Geert Vandermeersche
1
Deze samenvatting is gebaseerd op de slides en eigen notities uit de les. De inhoud is aangepast aan wat te kennen is voor
het examen voor het academiejaar ’24-’25. Sommige pagina’s bevatten examenvragen in de voetnoten.
, LES 1: DE RETORISCHE BRIL
Brillen
1. ‘This is Water’ (David Foster Wallace): de meest vanzelfsprekende realiteiten zijn vaak
de moeilijkste om te zien. Wallace stelt dat het echte werk van volwassenheid niet gaat
over kennis of intelligentie, maar over het vermogen om bewust te kiezen hoe je denkt,
in plaats van automatisch en egoïstisch te leven. De titel van zijn boek verwijst naar een
parabel waarmee hij begint: twee jonge vissen zwemmen en worden begroet door een
oudere vis die zegt: “Goedemorgen jongens, hoe is het water?”. De jonge vissen
zwemmen verder en zeggen “Wat is water??”. Deze metafoor symboliseert hoe de meest
fundamentele realiteiten van het leven vaak onzichtbaar zijn voor ons – tenzij we leren
er bewust naar te kijken. We kunnen kiezen om niet gevangen te raken in onze eigen
automatische, zelfgerichte gedachten, en in plaats daarvan betekenis vinden in de
kleinste aspecten van het leven.
2. Mensen kijken elk vanuit hun eigen bril naar de wereld. In haar boek ‘On Looking’,
gaat Alexandra Horowitz met verschillende mensen dezelfde wandeling maken. Elk
van deze wandelingen krijgt een andere ingeving doordat deze mensen voor andere
dingen aandacht hebben. Bijvoorbeeld een geluidsspecialist die let op de veranderende
akoestiek wanneer ze onder een stelling lopen of een geoloog die oog heeft voor de
fossielen in de muren van gebouwen. Zo ontdekt Horowitz tijdens elke wandeling wel
iets anders. Dit kan ook gezien worden als déformation profesionnelle: de neiging
om te kijken vanuit het perspectief van iemands functie en hierdoor misschien dingen
missen.
3. Kaart van San Fransisco: Op je kaart is het vijf straten van het hotel naar het museum.
Je denkt “Oh, te voet is dit wel op enkele minuten te doen…”, maar je vergeet dat San
Fransisco enorm steile hellingen kent en je er in de realiteit dus veel langer over zal
moeten doen. Deze kaart is dus blijkbaar niet ontworpen voor mensen die al
wandelend de stad willen verkennen, en gaat er ook vanuit dat het een bekend feit is
dat de straten steil zijn. We moeten begrijpen hoe vorm en inhoud samen werken in
een boodschap, zoals een stadkaart.
Stuart Hall: “It is by our use of things, and what we say, think and feel about them –
how we represent them – that we give them a meaning… In part, we give things
meaning by how we represent them – the words we use about them, the stories we tell
about them, the images of them we produce, the emotions we associate with them, the
ways we classify and conceptualize them, the values we place on them”.
Taal is dus een perspectief. Onze taal bepaalt dan ook hoe we kijken naar de wereld, wat we
kunnen benoemen en wat niet; in welke richting stuurt taal onze aandacht? Bijvoorbeeld hoe
richten woorden als ‘migratiecrisis’ of ‘leerwinst’ op bepaalde elementen en niet op andere?
Zo kunnen we gaan letten op:
- Welke impact taal heeft in onze praktijken en communicatie?
- Hoe worden we overtuigd en hoe werken vorm en inhoud samen om dit te bereiken?
, - Wat zijn onze blinde blekken (=onze vanzelfsprekende realiteit)? Zowel bij anderen
als bij onszelf. à zelfreflectie op onze eigen manier van zien, eigen taal maar ook
andere perspectieven begrijpen en onze blik bijstellen.
DEEL 1: RETORIEK & VERHAAL: VOORBIJ NEGATIEVE
DEFINITIES
Retoriek: wordt vaak als iets negatief gezien: “Jij bent retorisch, ik ben oprecht”. Deze
negatieve kijk op retoriek gaat ervan uit dat de ander drogredeneringen gebruikt en vol
vooroordeel zit, maar “ikzelf ben rationeel, helder en objectief” = self-affirmation theory:
mensen beschermen hun zelfconcept dat ze goede, morele mensen zijn.
