ontwikkelden een meerlagenmodel voor communicatie als uitbreiding op
het zender-ontvanger model van Shannon & Weaver. Hun model is vooral geschikt voor
interculturele communicatie en biedt een realistischer en completer beeld van hoe
communicatie werkt.
Verbeteringen t.o.v. Shannon & Weaver:
• Geen eenrichtingsverkeer: feedback is cruciaal.
• Er wordt rekening gehouden met kennis van de buitenwereld.
• Verbaal én non-verbaal zijn belangrijk.
• Het model onderkent meerdere lagen die communicatie beïnvloeden.
Het meerlagenmodel (Multilayer Model):
Bestaat uit 10 lagen die allemaal invloed uitoefenen op de communicatie, vooral in
interculturele situaties:
1. Fysische link: Toegang tot en gebruik van communicatiemiddelen zoals internet of
platforms (bv. WhatsApp, Instagram).
2. Systeemlink: Culturele geschiktheid van het gebruikte communicatiekanaal (bv. een
ontslag via post-it vs. persoonlijk gesprek).
3. Toehoorderslink: Past de boodschap bij het publiek? Houdt men rekening met wie er
aanwezig is bij het overbrengen van de boodschap? Mensen ontslaan
4. Sessielink ontvangen en zenden op zelfde tijd en omstandigheden?: vraag of de
zender en de ontvanger van de boodschap zich tegelijkertijd en onder vergelijkbare
omstandigheden bevinden tijdens de communicatie.
5. Omgevingslink: Wordt de omgeving op dezelfde manier ervaren? (bv. praten in de sauna:
normaal in Nederland, stil in Duitsland).
6. Functies- en statuslink: Gelijke interpretatie van status en rollen (bv. omgang met
hiërarchie, geslacht, leeftijd).
7. Symbolenlink: Begrippen, gebaren of woorden kunnen per cultuur verschillend
geïnterpreteerd worden (bv. “fiets”, oogcontact).
8. Gedragslink: Komt het gedrag van de ontvanger overeen met de bedoelde boodschap
van de zender? Non-verbaal gedrag (Mister Bean), handgebaren, toon en mimiek.
9. Waardenlink: Delen zender en ontvanger dezelfde fundamentele waarden? Verschillen
hierin zijn bron van miscommunicatie. Directheid NL vs. indirectheid Japan.
10. Opslaan/terughalenlink: Eerdere ervaringen en culturele achtergrond beïnvloeden hoe
een boodschap wordt geïnterpreteerd.
4
Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 ......................................................................................................................2
Hoorcollege 2 ......................................................................................................................3
Gerritsen & Claes hoofdstuk 1 ..........................................................................................3
Hoorcollege 3 ......................................................................................................................5
Gerritsen & Claes hoofdstuk 3 ..........................................................................................5
Hoorcollege 4 ......................................................................................................................6
Gerritsen & Claes hoofdstuk 2 ..........................................................................................6
Hoorcollege 6 ......................................................................................................................9
Chhokar, Brodbeck & House Intercultureel Management: Globe Study ............................. 12
Hoorcollege 5 .................................................................................................................... 16
Variatie in gebaren in cross-culturele communicatie (KIta, 2009). ..................................... 18
Hoorcollege 7 .................................................................................................................... 20
Han & Shavitt (1994) ....................................................................................................... 20
Hornikx & O'Keefe (2009): Meta-analyse .......................................................................... 21
Hornikx et al. (2010): Aanpassing in West-Europa ............................................................ 21
Hornikx et al. (2023): Update Meta-analyse ..................................................................... 23
Hoorcollege 8 .................................................................................................................... 23
Stereotypen (Claes & Gerritsen, hoofdstuk 1) .................................................................. 23
Representatie van ‘de Ander’, (Huismans, Joye, & Maeseele, 2012) ................................... 26
Hoorcollege 9 .................................................................................................................... 28
Claes & Gerritsen Hoofdstuk 6 ........................................................................................ 28
Hoorcollege 10 .................................................................................................................. 31
Interculturele Vriendschappen (Gareis et al., 2011) ......................................................... 33
Spitzberg's (2000) ........................................................................................................... 33
Discrepancies in Perception of Cultural Differences (Christopher Thesing, 2021) .............. 35
Hoorcollege 11 .................................................................................................................. 36
(Smith Pfister & Soliz, 2011) ............................................................................................ 36
(Sandel, 2014) ................................................................................................................ 36
1
,Hoorcollege 1
1: cultuur. Wat is Cultuur?
Cultuur kent meerdere definities:
• De unieke manier van doen en denken binnen een groep.
• Een gedeelde manier van betekenis geven.
