EXAMENVRAGEN GERIATRIE 2025
Frailty
1. Bespreek het concept frailty.
Frailty is een ouderdomsgebonden kwetsbaarheid met verminderde weerstand tegen stressoren.
• Oorzaak: afname vd reservecapaciteit van een oudere persoon door structurele en functionele
achteruitgang in verschillende orgaansystemen
• Gevolgen: toegenomen vatbaarheid voor functionele beperkingen en comorbiditeit
• Frailty treft het hele organisme, het is geen orgaanspecifiek probleem
Klinisch uit het zich via een typisch beeld van de geriatrische patient (het zogenaamde frailty-
syndroom).
• Kenmerken: samen voorkomen van functionele beperkingen en een waaier aan ziektebeelden
• Oorzaken: functieverlies en comorbiditeit
• Let op! Frailty en comorbiditeit zijn niet hetzelfde
o Frailty kan onafhankelijk van comorbiditeit voorkomen
o Comorbiditeit lijdt niet standaard tot frailty
o Ze komen wel vaak samen voor, en beïnvloeden elkaar (vicieuze cirkel)
De achteruitgang van de verschillende orgaansystemen is inherent aan het verouderen, maar niet alle
ouderen zijn ‘frail’. Er zijn namelijk individuele verschillen in de reservecapaciteit die overblijft
naarmate orgaanfuncties verder achteruitgaan. Bij weinig reservecapaciteit → hogere kwetsbaarheid
→ hogere weerslag → hogere morbiditeit en mortaliteit. De prevalentie van frailty neemt wel toe met
de leeftijd.
Frailty is een proces van achteruitgang in alle orgaansystemen
• Musculoskeletaal
o Voornaamste orgaan waar achteruitgang is
o Verlies van spiermassa en -functie (sarcopenie) → functionele beperkingen in ADL
(activities of daily living) en IADL (instrumental activities of daily living)
o Sarcopenie en frailty zijn niet hetzelfde. Frailty is breder dan sarcopenie.
• Niet-musculoskeletale component
o Frailty komt in het hele organisme voor, de achteruitgang en toegenome
kwetsbaarheid kan in alle organen voorkomen.
o Vb. hartfalen, nierfalen,…
2. Leg uit waarom heupfractuurpatiënten typisch kwetsbare ouderen zijn.
Ouderen met een heupfractuur hebben een definitief verhoogd mortaliteitsrisico. De prognose van de
patiënt normaliseert niet na een periode van 6-12 maanden. Zelfs na geslaagde heelkunde en
revalidatie blijft de prognose ongunstig en ligt de mortaliteit 3-4x hoger dan verwacht na 10-15j.
Kwetsbaarheid van oudere pt met een heupfractuur uit zich:
● Musculoskeletaal
→ Osteoporose en sarcopenie → meer vallen, breuken, …
● Niet-musculoskeletaal
→ Onderliggende comorbiditeiten → meer kans op hartfalen, infectiegevaar, …
→ Verklaart waarschijnlijk ook het blijvend verhoogd mortaliteitsrisico
3. Hoe wordt frailty operationeel gedefinieerd?
1
,Er bestaan 2 soorten operationele definities van ‘frailty’.
● de eerste definitie bekijkt vooral de musculoskeletale componenten van frailty
(vb. index van Fried)
● de tweede definitie gaat alle “tekortkomingen” vd pt bij elkaar optellen. Dit gebeurt adhv een
comprehensive geriatric assessment.
(vb. Index van Rockwood)
Fried
→ De meest gebruikte definitie voor frailty is die van Fried
→Deze bevat 5 componenten:
1. niet-intentioneel gewichtsverlies (minstens 4.5kg in het laatste jaar)
2. spierzwakte
3. verminderde wandelsnelheid
4. gedaald uithoudingsvermogen
5. verminderde lichamelijke activiteit
→ frailty = minstens 3/5 ; pre-fail / intermediate frail = 1 of 2 ; niet-frail = 0/5
→ sarcopenie weegt sterk door in deze benadering van frailty
Frailty-index van Rockwood.
