H11 Media en communicatie
1. Soorten communicatie
Communicatiewetenschap: Onderzoek naar de menselijke
communicatie
o Jonge wetenschappelijke discipline → ontstond pas in Europa in
de jaren 50’ van de 20ste eeuw
o Verschillende soorten communicatie (op basis doelgroep):
Interpersoonlijke: 1 zender ↔ 1 ontvanger
Massa:
Voor wijdverspreide gebruik internet: 1 zender →
veel ontvangers
Sinds begin 21ste eeuw: (sociale media!): 1 zender ↔
veel ontvangers
Focus massacommunicatie dit hoofdstuk!
o Onderscheid op basis van gekozen medium:
Verbale: mondeling, met woorden
Non-verbale: niet-mondeling, zonder woorden
Subverbale: ondersteunt wat je zegt → stemkleur,
intonatie
2. Communicatiemodellen
1e model van Harold Lasswel (1948)
o “WHO says WHAT to WHOM through what CHANNEL with WHAT
EFFECT”
o (Wie zegt wat aan wie via welk kanaal met welk effect)
o = lineair communicatiemodel
Lasswel: grondlegger communicatiewetenschappen
Eerste, duidelijke model voor massacommunicatie, basis voor
latere modellen
Tekortkomingen:
Waar komt nieuws vandaan?(lokaal, nationaal, internationaal)
Wanneer? Wat is tijdstip communicatie
Waarom? Wat zijn doelen communicatie?
Kritieken:
o Model gaat er van uit dat zender steeds intentie heeft ontvanger
te beïnvloeden → is communicatie steeds persuasief proces?
(Communicatie kan ook onbewust of incidenteel zijn)
o Het model veronderstelt dat er altijd effecten zijn.
o Lasswel had geen oog voor feedback (visie uit die tijd)
, 2e model van Shannon en Weaver (1949)
Vertrokken uit model van Lasswel, en vulden dit aan
Lineair eenrichtingsproces
5 functies en 1 disfunctionele functie
1. De informatiebron, die boodschap creëert (zender)
2. Boodschap wordt omgezet in signalen door zender (coderen)
3. Kanaal zorgt voor overdracht
De signalen van zender moeten aangepast zijn aan het kanaal
(dat zender en ontvanger met elkaar verbindt)
4. De ontvanger interpreteert en reconstrueert boodschap op basis
van signalen (decoderen)
5. De boodschap bereikt bestemming (ontvanger)
1. Dysfunctie: Het signaal is kwetsbaar: ruis
Zender en ontvanger moeten een (deels) gemeenschappelijke code
hebben (Bv. Taal)
Communicatie verloopt in bepaalde context (socioculturele factoren:
bv. Leeftijd, woonplaats, educatie, …)
Soorten ruis:
Fysiek: storende signalen van buitenaf
Fysiologische: lichamelijke beperkingen bij zender of ontvanger
Psychologische: vooroordelen en stereotiepe opvattingen
Semantisch: verschillende codes bv. Analfabeet vs brief,
moeilijk vakjargon.
3. Nieuwe communicatiemodellen
‘Klassieke’ communicatiemodellen zijn onvolledig e achterhaald voor
de hedendaagse samenleving
Communicatie verloopt complexer
Meerdere zenders en ontvangers kunnen media tegelijk
gebruiken, en creëren samen een boodschap.
1. Soorten communicatie
Communicatiewetenschap: Onderzoek naar de menselijke
communicatie
o Jonge wetenschappelijke discipline → ontstond pas in Europa in
de jaren 50’ van de 20ste eeuw
o Verschillende soorten communicatie (op basis doelgroep):
Interpersoonlijke: 1 zender ↔ 1 ontvanger
Massa:
Voor wijdverspreide gebruik internet: 1 zender →
veel ontvangers
Sinds begin 21ste eeuw: (sociale media!): 1 zender ↔
veel ontvangers
Focus massacommunicatie dit hoofdstuk!
o Onderscheid op basis van gekozen medium:
Verbale: mondeling, met woorden
Non-verbale: niet-mondeling, zonder woorden
Subverbale: ondersteunt wat je zegt → stemkleur,
intonatie
2. Communicatiemodellen
1e model van Harold Lasswel (1948)
o “WHO says WHAT to WHOM through what CHANNEL with WHAT
EFFECT”
o (Wie zegt wat aan wie via welk kanaal met welk effect)
o = lineair communicatiemodel
Lasswel: grondlegger communicatiewetenschappen
Eerste, duidelijke model voor massacommunicatie, basis voor
latere modellen
Tekortkomingen:
Waar komt nieuws vandaan?(lokaal, nationaal, internationaal)
Wanneer? Wat is tijdstip communicatie
Waarom? Wat zijn doelen communicatie?
Kritieken:
o Model gaat er van uit dat zender steeds intentie heeft ontvanger
te beïnvloeden → is communicatie steeds persuasief proces?
(Communicatie kan ook onbewust of incidenteel zijn)
o Het model veronderstelt dat er altijd effecten zijn.
o Lasswel had geen oog voor feedback (visie uit die tijd)
, 2e model van Shannon en Weaver (1949)
Vertrokken uit model van Lasswel, en vulden dit aan
Lineair eenrichtingsproces
5 functies en 1 disfunctionele functie
1. De informatiebron, die boodschap creëert (zender)
2. Boodschap wordt omgezet in signalen door zender (coderen)
3. Kanaal zorgt voor overdracht
De signalen van zender moeten aangepast zijn aan het kanaal
(dat zender en ontvanger met elkaar verbindt)
4. De ontvanger interpreteert en reconstrueert boodschap op basis
van signalen (decoderen)
5. De boodschap bereikt bestemming (ontvanger)
1. Dysfunctie: Het signaal is kwetsbaar: ruis
Zender en ontvanger moeten een (deels) gemeenschappelijke code
hebben (Bv. Taal)
Communicatie verloopt in bepaalde context (socioculturele factoren:
bv. Leeftijd, woonplaats, educatie, …)
Soorten ruis:
Fysiek: storende signalen van buitenaf
Fysiologische: lichamelijke beperkingen bij zender of ontvanger
Psychologische: vooroordelen en stereotiepe opvattingen
Semantisch: verschillende codes bv. Analfabeet vs brief,
moeilijk vakjargon.
3. Nieuwe communicatiemodellen
‘Klassieke’ communicatiemodellen zijn onvolledig e achterhaald voor
de hedendaagse samenleving
Communicatie verloopt complexer
Meerdere zenders en ontvangers kunnen media tegelijk
gebruiken, en creëren samen een boodschap.