Inleiding in de
psychologie
Hoofdstuk 1: Om te beginnen
Belang van kritisch denken
➢ Kritische grondhouding is vereist om de wetenschappelijke psychologie te onderscheiden
van andere kennis
➢ 40% tot 75% gelooft in verschijnselen zoals telepathie, helderziendheid, bioritmen en
psychische heelkunde
Het Freudprobleem
Freudprobleem = associatie van psychologie met psychoanalyse.
Freud = geen psycholoog maar arts Zijn ideeën worden niet sterk geaccepteerd in de psychologie
(< 10%
Karl Gustav Jong zijn ideeën worden nog minder geaccepteerd
Echte psyhologen = minder gekend (bv. Daniel Kaneman)
Een beknopt historisch overzicht
Psychologie heeft haar wortels in filosofie en fysiologie/neurologie.
➢ Psychologie wordt geassocieerd met de studie van de geest/psyche
➢ Hierbinnen zijn 2 strekkingen te onderscheiden: empirisme (kennis door
zintuiglijke waarneming) en rationalisme (kennis door logisch redeneren).
Na WO2: psychologie als gedragswetenschap (enkel objectief waarneembaar gedrag)
➢ Behaviorisme: psychologie gereduceerd tot het achterhalen van verbanden tussen
stimulus en reactie, veroverde de wereld.
➢ Voornamelijk diergedrag onderzocht, tot 1960 opkomst computer
➢ De studie waarop wij informatie verwerken = cognitieve psychologie.
3 belangrijke kenmerken/eisen voor wetenschappelijk onderzoek:
1) Systematisch empirisme
- Het laat zich leiden door het systematisch waarnemen van de werkelijkheid
- Gebrek aan systematisch empirisch onderzoek kan leiden tot wetenschappelijke dwalingen
- Klopt er wat er wat er voorspeld is
2) Publiek verifieerbare kennis: eis van repliceerbaarheid
- Kennis moet repliceerbaar zijn: dezelfde procedure dezelfde resultaten
- Peer review: iets gepubliceerd en geaccepteerd in wetenschappelijke kennis als het geschikt wordt
door anonieme beoordelaars die geschoold zijn in dat domein.
3) Toetsbare theorieën en uitspraken
- Je moet iets beweren dat ontkracht kan worden
- Bv. stelling ‘zwarte zwanen bestaan niet’ kan je niet ontkrachten, wel kan de observatie van één
zwarte zwaan de stelling ‘alle zwanen zijn wit’ ontkrachten
- Het moet mogelijk zijn om aan te tonen dat de uitspraak foutief is
1
,Onderzoeksmethoden (types)
1. Naturalistische observaties:
- In real-life omgeving niet-gemanipuleerd gedrag observeren
- bv. keuze voor trap vs. roltrap bij United Brands in Hasselt op zaterdagen
- Potentieel nadeel = mensen kunnen gedrag aanpassen als ze weten dat ze
geobserveerd worden
2. Gevalstudies:
- Uitvoerige studie van 1 bijzonder (leerrijk) geval
3. Interviews:
- Directe (mondelinge) bevraging
- Rapportering niet evident (kwalitatieve methoden)
4. Surveys (vragenlijsten):
- indirecte (schriftelijke) bevraging
- steekproef van opinies, attitudes, …
- open en gesloten vragen
- Bv. enquête Humo over seksualiteit, bijgestaan door onderzoekers
5. Psychologische tests:
- bv. IQ-test, Rorschach, …
- Standaardisatie: altijd op dezelfde manier test uitvoeren
- Betrouwbaarheid: meetresultaat varieert niet met de tijd
- Validiteit: meet wat de test wilt meten
Interne validiteit = Hoe zeker zijn we dat effecten van onafhankelijke variabele op afhankelijke
variabele niet aan toeval kunnen toegeschreven worden?
Externe validiteit = Hoe zeker zijn we dat de resultaten van een empirisch onderzoek kunnen
veralgemeend worden naar andere populaties en situaties?
2
, 6. Correlationele studies :
- Correlatiecoëfficiënt als maat van lineaire samenhang tussen twee variabelen
- variërend tussen -1 en +1
- waarde = 1,0 = positieve correlatie lineair verband, ene variabele perfect voorspelbaar als andere
gegeven is
- waarde = -1,0 = negatieve correlatie omgekeerd verband, ene variabele perfect voorspelbaar als
andere gegeven is
- 0,0 – correlatie geen verband
7. Experimenten
- onderzoeker manipuleert en controleert/standaardiseert om de invloed van zogenaamde
verwarrende/storende/confounding variabelen te kunnen uitsluiten, en zo causale uitspraken te
kunnen doen over de invloed van een onafhankelijke variabele op een afhankelijke variabele.