#𝑣𝑎𝑠𝑡𝑔𝑒𝑠𝑡𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑡𝑒𝑘𝑜𝑟𝑡𝑘𝑜𝑚𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛
→ (Niet frail = 0-0,2, pre-frail = 0,2-0,35, frail > 0,35)
# 𝑝𝑜𝑡𝑒𝑛𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝑡𝑒𝑘𝑜𝑟𝑡𝑘𝑜𝑚𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛
→ beoordeling obv symptomen, klinische bevindingen, ziektebeelden, functionele beperkingen en
afwijkende biochemische/elektrocardiografische/radiografische bevindingen
→ comorbiditeiten wegen sterk door in deze benadering van frailty
Beide definities hebben een goede en vergelijkbare voorspellende waarde naar functionele
prognose, hospitalisatie, institutionalisatie en mortaliteit.
4. Waaruit bestaat de behandeling van frailty?
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 3 stadia van kwetsbaarheid:
● niet-frail
● pre-frail
● frail
→ vb. via de index van Fried of de index van Rockwood.
→ Het is een dynamisch proces. De evolutie gaat gewoonlijk naar meer kwetsbaarheid. Een
omgekeerde evolutie (frail → niet-frail) komt bij onbehandelde patiënten zelden voor.
Behandeling van frailty heeft in eerste plaats als doel om het proces te vertragen of toch zeker de
negatieve gevolgen van frailty te vermijden.
Behandeling van musculoskeletale frailty:
• Behandeling van sarcopenie
o Fysieke activiteit
○ Weerstandstraining:
■ effectieve methode om spierkracht en functionaliteit te verbeteren bij
ouderen
■ Een optimaal oefenschema: 3x per week 3 reeksen van 10 herhalingen
met 70-80% van de maximale weerstand
■ Op 8 weken tijd krachtstoename van 175%
■ Na stoppen vd oefentherapie blijft spierkracht verhoogd gedurende 12
weken en neemt daarna af. Om dit te voorkomen is 1 sessie per week
voldoende.
○ Vibratietraining: alternatief voor weerstandstraining waarbij de persoon op een
platform staat dat verticale vibraties genereert. Dit veroorzaakt spiercontractie.
o Inname van eiwitten en/of aminozuren
○ Vormt een anabole stimulus die spieraanmaak bevordert
2
, ■ Oudere personen dienen meer eiwitten in te nemen dan de normale
dagelijkse behoefte van volwassenen (tenzij gedaalde nierfunctie)
■ Iedere maaltijd moet 25-30gr eiwit bevatten
■ Meer dierlijke eiwitten dan plantaardige (bevat meer wei-eiwit)
■ Bij fysieke inspanning 20gr extra eiwitten innemen
○ Vnl. gunstig effect op spiermassa, niet persee op functionaliteit
o Vitamine D + calcium substitutie
○ Rol in preventie en behandeling van sarcopenie en preventie van vallen
○ Minder botafbraak
• Indien bewezen osteoporose ook behandelen met medicatie
o Bisfosfonaten/denosumab/…
o Beschermt tegen fractuurrecidieven + daling sterfterisico
• Valpreventie
o Indicatie voor screening:
○ recidiverend vallen tijdens de laatste 12 maanden
○ timed up and go test > 14 sec
○ onevenwichtig gangpatroon
o Valpreventieve maatregelen moeten multifactorieel werken
Behandeling van de niet-musculoskeletale frailty:
o Globale medische benadering van alle kwetsbaarheden van de pt.
o In kaart brengen met comprehensive geraitric assessment, en deze zaken dan
behandelen
○ vb. heupfractuur: heelkunde, revalidatie, goede nazorg
Sarcopenie
1. Bespreek het concept sarcopenie en de operationele definitie van sarcopenie
Sarcopenie = leeftijdsgebonden verlies van spiermassa, spierkracht en functionaliteit
→ Gevolg: verstoring van de mobiliteit en groter risico op vallen, breuken, functionele beperkingen en
zelfs sterfte.
Spiermassa
Vanaf 20 tot 60 jaar: daling met 40% (+/- 1% per jaar)
Vanaf 60 jaar: snellere daling van spiermassa
→ Meer uitgesproken bij mannen, maar relatieve afname is vergelijkbaar (mannen hebben initieel
grotere spiermassa).
→ Verlies van spiermassa gebeurt vooral in de onderste ledematen.
Spierkracht
50 jaar: 1,5% verlies per jaar
Vanaf 60 jaar: 3% per jaar
→ Relatief verlies van spierkracht tussen mannen en vrouwen is vergelijkbaar, maar absoluut
verliezen mannen meer spierkracht dan vrouwen (grotere initiële spierkracht).
