Ieder jaar rond de jaarwisseling verzinnen mensen nieuwe doelen. De buurvrouw roept bijvoorbeeld
dat ze dit jaar toch écht die 10 kilo eraf gaat sporten, of een vriend van je zegt dat hij eindelijk zijn
eigen onderneming gaat beginnen. Ze klinken enthousiast, maar een paar maanden later blijkt toch
dat ze hun doelen niet hebben behaald. Hoe kan het dat het niet lukt? Hebben ze de lat misschien te
hoog gelegd of was het doel niet duidelijk?
Om je doelen te bereiken, helpt het om ze SMART te formuleren. In deze opdracht leer je hoe je dat
doet. Je maakt deze opdracht zelfstandig.
Wat is SMART?
In het eerste deel van de opdracht maak je kennis met de SMART-methode.
1. Bekijk de introductievideo over de SMART-methode.
2. Zoek uit wat de letters van ‘SMART’ betekenen. Omschrijf kort (1 zin per letter) wat iedere
letter betekent. Noteer je antwoord in een Word-document.
S = specifiek: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Hoe concreter hoe beter.
M = meetbaar: maak je doel duidelijk en maak het meetbaar in getallen.
A = acceptabel: zorg ervoor dat je voor jou doel de juiste motivatie hebt.
R = realistisch: zorg ervoor dat het haalbaar is.
T = tijdgebonden: maak een duidelijk begin en eindpunt.
3. Lees de onderstaande doelen goed door:
1. ‘Vanaf volgende week ga ik goed mijn huiswerk maken.’
2. ‘Ik ga 10 kilo afvallen in 3 maanden tijd om op mijn ideale gewicht van 65 kilo uit te
komen, door minder suiker te eten.’
4. Welke doelstelling bij vraag 3 is het meest SMART geformuleerd? Noteer die in een Word-
document. Leg uit waarom dit doel SMART geformuleerd is en vul iedere SMART-letter in
voor dit doel: wat maakt het doel Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en
Tijdsgebonden?
2. S = ik, afvallen, ?, komende 3 maanden, om op mijn ideale gewicht te komen, door minder
suiker te eten.
M = 10 kilo in 3 maanden tijd om op 65 kilo te komen.
A = ik wil afvallen om op mijn ideale gewicht te komen en 10 kilo is haalbaar in 3 maanden
tijd.
R = in 3 maanden is 10 kilo haalbaar.
Begin punt is nu 3 april, duur is 3 maanden, eindpunt is 3juni.
5. Herschrijf het andere doel, zodat het wel SMART geformuleerd is.
1. S = ik, studeren, thuis of in de bieb, na school en op mijn vrije dagen, huiswerk consequent maken,
plannen, en goed mijn best doen om te leren en afleidingen minimaliseren. (Op een rustige plek
zitten, telefoon op stil en de tijd nemen voor mijn studie sessies)
M = per week 8 uur aan mijn huiswerk zitten
A = het doel en de manier is acceptabel
dat ze dit jaar toch écht die 10 kilo eraf gaat sporten, of een vriend van je zegt dat hij eindelijk zijn
eigen onderneming gaat beginnen. Ze klinken enthousiast, maar een paar maanden later blijkt toch
dat ze hun doelen niet hebben behaald. Hoe kan het dat het niet lukt? Hebben ze de lat misschien te
hoog gelegd of was het doel niet duidelijk?
Om je doelen te bereiken, helpt het om ze SMART te formuleren. In deze opdracht leer je hoe je dat
doet. Je maakt deze opdracht zelfstandig.
Wat is SMART?
In het eerste deel van de opdracht maak je kennis met de SMART-methode.
1. Bekijk de introductievideo over de SMART-methode.
2. Zoek uit wat de letters van ‘SMART’ betekenen. Omschrijf kort (1 zin per letter) wat iedere
letter betekent. Noteer je antwoord in een Word-document.
S = specifiek: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Hoe concreter hoe beter.
M = meetbaar: maak je doel duidelijk en maak het meetbaar in getallen.
A = acceptabel: zorg ervoor dat je voor jou doel de juiste motivatie hebt.
R = realistisch: zorg ervoor dat het haalbaar is.
T = tijdgebonden: maak een duidelijk begin en eindpunt.
3. Lees de onderstaande doelen goed door:
1. ‘Vanaf volgende week ga ik goed mijn huiswerk maken.’
2. ‘Ik ga 10 kilo afvallen in 3 maanden tijd om op mijn ideale gewicht van 65 kilo uit te
komen, door minder suiker te eten.’
4. Welke doelstelling bij vraag 3 is het meest SMART geformuleerd? Noteer die in een Word-
document. Leg uit waarom dit doel SMART geformuleerd is en vul iedere SMART-letter in
voor dit doel: wat maakt het doel Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en
Tijdsgebonden?
2. S = ik, afvallen, ?, komende 3 maanden, om op mijn ideale gewicht te komen, door minder
suiker te eten.
M = 10 kilo in 3 maanden tijd om op 65 kilo te komen.
A = ik wil afvallen om op mijn ideale gewicht te komen en 10 kilo is haalbaar in 3 maanden
tijd.
R = in 3 maanden is 10 kilo haalbaar.
Begin punt is nu 3 april, duur is 3 maanden, eindpunt is 3juni.
5. Herschrijf het andere doel, zodat het wel SMART geformuleerd is.
1. S = ik, studeren, thuis of in de bieb, na school en op mijn vrije dagen, huiswerk consequent maken,
plannen, en goed mijn best doen om te leren en afleidingen minimaliseren. (Op een rustige plek
zitten, telefoon op stil en de tijd nemen voor mijn studie sessies)
M = per week 8 uur aan mijn huiswerk zitten
A = het doel en de manier is acceptabel