- onafhankelijke variabele: wordt gemanipuleerd door onderzoeker in verschillende condities (met
controlegroep)
- afhankelijke variabele: waarop onafhankelijke variabele invloed zou kunnen uitoefenen (wordt
gemeten)
- mate van controle/standaardisatie kan variëren: in het veld vs. in laboratorium
EXAMEN: Onafhankelijke en afhankelijke variabele kunnen onderscheiden
Veldexperiment Hasselt = naturalistische observaties
- observatie op zaterdag zonder manipulatie (controlegroep)
- observatie op zaterdag met manipulatie (bordje als nudge)
- mogelijke storende variabele = het weer (slecht weer = roltrap), niet dezelfde mensen
- onafhankelijke variabele = of er een bordje staat of niet
- afhankelijke variabele = of de mensen de trap nemen of de roltrap
3
, Enkele exemplarische voorbeelden (zie ook powerpoint)
1ste studie: vergelijkt de validiteit van 3 methoden om persoonlijkheidstrekken te meten
⇨ Verschillende methoden om persoonlijkheid te meten, welke is de beste?
⇨ Klassieke vragenlijst: 5 persoonlijkheidsfactoren: vriendelijkheid, extraversie, neuroticisme,
gewetensvolheid en algemene ontwikkeling (gemeten a.d.h.v. een subschaal die telkens uit
14 vragen bestond, antwoord via 7-puntenschaal)
⇨ Zelfbeoordeling op basis van slechts 1 item per persoonlijkheidsfactor (levendig, sociaal,
punctueel, gespannen en gecultiveerd op een 7-puntenschaal)
⇨ Vrijezelfbeschrijvingsmethode: eigen persoonlijkheid beschrijven a.d.h.v. 10 adjectieven
Verband tussen de meting en gedragscores: validiteit van zelfbeoordelingsmetingen.
⇨ Geen van de 3 methoden leverde duidelijk hogere correlaties op met de gedragsscores
⇨ Validiteit steeg wanneer de proefpersoon eerst de vrijzelfbeschrijvingsmethode kregen
voorgelegd en pas nadien de klassieke vragenlijk en éénitemmethode
2de studie: wetenschappelijk onderzoek naar geluksgevoel
⇨ 2 componenten: een cognitieve evaluatie van de tevredenheid met het leven in zijn geheel
en een affectieve component die refereert aan positieve en negatieve emoties
⇨ Studies tonen aan dat beide componenten samenhangen maar niet identiek zijn
⇨ Levenstevredenheid hangt op een positieve en negatieve manier samen met de
frequentie van het ervaren van positieve en negatieve emoties
⇨ Negatieve emoties hebben een sterker effect in individualistische landen en positieve
emoties hangen sterker samen met levenstevredenheid in landen die zelfexpressie
benadrukken dan in landen waar overleving centraal staat
3de studie: empathische vermogen van mannen en vrouwen
⇨ Stereotype man: actiegericht en moeilijk kunnen lezen van anderen
⇨ Misschien is zwakkere empathie bij mannen het resultaat van zwakkere motivatie
⇨ 2 condities: betaalde en gecontroleerde conditie
⇨ Blinde beoordelaars, dubbelblinde studie
⇨ Vrouwen betere inschattingen dan mannen (hoofdeffect)
⇨ Mannen doen betere inschattingen in betaalde conditie (hoofdeffect)
⇨ Significant interactie-effect1: duidelijk verschil tussen man en vrouw in
gecontroleerde conditie, geen verschil in betaalde conditie
⇨ Verschil in empathie tussen geslachten is dus motivationeel en niet genetisch bepaald
4de studie: therapeutic touch
⇨ Therapeuten gebruiken hun handen om het ‘menselijke energieveld’ te manipuleren
zonder de patiënt aan te raken
⇨ Onderzoek Emily Rosa (pg. 46)
⇨ Er was geen significante correlatie tussen de therapeutscore en hun aantal jaren ervaring
met therapeutic touch
1 Significant interactie-effect: bekijken op powerpoint want komt sowieso een vraag over op examen
5
4
psychologie
Hoofdstuk 1: Om te beginnen
Belang van kritisch denken
➢ Kritische grondhouding is vereist om de wetenschappelijke psychologie te onderscheiden
van andere kennis
➢ 40% tot 75% gelooft in verschijnselen zoals telepathie, helderziendheid, bioritmen en
psychische heelkunde
Het Freudprobleem
Freudprobleem = associatie van psychologie met psychoanalyse.