→Verlies van spierkracht (niet massa) is belangrijkste determinant van negatieve gezondheidsuitkomsten.
Operationele definitie van sarcopenie:
In onderzoek en in de klinische praktijk is er nood aan criteria om sarcopene van niet-sarcopene
patiënten te kunnen onderscheiden.
Definitie sarcopenie: relatieve spiermassa die ≥ 2 standaarddeviaties onder het gemiddelde ligt van de
gezonde jongvolwassen populatie van hetzelfde geslacht.
Diagnose sarcopenie: perifere spiermassa kan zeer nauwkeurig gemeten worden via een CT-scan of
MRI (owv de hoge kostprijs worden CT en MRI enkel gebruikt in wetenschappelijk onderzoek). In de
klinische praktijk gebruikt men DXA of BIA. De resultaten van BIA correleren goed met die van MRI en
er zijn hiervoor referentiewaarden beschikbaar voor oudere personen.
3
, Geen goede methode is spiermassa berekenen via omtrek en huidplooi dikte vd bovenarm
(antropometrische methode), omdat verouderen gepaard gaat met veranderingen in samenstelling en
verlies van huidelasticiteit. Hierdoor zijn de resultaten dus verkeerd.
Initiële criteria voor diagnose van sarcopenie:
● Lage relatieve spiermassa (moet zeker aanwezig zijn)
● Lage spierfunctie
○ Kan lage spierkracht of verminderd functioneren zijn
Pre-sarcopeen = lage relatieve spiermassa
Sarcopeen = lage relatieve spiermassa en lage spierkracht OF verminderde functionaliteit
Ernstig sarcopeen = lage relatieve spiermassa, lage spierkracht EN verminderde functionaliteit
Aangepaste versie van de criteria:
Probabel sarcopeen: lage spierkracht
Confirmed sarcopeen: lage spierkracht + -massa
Severe sarcopeen: lage spierkracht + -massa + gedaald functioneren
Opmerking: de drempelwaarden voor de criteria variëren ifv de gebruikte meetmethode.
2. Bespreek de behandeling van sarcopenie.
Spiereiwitten worden continu omgebouwd → anabole stimuli o.a. fysieke activiteit en inname van
eiwitten en/of aminozuren stimuleren de aanmaak van spiereiwitten. Dit is mogelijks een behandeling
van sarcopenie. Bij ouderen is de respons op anabole stimuli wel kleiner dan bij jongeren = anabolic
resistance bij het ouder worden. De stimuli moeten dus nog meer en aan hogere intensiteit worden
toegediend.
o Fysieke activiteit
○ Weerstandstraining:
■ effectieve methode om spierkracht en functionaliteit te verbeteren bij ouderen
■ Een optimaal oefenschema: 3x per week 3 reeksen van 10 herhalingen met 70-
80% van de maximale weerstand
■ Op 8 weken tijd krachtstoename van 175%
■ Na stoppen vd oefentherapie blijft spierkracht verhoogd gedurende 12 weken en
neemt daarna af. Om dit te voorkomen is 1 sessie per week voldoende.
○ Vibratietraining: alternatief voor weerstandstraining waarbij de persoon op een platform
staat dat verticale vibraties genereert. Dit veroorzaakt spiercontractie.
o Vaak worden gecombineerde trainingsprogramma’s aangeboden met bv. progressieve
weerstandstraining + aerobe training of evenwichtstraining.
o Inname van eiwitten en/of aminozuren
○ Vormt een anabole stimulus die spieraanmaak bevordert
■ Oudere personen dienen meer eiwitten in te nemen dan de normale dagelijkse
behoefte van volwassenen (tenzij gedaalde nierfunctie)
■ Iedere maaltijd moet 25-30gr eiwit bevatten
■ Meer dierlijke eiwitten dan plantaardige (bevat meer wei-eiwit)
■ Bij fysieke inspanning 20gr extra eiwitten innemen
○ Vnl. gunstig effect op spiermassa, niet persee op functionaliteit
o Inname van eiwitsupplementen: Het potentiële voordeel is nog onduidelijk. Eiwitsupplementen
bij ouderen hebben vooral een gunstig effect op spiermassa. Een gunstig effect op spierkracht
kan gezien worden in combinatie met progressieve weerstandstraining.
o Vitamine D + calcium substitutie
○ Preventie en behandeling van sarcopenie
○ Preventie van osteoporotische breuken
○ Preventie van vallen
○ Effecten:
4
Frailty
1. Bespreek het concept frailty.
Frailty is een ouderdomsgebonden kwetsbaarheid met verminderde weerstand tegen stressoren.