• Collectieve mentale programmering.
Cultuur bestaat uit lagen, vergelijkbaar met een ui:
1. Zichtbare laag: praktijken en instituties
Deze laag omvat:
• Symbolen: taal, kleding, vlaggen, enz.
• Helden: individuen met gewaardeerde eigenschappen, zoals André Hazes als voorbeeld
van een Nederlandse culturele held.
• Rituelen: sociaal belangrijke, maar technisch overbodige handelingen. Denk aan
begroetingen (hand geven), gezinsmaaltijden, of ceremonies zoals de Japanse
theeceremonie.
Deze drie vallen onder de noemer praktijken en zijn waarneembaar gedrag binnen een cultuur.
2. Onzichtbare kern: waarden, normen
Waarden zijn opvattingen over wat goed, normaal en belangrijk is. Ze bepalen het gedrag binnen
een cultuur, maar zijn niet direct zichtbaar.
Verschillen in waarden en normen veroorzaken vaak misverstanden in interculturele
communicatie – dit wordt mooi uitgelegd via de ijsbergmetafoor: De IJsberg van Cultuur
• Boven water (zichtbaar): gedrag, taal, rituelen, kleding, eten – de praktijken.
• Onder water (onzichtbaar): waarden, overtuigingen, normen – de diepere betekenissen.
Soorten Cultuur: Naast de nationale cultuur bestaan er diverse subculturen:
• Etnische subculturen: gedeelde afkomst en tradities, bijv. migranten of inheemse
groepen.
• Sociale klasse: bepaald door inkomen, opleiding, beroep, woonplaats en
familieachtergrond.
• Regionale cultuur: verschillen tussen regio’s, bijv. Randstad vs. provincie.
• Organisatiecultuur: cultuur binnen bedrijven en organisaties.
• Andere subculturen: gebaseerd op leeftijd, geslacht, seksuele oriëntatie, hobby’s (zoals
voetbal), dialecten, enz.
Globalisering: Globalisering verwijst naar de groeiende wereldwijde verbondenheid op
economisch, cultureel, politiek en sociaal vlak. Belangrijke aanjagers zijn technologie, transport,
toerisme en migratie.
Aspecten van globalisering:
• Economisch: wereldhandel, multinationals, arbeidsmigratie.
• Cultureel: verspreiding van cultuurelementen én het behoud of ontstaan van nieuwe
tradities.
• Politiek: internationale samenwerking via organisaties en verdragen.
De KOF Index of Globalization (1970–2010) meet deze ontwikkeling op verschillende niveaus.
Door globalisering leven we steeds meer in een “global village” – een wereld zonder grenzen.
Dit leidt tot meer intercultureel contact, vooral op de werkvloer, waardoor kennis van
cultuurverschillen en interculturele communicatie steeds belangrijker wordt.
2
,Hoorcollege 2
Gerritsen & Claes hoofdstuk 1
Cross-cultureel versus Intercultureel Onderzoek
• Cross-cultureel onderzoek vergelijkt culturen met elkaar. Het beschrijft kenmerken en
eigenaardigheden van verschillende culturen en toont overeenkomsten en verschillen,
bijvoorbeeld door het vergelijken van scores op cultuurdimensies. Een voorbeeld is het
vergelijken van machtsafstand tussen Polen, Duitsland en Nederland.
• Intercultureel onderzoek richt zich op de interactie en communicatie tussen mensen
uit verschillende culturen. Voorbeeld: analyse van de samenwerking tussen Duitse,
Nederlandse en Poolse specialisten in een project
Oorsprong en evolutie van cross- en intercultureel onderzoek
De ontwikkeling van intercultureel onderzoek kent drie fasen:
1. Fase 1: Eenvoudige beschrijvingen van culturele verschillen, vaak oppervlakkig en
beïnvloed door een eigen cultureel perspectief.
2. Fase 2: Systematische modellen om culturele variatie te analyseren, zoals
individualisme vs. collectivisme. Kritiek: overmatige nadruk op cultuur als verklaring,
zonder oog voor andere factoren.
3. Fase 3: Kritische benadering van bestaande modellen, met aandacht voor globalisering,
migratie en diversiteit binnen landen. Nationale culturen worden niet langer als
homogene eenheden gezien.
Power Distance: in hoeverre wordt een ongelijke verdeling van macht geaccepteerd en
verwacht? (machtsafstand).
Conclusie: Verschillen tussen twee culturen kunnen worden veroorzaakt door
cultuur, maar er kunnen ook andere factoren een rol spelen.
• Gender: Mannen zijn meer geneigd risico’s te nemen dan vrouwen.