Freud = geen psycholoog maar arts Zijn ideeën worden niet sterk geaccepteerd in de psychologie
(< 10%
Karl Gustav Jong zijn ideeën worden nog minder geaccepteerd
Echte psyhologen = minder gekend (bv. Daniel Kaneman)
Een beknopt historisch overzicht
Psychologie heeft haar wortels in filosofie en fysiologie/neurologie.
➢ Psychologie wordt geassocieerd met de studie van de geest/psyche
➢ Hierbinnen zijn 2 strekkingen te onderscheiden: empirisme (kennis door
zintuiglijke waarneming) en rationalisme (kennis door logisch redeneren).
Na WO2: psychologie als gedragswetenschap (enkel objectief waarneembaar gedrag)
➢ Behaviorisme: psychologie gereduceerd tot het achterhalen van verbanden tussen
stimulus en reactie, veroverde de wereld.
➢ Voornamelijk diergedrag onderzocht, tot 1960 opkomst computer
➢ De studie waarop wij informatie verwerken = cognitieve psychologie.
3 belangrijke kenmerken/eisen voor wetenschappelijk onderzoek:
1) Systematisch empirisme
- Het laat zich leiden door het systematisch waarnemen van de werkelijkheid
- Gebrek aan systematisch empirisch onderzoek kan leiden tot wetenschappelijke dwalingen
- Klopt er wat er wat er voorspeld is
2) Publiek verifieerbare kennis: eis van repliceerbaarheid
- Kennis moet repliceerbaar zijn: dezelfde procedure dezelfde resultaten
- Peer review: iets gepubliceerd en geaccepteerd in wetenschappelijke kennis als het geschikt wordt
door anonieme beoordelaars die geschoold zijn in dat domein.
3) Toetsbare theorieën en uitspraken
- Je moet iets beweren dat ontkracht kan worden
- Bv. stelling ‘zwarte zwanen bestaan niet’ kan je niet ontkrachten, wel kan de observatie van één
zwarte zwaan de stelling ‘alle zwanen zijn wit’ ontkrachten
- Het moet mogelijk zijn om aan te tonen dat de uitspraak foutief is
1
,Onderzoeksmethoden (types)
1. Naturalistische observaties:
- In real-life omgeving niet-gemanipuleerd gedrag observeren
- bv. keuze voor trap vs. roltrap bij United Brands in Hasselt op zaterdagen
- Potentieel nadeel = mensen kunnen gedrag aanpassen als ze weten dat ze
geobserveerd worden
2. Gevalstudies:
- Uitvoerige studie van 1 bijzonder (leerrijk) geval
3. Interviews:
- Directe (mondelinge) bevraging
- Rapportering niet evident (kwalitatieve methoden)
4. Surveys (vragenlijsten):
- indirecte (schriftelijke) bevraging
- steekproef van opinies, attitudes, …
- open en gesloten vragen
- Bv. enquête Humo over seksualiteit, bijgestaan door onderzoekers
5. Psychologische tests:
- bv. IQ-test, Rorschach, …
- Standaardisatie: altijd op dezelfde manier test uitvoeren
- Betrouwbaarheid: meetresultaat varieert niet met de tijd
- Validiteit: meet wat de test wilt meten
Interne validiteit = Hoe zeker zijn we dat effecten van onafhankelijke variabele op afhankelijke
variabele niet aan toeval kunnen toegeschreven worden?
Externe validiteit = Hoe zeker zijn we dat de resultaten van een empirisch onderzoek kunnen
veralgemeend worden naar andere populaties en situaties?
2
, 6. Correlationele studies :
- Correlatiecoëfficiënt als maat van lineaire samenhang tussen twee variabelen
- variërend tussen -1 en +1
- waarde = 1,0 = positieve correlatie lineair verband, ene variabele perfect voorspelbaar als andere
gegeven is
- waarde = -1,0 = negatieve correlatie omgekeerd verband, ene variabele perfect voorspelbaar als
andere gegeven is
- 0,0 – correlatie geen verband
7. Experimenten
- onderzoeker manipuleert en controleert/standaardiseert om de invloed van zogenaamde
verwarrende/storende/confounding variabelen te kunnen uitsluiten, en zo causale uitspraken te
kunnen doen over de invloed van een onafhankelijke variabele op een afhankelijke variabele.