• Oorzaak: afname vd reservecapaciteit van een oudere persoon door structurele en functionele
achteruitgang in verschillende orgaansystemen
• Gevolgen: toegenomen vatbaarheid voor functionele beperkingen en comorbiditeit
• Frailty treft het hele organisme, het is geen orgaanspecifiek probleem
Klinisch uit het zich via een typisch beeld van de geriatrische patient (het zogenaamde frailty-
syndroom).
• Kenmerken: samen voorkomen van functionele beperkingen en een waaier aan ziektebeelden
• Oorzaken: functieverlies en comorbiditeit
• Let op! Frailty en comorbiditeit zijn niet hetzelfde
o Frailty kan onafhankelijk van comorbiditeit voorkomen
o Comorbiditeit lijdt niet standaard tot frailty
o Ze komen wel vaak samen voor, en beïnvloeden elkaar (vicieuze cirkel)
De achteruitgang van de verschillende orgaansystemen is inherent aan het verouderen, maar niet alle
ouderen zijn ‘frail’. Er zijn namelijk individuele verschillen in de reservecapaciteit die overblijft
naarmate orgaanfuncties verder achteruitgaan. Bij weinig reservecapaciteit → hogere kwetsbaarheid
→ hogere weerslag → hogere morbiditeit en mortaliteit. De prevalentie van frailty neemt wel toe met
de leeftijd.
Frailty is een proces van achteruitgang in alle orgaansystemen
• Musculoskeletaal
o Voornaamste orgaan waar achteruitgang is
o Verlies van spiermassa en -functie (sarcopenie) → functionele beperkingen in ADL
(activities of daily living) en IADL (instrumental activities of daily living)
o Sarcopenie en frailty zijn niet hetzelfde. Frailty is breder dan sarcopenie.
• Niet-musculoskeletale component
o Frailty komt in het hele organisme voor, de achteruitgang en toegenome
kwetsbaarheid kan in alle organen voorkomen.
o Vb. hartfalen, nierfalen,…
2. Leg uit waarom heupfractuurpatiënten typisch kwetsbare ouderen zijn.
Ouderen met een heupfractuur hebben een definitief verhoogd mortaliteitsrisico. De prognose van de
patiënt normaliseert niet na een periode van 6-12 maanden. Zelfs na geslaagde heelkunde en
revalidatie blijft de prognose ongunstig en ligt de mortaliteit 3-4x hoger dan verwacht na 10-15j.
Kwetsbaarheid van oudere pt met een heupfractuur uit zich:
● Musculoskeletaal
→ Osteoporose en sarcopenie → meer vallen, breuken, …
● Niet-musculoskeletaal
→ Onderliggende comorbiditeiten → meer kans op hartfalen, infectiegevaar, …
→ Verklaart waarschijnlijk ook het blijvend verhoogd mortaliteitsrisico
3. Hoe wordt frailty operationeel gedefinieerd?
1
,Er bestaan 2 soorten operationele definities van ‘frailty’.
● de eerste definitie bekijkt vooral de musculoskeletale componenten van frailty
(vb. index van Fried)
● de tweede definitie gaat alle “tekortkomingen” vd pt bij elkaar optellen. Dit gebeurt adhv een
comprehensive geriatric assessment.
(vb. Index van Rockwood)
Fried
→ De meest gebruikte definitie voor frailty is die van Fried
→Deze bevat 5 componenten:
1. niet-intentioneel gewichtsverlies (minstens 4.5kg in het laatste jaar)
2. spierzwakte
3. verminderde wandelsnelheid
4. gedaald uithoudingsvermogen
5. verminderde lichamelijke activiteit
→ frailty = minstens 3/5 ; pre-fail / intermediate frail = 1 of 2 ; niet-frail = 0/5
→ sarcopenie weegt sterk door in deze benadering van frailty
Frailty-index van Rockwood.