Stigma rond retoriek: komt voor uit de tegenstelling tussen Plato en Socrates vs. de sofisten.
Sofisten waren rondreizende leraren die onderweg mensen leerden hoe ze aan retoriek
moesten toen (hoe ze tot een publiek moesten spreken) tegen betaling. Volgens Plato gebeurde
dit aan de hand van allerlei taaltrucjes om te manipuleren of louter te overtuigen wat inging
tegen zijn zoektocht naar ware kennis. Er schuilt een gevaar van demagogie in democratie.
Demagogie: mensen die bezig zijn anderen voor hun kar te spannen zonder daarbij oog te
hebben voor de waarheid.
Aristoteles
Schrijft een handboek over retoriek met o.a. verschillende soorten overtuigingen en
drogredeneringen. Hij ziet retoriek als de techniek om goed te debatteren en te overtuigen.
Dan is er ook nog de civiele invulling van retoriek: een goeie burger zijn door retoriek te
leren (hoe te overtuigen).
Welke retoriek?
• Zowel het ‘doen’ van retoriek (bv. Spreken) als de studie ervan
• Retoriek is zowel taal met negatieve effecten (Hitler) als verheffende taal (Obama)
• Verschil tussen de ‘gevaarlijke demagoog’ en de goeie burger
• Retoriek is zowel gesproken en geschreven taal, als beelden en symbolen!
Wayne: 4 betekenissen van retoriek2:
1. Sub-rhetoric: taal die bezig is met eigen winst, manipulatie. Leugenachtig, ‘vuile
taal’). “To use rhetoric for private, ani-social ends, to break rather than build
connections”.
2. Mere rhetoric: verkopen van een bepaald standpunt/product. “The whole art of
sincere selling of any cause”.
3. Rhetoric-B: zoeken of bedenken van de best mogelijke middelen tot overtuiging
(consrtuctie van een discours, kritische studie).
2
Examenvraag: welke 4 betekenissen onderscheidt Wayne?
1
Deze samenvatting is gebaseerd op de slides en eigen notities uit de les. De inhoud is aangepast aan wat te kennen is voor
het examen voor het academiejaar ’24-’25. Sommige pagina’s bevatten examenvragen in de voetnoten.
, LES 1: DE RETORISCHE BRIL
Brillen
1. ‘This is Water’ (David Foster Wallace): de meest vanzelfsprekende realiteiten zijn vaak
de moeilijkste om te zien. Wallace stelt dat het echte werk van volwassenheid niet gaat
over kennis of intelligentie, maar over het vermogen om bewust te kiezen hoe je denkt,
in plaats van automatisch en egoïstisch te leven. De titel van zijn boek verwijst naar een
parabel waarmee hij begint: twee jonge vissen zwemmen en worden begroet door een
oudere vis die zegt: “Goedemorgen jongens, hoe is het water?”. De jonge vissen
zwemmen verder en zeggen “Wat is water??”. Deze metafoor symboliseert hoe de meest
fundamentele realiteiten van het leven vaak onzichtbaar zijn voor ons – tenzij we leren
er bewust naar te kijken. We kunnen kiezen om niet gevangen te raken in onze eigen
automatische, zelfgerichte gedachten, en in plaats daarvan betekenis vinden in de
kleinste aspecten van het leven.
2. Mensen kijken elk vanuit hun eigen bril naar de wereld. In haar boek ‘On Looking’,
gaat Alexandra Horowitz met verschillende mensen dezelfde wandeling maken. Elk
van deze wandelingen krijgt een andere ingeving doordat deze mensen voor andere
dingen aandacht hebben. Bijvoorbeeld een geluidsspecialist die let op de veranderende
akoestiek wanneer ze onder een stelling lopen of een geoloog die oog heeft voor de
fossielen in de muren van gebouwen. Zo ontdekt Horowitz tijdens elke wandeling wel
iets anders. Dit kan ook gezien worden als déformation profesionnelle: de neiging
om te kijken vanuit het perspectief van iemands functie en hierdoor misschien dingen
missen.