- onafhankelijke variabele: wordt gemanipuleerd door onderzoeker in verschillende condities (met
controlegroep)
- afhankelijke variabele: waarop onafhankelijke variabele invloed zou kunnen uitoefenen (wordt
gemeten)
- mate van controle/standaardisatie kan variëren: in het veld vs. in laboratorium
EXAMEN: Onafhankelijke en afhankelijke variabele kunnen onderscheiden
Veldexperiment Hasselt = naturalistische observaties
- observatie op zaterdag zonder manipulatie (controlegroep)
- observatie op zaterdag met manipulatie (bordje als nudge)
- mogelijke storende variabele = het weer (slecht weer = roltrap), niet dezelfde mensen
- onafhankelijke variabele = of er een bordje staat of niet
- afhankelijke variabele = of de mensen de trap nemen of de roltrap
3
, Enkele exemplarische voorbeelden (zie ook powerpoint)
1ste studie: vergelijkt de validiteit van 3 methoden om persoonlijkheidstrekken te meten
⇨ Verschillende methoden om persoonlijkheid te meten, welke is de beste?
⇨ Klassieke vragenlijst: 5 persoonlijkheidsfactoren: vriendelijkheid, extraversie, neuroticisme,
gewetensvolheid en algemene ontwikkeling (gemeten a.d.h.v. een subschaal die telkens uit
14 vragen bestond, antwoord via 7-puntenschaal)
⇨ Zelfbeoordeling op basis van slechts 1 item per persoonlijkheidsfactor (levendig, sociaal,
punctueel, gespannen en gecultiveerd op een 7-puntenschaal)
⇨ Vrijezelfbeschrijvingsmethode: eigen persoonlijkheid beschrijven a.d.h.v. 10 adjectieven
Verband tussen de meting en gedragscores: validiteit van zelfbeoordelingsmetingen.
⇨ Geen van de 3 methoden leverde duidelijk hogere correlaties op met de gedragsscores
⇨ Validiteit steeg wanneer de proefpersoon eerst de vrijzelfbeschrijvingsmethode kregen
voorgelegd en pas nadien de klassieke vragenlijk en éénitemmethode
2de studie: wetenschappelijk onderzoek naar geluksgevoel
⇨ 2 componenten: een cognitieve evaluatie van de tevredenheid met het leven in zijn geheel
en een affectieve component die refereert aan positieve en negatieve emoties
⇨ Studies tonen aan dat beide componenten samenhangen maar niet identiek zijn
⇨ Levenstevredenheid hangt op een positieve en negatieve manier samen met de
frequentie van het ervaren van positieve en negatieve emoties
⇨ Negatieve emoties hebben een sterker effect in individualistische landen en positieve
emoties hangen sterker samen met levenstevredenheid in landen die zelfexpressie
benadrukken dan in landen waar overleving centraal staat
3de studie: empathische vermogen van mannen en vrouwen
⇨ Stereotype man: actiegericht en moeilijk kunnen lezen van anderen
⇨ Misschien is zwakkere empathie bij mannen het resultaat van zwakkere motivatie
⇨ 2 condities: betaalde en gecontroleerde conditie
⇨ Blinde beoordelaars, dubbelblinde studie
⇨ Vrouwen betere inschattingen dan mannen (hoofdeffect)
⇨ Mannen doen betere inschattingen in betaalde conditie (hoofdeffect)
⇨ Significant interactie-effect1: duidelijk verschil tussen man en vrouw in
gecontroleerde conditie, geen verschil in betaalde conditie
⇨ Verschil in empathie tussen geslachten is dus motivationeel en niet genetisch bepaald
4de studie: therapeutic touch
⇨ Therapeuten gebruiken hun handen om het ‘menselijke energieveld’ te manipuleren
zonder de patiënt aan te raken
⇨ Onderzoek Emily Rosa (pg. 46)
⇨ Er was geen significante correlatie tussen de therapeutscore en hun aantal jaren ervaring
met therapeutic touch
1 Significant interactie-effect: bekijken op powerpoint want komt sowieso een vraag over op examen
5
4