#𝑣𝑎𝑠𝑡𝑔𝑒𝑠𝑡𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑡𝑒𝑘𝑜𝑟𝑡𝑘𝑜𝑚𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛
→ (Niet frail = 0-0,2, pre-frail = 0,2-0,35, frail > 0,35)
# 𝑝𝑜𝑡𝑒𝑛𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝑡𝑒𝑘𝑜𝑟𝑡𝑘𝑜𝑚𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛
→ beoordeling obv symptomen, klinische bevindingen, ziektebeelden, functionele beperkingen en
afwijkende biochemische/elektrocardiografische/radiografische bevindingen
→ comorbiditeiten wegen sterk door in deze benadering van frailty
Beide definities hebben een goede en vergelijkbare voorspellende waarde naar functionele
prognose, hospitalisatie, institutionalisatie en mortaliteit.
4. Waaruit bestaat de behandeling van frailty?
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 3 stadia van kwetsbaarheid:
● niet-frail
● pre-frail
● frail
→ vb. via de index van Fried of de index van Rockwood.
→ Het is een dynamisch proces. De evolutie gaat gewoonlijk naar meer kwetsbaarheid. Een
omgekeerde evolutie (frail → niet-frail) komt bij onbehandelde patiënten zelden voor.
Behandeling van frailty heeft in eerste plaats als doel om het proces te vertragen of toch zeker de
negatieve gevolgen van frailty te vermijden.
Behandeling van musculoskeletale frailty:
• Behandeling van sarcopenie
o Fysieke activiteit
○ Weerstandstraining:
■ effectieve methode om spierkracht en functionaliteit te verbeteren bij
ouderen
■ Een optimaal oefenschema: 3x per week 3 reeksen van 10 herhalingen
met 70-80% van de maximale weerstand
■ Op 8 weken tijd krachtstoename van 175%
■ Na stoppen vd oefentherapie blijft spierkracht verhoogd gedurende 12
weken en neemt daarna af. Om dit te voorkomen is 1 sessie per week
voldoende.
○ Vibratietraining: alternatief voor weerstandstraining waarbij de persoon op een
platform staat dat verticale vibraties genereert. Dit veroorzaakt spiercontractie.
o Inname van eiwitten en/of aminozuren
○ Vormt een anabole stimulus die spieraanmaak bevordert
2
, ■ Oudere personen dienen meer eiwitten in te nemen dan de normale
dagelijkse behoefte van volwassenen (tenzij gedaalde nierfunctie)
■ Iedere maaltijd moet 25-30gr eiwit bevatten
■ Meer dierlijke eiwitten dan plantaardige (bevat meer wei-eiwit)
■ Bij fysieke inspanning 20gr extra eiwitten innemen
○ Vnl. gunstig effect op spiermassa, niet persee op functionaliteit
o Vitamine D + calcium substitutie
○ Rol in preventie en behandeling van sarcopenie en preventie van vallen
○ Minder botafbraak
• Indien bewezen osteoporose ook behandelen met medicatie
o Bisfosfonaten/denosumab/…
o Beschermt tegen fractuurrecidieven + daling sterfterisico
• Valpreventie
o Indicatie voor screening:
○ recidiverend vallen tijdens de laatste 12 maanden
○ timed up and go test > 14 sec
○ onevenwichtig gangpatroon
o Valpreventieve maatregelen moeten multifactorieel werken
Behandeling van de niet-musculoskeletale frailty:
o Globale medische benadering van alle kwetsbaarheden van de pt.
o In kaart brengen met comprehensive geraitric assessment, en deze zaken dan
behandelen
○ vb. heupfractuur: heelkunde, revalidatie, goede nazorg
Sarcopenie
1. Bespreek het concept sarcopenie en de operationele definitie van sarcopenie
Sarcopenie = leeftijdsgebonden verlies van spiermassa, spierkracht en functionaliteit
→ Gevolg: verstoring van de mobiliteit en groter risico op vallen, breuken, functionele beperkingen en
zelfs sterfte.
Spiermassa
Vanaf 20 tot 60 jaar: daling met 40% (+/- 1% per jaar)
Vanaf 60 jaar: snellere daling van spiermassa
→ Meer uitgesproken bij mannen, maar relatieve afname is vergelijkbaar (mannen hebben initieel
grotere spiermassa).
→ Verlies van spiermassa gebeurt vooral in de onderste ledematen.
Spierkracht
50 jaar: 1,5% verlies per jaar
Vanaf 60 jaar: 3% per jaar
→ Relatief verlies van spierkracht tussen mannen en vrouwen is vergelijkbaar, maar absoluut
verliezen mannen meer spierkracht dan vrouwen (grotere initiële spierkracht).