• Institutionele factoren: wetten bepalen wat is toegestaan en wat niet.
• Religie en cultuur: worden beïnvloed door godsdienst. Het is van invloed op de cultuur
of een land of politiek gezien overwegend katholiek, protestants of anders religieus is.
Zijn culturele kenmerken te verklaren met historische ontwikkelingen?
- Nee: je kunt niet met zekerheid zeggen hoe culturele kenmerken zich hebben ontwikkeld. Maar:
geschiedenis helpt om een vreemde cultuur, attitudes en gedrag beter te begrijpen.
Bij het analyseren van nationale culturen (macroniveau, alle culturen) is het belangrijk ook te
kijken naar het mesoniveau (groepen zoals sportclubs of studenten met eigen subculturen) en
het microniveau (individuele persoonlijkheid en ervaringen). Een nationale cultuur is geen
eenheid, maar wordt gevormd door de interactie tussen individuen en groepen.
2: Communicatie
Link tussen cultuur en communicatie
• Communicatie: we delen met elkaar wie we zijn en wat we weten
• Hoe we onze ideeën en gevoelens delen met anderen verschilt van cultuur tot cultuur
Communicatiemodel van Shannon & Weaver (1949) beschrijft communicatie als een zender
die informatie naar een ontvanger stuurt. Belemmeringen kunnen ontstaan door technische
storingen of doordat zender en ontvanger niet dezelfde referentiekaders (repertoires) delen.
3
, Problemen:
1. Geen feedback
2. Geen rol voor context
3. Niet alleen woorden, maar ook stem, gebaren, etc
In interculturele communicatie spelen interpretatie, context en feedback een grote rol. Wat
als normale feedback wordt gezien (zoals oogcontact of knikken), verschilt per cultuur. Ook
woorden kunnen per cultuur verschillende betekenissen hebben, zoals het voorbeeld van het
woord "fiets" laat zien.
Effectieve communicatie ontstaat als de ontvanger de boodschap opvat zoals de zender die
bedoelde. Misverstanden ontstaan vaak door culturele verschillen in taalgebruik, non-verbale
signalen en context.
Communicatiemodel van Targowski & Bowman (1988)
Targowski & Bowman ontwikkelden een meerlagenmodel voor communicatie als uitbreiding op
het zender-ontvanger model van Shannon & Weaver. Hun model is vooral geschikt voor
interculturele communicatie en biedt een realistischer en completer beeld van hoe
communicatie werkt.
Verbeteringen t.o.v. Shannon & Weaver:
• Geen eenrichtingsverkeer: feedback is cruciaal.
• Er wordt rekening gehouden met kennis van de buitenwereld.
• Verbaal én non-verbaal zijn belangrijk.
• Het model onderkent meerdere lagen die communicatie beïnvloeden.
Het meerlagenmodel (Multilayer Model):
Bestaat uit 10 lagen die allemaal invloed uitoefenen op de communicatie, vooral in
interculturele situaties:
1. Fysische link: Toegang tot en gebruik van communicatiemiddelen zoals internet of
platforms (bv. WhatsApp, Instagram).
2. Systeemlink: Culturele geschiktheid van het gebruikte communicatiekanaal (bv. een
ontslag via post-it vs. persoonlijk gesprek).
3. Toehoorderslink: Past de boodschap bij het publiek? Houdt men rekening met wie er
aanwezig is bij het overbrengen van de boodschap? Mensen ontslaan
4. Sessielink ontvangen en zenden op zelfde tijd en omstandigheden?: vraag of de
zender en de ontvanger van de boodschap zich tegelijkertijd en onder vergelijkbare
omstandigheden bevinden tijdens de communicatie.
5. Omgevingslink: Wordt de omgeving op dezelfde manier ervaren? (bv. praten in de sauna:
normaal in Nederland, stil in Duitsland).
6. Functies- en statuslink: Gelijke interpretatie van status en rollen (bv. omgang met
hiërarchie, geslacht, leeftijd).
7. Symbolenlink: Begrippen, gebaren of woorden kunnen per cultuur verschillend
geïnterpreteerd worden (bv. “fiets”, oogcontact).
8. Gedragslink: Komt het gedrag van de ontvanger overeen met de bedoelde boodschap
van de zender? Non-verbaal gedrag (Mister Bean), handgebaren, toon en mimiek.
9. Waardenlink: Delen zender en ontvanger dezelfde fundamentele waarden? Verschillen
hierin zijn bron van miscommunicatie. Directheid NL vs. indirectheid Japan.
10. Opslaan/terughalenlink: Eerdere ervaringen en culturele achtergrond beïnvloeden hoe
een boodschap wordt geïnterpreteerd.
4