3. Kaart van San Fransisco: Op je kaart is het vijf straten van het hotel naar het museum.
Je denkt “Oh, te voet is dit wel op enkele minuten te doen…”, maar je vergeet dat San
Fransisco enorm steile hellingen kent en je er in de realiteit dus veel langer over zal
moeten doen. Deze kaart is dus blijkbaar niet ontworpen voor mensen die al
wandelend de stad willen verkennen, en gaat er ook vanuit dat het een bekend feit is
dat de straten steil zijn. We moeten begrijpen hoe vorm en inhoud samen werken in
een boodschap, zoals een stadkaart.
Stuart Hall: “It is by our use of things, and what we say, think and feel about them –
how we represent them – that we give them a meaning… In part, we give things
meaning by how we represent them – the words we use about them, the stories we tell
about them, the images of them we produce, the emotions we associate with them, the
ways we classify and conceptualize them, the values we place on them”.
Taal is dus een perspectief. Onze taal bepaalt dan ook hoe we kijken naar de wereld, wat we
kunnen benoemen en wat niet; in welke richting stuurt taal onze aandacht? Bijvoorbeeld hoe
richten woorden als ‘migratiecrisis’ of ‘leerwinst’ op bepaalde elementen en niet op andere?
Zo kunnen we gaan letten op:
- Welke impact taal heeft in onze praktijken en communicatie?
- Hoe worden we overtuigd en hoe werken vorm en inhoud samen om dit te bereiken?
, - Wat zijn onze blinde blekken (=onze vanzelfsprekende realiteit)? Zowel bij anderen
als bij onszelf. à zelfreflectie op onze eigen manier van zien, eigen taal maar ook
andere perspectieven begrijpen en onze blik bijstellen.
DEEL 1: RETORIEK & VERHAAL: VOORBIJ NEGATIEVE
DEFINITIES
Retoriek: wordt vaak als iets negatief gezien: “Jij bent retorisch, ik ben oprecht”. Deze
negatieve kijk op retoriek gaat ervan uit dat de ander drogredeneringen gebruikt en vol
vooroordeel zit, maar “ikzelf ben rationeel, helder en objectief” = self-affirmation theory:
mensen beschermen hun zelfconcept dat ze goede, morele mensen zijn.
Stigma rond retoriek: komt voor uit de tegenstelling tussen Plato en Socrates vs. de sofisten.
Sofisten waren rondreizende leraren die onderweg mensen leerden hoe ze aan retoriek
moesten toen (hoe ze tot een publiek moesten spreken) tegen betaling. Volgens Plato gebeurde
dit aan de hand van allerlei taaltrucjes om te manipuleren of louter te overtuigen wat inging
tegen zijn zoektocht naar ware kennis. Er schuilt een gevaar van demagogie in democratie.
Demagogie: mensen die bezig zijn anderen voor hun kar te spannen zonder daarbij oog te
hebben voor de waarheid.
Aristoteles
Schrijft een handboek over retoriek met o.a. verschillende soorten overtuigingen en
drogredeneringen. Hij ziet retoriek als de techniek om goed te debatteren en te overtuigen.
Dan is er ook nog de civiele invulling van retoriek: een goeie burger zijn door retoriek te
leren (hoe te overtuigen).
Welke retoriek?
• Zowel het ‘doen’ van retoriek (bv. Spreken) als de studie ervan
• Retoriek is zowel taal met negatieve effecten (Hitler) als verheffende taal (Obama)
• Verschil tussen de ‘gevaarlijke demagoog’ en de goeie burger
• Retoriek is zowel gesproken en geschreven taal, als beelden en symbolen!
Wayne: 4 betekenissen van retoriek2:
1. Sub-rhetoric: taal die bezig is met eigen winst, manipulatie. Leugenachtig, ‘vuile
taal’). “To use rhetoric for private, ani-social ends, to break rather than build
connections”.
2. Mere rhetoric: verkopen van een bepaald standpunt/product. “The whole art of
sincere selling of any cause”.
3. Rhetoric-B: zoeken of bedenken van de best mogelijke middelen tot overtuiging
(consrtuctie van een discours, kritische studie).
2
Examenvraag: welke 4 betekenissen onderscheidt Wayne?