→Verlies van spierkracht (niet massa) is belangrijkste determinant van negatieve gezondheidsuitkomsten.
Operationele definitie van sarcopenie:
In onderzoek en in de klinische praktijk is er nood aan criteria om sarcopene van niet-sarcopene
patiënten te kunnen onderscheiden.
Definitie sarcopenie: relatieve spiermassa die ≥ 2 standaarddeviaties onder het gemiddelde ligt van de
gezonde jongvolwassen populatie van hetzelfde geslacht.
Diagnose sarcopenie: perifere spiermassa kan zeer nauwkeurig gemeten worden via een CT-scan of
MRI (owv de hoge kostprijs worden CT en MRI enkel gebruikt in wetenschappelijk onderzoek). In de
klinische praktijk gebruikt men DXA of BIA. De resultaten van BIA correleren goed met die van MRI en
er zijn hiervoor referentiewaarden beschikbaar voor oudere personen.
3
, Geen goede methode is spiermassa berekenen via omtrek en huidplooi dikte vd bovenarm
(antropometrische methode), omdat verouderen gepaard gaat met veranderingen in samenstelling en
verlies van huidelasticiteit. Hierdoor zijn de resultaten dus verkeerd.
Initiële criteria voor diagnose van sarcopenie:
● Lage relatieve spiermassa (moet zeker aanwezig zijn)
● Lage spierfunctie
○ Kan lage spierkracht of verminderd functioneren zijn
Pre-sarcopeen = lage relatieve spiermassa
Sarcopeen = lage relatieve spiermassa en lage spierkracht OF verminderde functionaliteit
Ernstig sarcopeen = lage relatieve spiermassa, lage spierkracht EN verminderde functionaliteit
Aangepaste versie van de criteria:
Probabel sarcopeen: lage spierkracht
Confirmed sarcopeen: lage spierkracht + -massa
Severe sarcopeen: lage spierkracht + -massa + gedaald functioneren
Opmerking: de drempelwaarden voor de criteria variëren ifv de gebruikte meetmethode.
2. Bespreek de behandeling van sarcopenie.
Spiereiwitten worden continu omgebouwd → anabole stimuli o.a. fysieke activiteit en inname van
eiwitten en/of aminozuren stimuleren de aanmaak van spiereiwitten. Dit is mogelijks een behandeling
van sarcopenie. Bij ouderen is de respons op anabole stimuli wel kleiner dan bij jongeren = anabolic
resistance bij het ouder worden. De stimuli moeten dus nog meer en aan hogere intensiteit worden
toegediend.
o Fysieke activiteit
○ Weerstandstraining:
■ effectieve methode om spierkracht en functionaliteit te verbeteren bij ouderen
■ Een optimaal oefenschema: 3x per week 3 reeksen van 10 herhalingen met 70-
80% van de maximale weerstand
■ Op 8 weken tijd krachtstoename van 175%
■ Na stoppen vd oefentherapie blijft spierkracht verhoogd gedurende 12 weken en
neemt daarna af. Om dit te voorkomen is 1 sessie per week voldoende.
○ Vibratietraining: alternatief voor weerstandstraining waarbij de persoon op een platform
staat dat verticale vibraties genereert. Dit veroorzaakt spiercontractie.
o Vaak worden gecombineerde trainingsprogramma’s aangeboden met bv. progressieve
weerstandstraining + aerobe training of evenwichtstraining.
o Inname van eiwitten en/of aminozuren
○ Vormt een anabole stimulus die spieraanmaak bevordert
■ Oudere personen dienen meer eiwitten in te nemen dan de normale dagelijkse
behoefte van volwassenen (tenzij gedaalde nierfunctie)
■ Iedere maaltijd moet 25-30gr eiwit bevatten
■ Meer dierlijke eiwitten dan plantaardige (bevat meer wei-eiwit)
■ Bij fysieke inspanning 20gr extra eiwitten innemen
○ Vnl. gunstig effect op spiermassa, niet persee op functionaliteit
o Inname van eiwitsupplementen: Het potentiële voordeel is nog onduidelijk. Eiwitsupplementen
bij ouderen hebben vooral een gunstig effect op spiermassa. Een gunstig effect op spierkracht
kan gezien worden in combinatie met progressieve weerstandstraining.
o Vitamine D + calcium substitutie
○ Preventie en behandeling van sarcopenie
○ Preventie van osteoporotische breuken
○ Preventie van vallen
○ Effecten:
4