Werkgroep opdrachten beginselen
strafrecht
Naam Rachel Plinsinga
Studentennr. 2803875
Vak Herkansing Beginselen Strafrecht
Studiejaar 2024
1
,Inhoudsopgave
Week 1 – uitganspunten van het straf(proces)recht.........................................3
Week 2 – opzet en schuld................................................................................8
Week 3 – uitbreiding van strafbaarheid: deelneming......................................14
Week 4 – inperking van strafbaarheid: strafuitsluitingsgronden.....................19
Week 5 – voorbereidend onderzoek...............................................................26
Week 6 – beslissen en motiveren...................................................................40
Week 7 – sancties en rechtsmiddelen............................................................45
2
,Week 1 – uitganspunten van het
straf(proces)recht
Vraag 1. De opbouw van een strafbaar feit.
a. Wat zijn de bestanddelen en elementen van de delictsomschrijving?
Bestanddelen zijn hetgeen die specifiek genoemd worden in de
delictsomschrijving, denk hierbij aan “schuld” of “opzet”. Een
bestanddeel is ook wel een ‘wettelijke delictsomschrijving’.
Wederrechtelijk en verwijtbaar is in beginsel een element, tenzij de
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid specifiek benoemd worden in de
delictsomschrijving dan is het namelijk een bestanddeel. De
wederrechtelijkheid kan worden weggenomen door
rechtvaardigingsgronden. De verwijtbaarheid kan worden
weggenomen door schulduitsluitingsgronden. Die twee samen, de
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid vormen samen de
strafuitsluitingsgronden. Elementen zijn voorwaarden die niet in de
delictsomschrijving zijn opgenomen, ze horen standaard bij het artikel.
b. Wat zijn de subjectieve bestanddelen en wat zijn de objectieve
bestanddelen van de delictsomschrijving?
Bij subjectieve bestanddelen gaat het om “schuld” en “opzettelijk”. Het
gaat hier om de intentie van de dader, over wat er afspeelt in iemand
zijn/haar hoofd. Hoe heeft diegene gehandeld? Het gaat om de ‘wil van de
verdachte’, dus hiervoor moeten we in het hoofd kunnen kijken.
Bij objectieve bestanddelen gaat het om “een ander van het leven
beroven” of “de dood van een ander te wijten”. Het omschrijven van wat
er feitelijk is gebeurd, uiterlijk waarneembaar. Dit kunnen we feitelijk
waarnemen, niet zoals subjectief dus.
c. Betreft het delict een misdrijf of een overtreding?
Misdrijven staan in Boek II van het Wetboek van Strafrecht, denk hierbij
aan artikel 287 Sr.
Overtredingen staan in Boek III van het Wetboek van Strafrecht, denk
hierbij aan artikel 431 Sr.
d. Betreft het delict een formeel of materieel delict?
Een materieel delict geeft een beschrijving van de strafbare gevolgen,
denk aan artikel 287 Sr. (doodslag). Ook wel ‘krenkingsdelicten’. Er moet
daadwerkelijk een inbreuk worden gedaan op iemand zijn leven.
Een formeel delict geeft een beschrijving van gedragingen die strafbaar
zijn, denk aan artikel 310 Sr. (diefstal).
e. Betreft het delict een commissie- of omissiedelict?
Bij een commissiedelict kunnen we denken aan ‘doodslag’, namelijk iets
doen wat strafbaar is. De daad die verricht wordt die strafbaar is. Delict
bestaat uit doen en handelen (stelen, vermoorden, vervalsen). Het plegen
van iets.
3
, Omissiedelict is een nalatigheid, dus een niet-handelen. Bijvoorbeeld
iemand niet helpen na een ongeluk (art. 450 Sr.). Delict gepleegd door
het niet-handelen.
f. Is het delict gekwalificeerd, geprivilegieerd of geen van beide?
Bij een gekwalificeerd delict is de strafmaat erger dan bij een
geprivilegieerd delict. Bij een gekwalificeerd delict kun je denken aan art.
228a Sr (doodslag met terroristisch oogmerk). Bij een geprivilegieerd
delict kun je denken aan art. 290 Sr (kinderdoodslag). Het gronddelict is
bij beide in dit geval art. 287 Sr (doodslag).
g. Wat is de kwalificatieaanduiding?
De juridische kwalificatie is: “wordt, als schuldig voor doodslag…”
h. Wat is de strafbedreiging?
Dat is de zin: “gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren
of een geldboete van de vijfde categorie.” In een delictsomschrijving is dit
dan ook de maximale straf die de rechter kan opleggen.
i. Welke bestanddelen uit de delictsomschrijving dienen in de
tenlastelegging te worden opgenomen?
Of wel bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Dus het
bewijs dient in de tenlastelegging te worden opgenomen.
Vraag 2. Op 13 juli 2024 is Lisa met haar collega’s in Roxy’s karaokebar
in Nijmegen. Als Lisa de eerste noten van het lied ‘Bloed, zweet en
tranen’ hoort, springt zij het podium op en grijpt zij de microfoon. De
andere bezoekers van de karaokebar zijn hier niet over te spreken. Er
staat namelijk een lange rij met mensen te wachten om op het podium te
mogen zingen. Beveiliger Jasper komt op Lisa afgelopen en probeert haar
van het podium te verwijderen, maar daar is Lisa niet van gediend. Met
het bierflesje dat zij in haar hand heeft, slaat zij Jasper eenmalig hard op
zijn hoofd, waardoor Jasper zwaar lichamelijk letsel oploopt. Niet veel
later wordt Lisa opgepakt en vervolgd voor zware mishandeling (artikel
302 lid 1 Sr). De tenlastelegging luidt als volgt: “Dat Lisa op 8 mei 2024
te Nijmegen Jasper opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,
door die Jasper met een bierflesje op zijn hoofd te slaan.” Tot welke
einduitspraak komt de rechter op grond van artikel 350 t/m 352 Sv?
Om tot een uiteindelijk conclusie te komen, moeten we onszelf een aantal
vragen stellen aan de hand van artikel 350 Sv.:
1) Is het ten laste gelegde feit bewezen?
Ja, Lisa heeft Jasper namelijk ‘opzettelijk’ zwaar lichamelijk letsel
toegebracht dood Jasper met een bierflesje op zijn hoofd te slaan. Dit
gebeurde aan de hand van dat Lisa door Jasper verwijderd moest worden
van het podium, maar Lisa hier niet van gediend was en toen Jasper sloeg
met een bierflesje. Echter, kunnen we ook stellen dat er een fout in de
tenlastelegging is gemaakt. De datum is namelijk niet kloppend, want in
de tenlastelegging wordt de datum 8 mei 2024 benoemd terwijl Lisa daar
4
strafrecht
Naam Rachel Plinsinga
Studentennr. 2803875
Vak Herkansing Beginselen Strafrecht
Studiejaar 2024
1
,Inhoudsopgave
Week 1 – uitganspunten van het straf(proces)recht.........................................3
Week 2 – opzet en schuld................................................................................8
Week 3 – uitbreiding van strafbaarheid: deelneming......................................14
Week 4 – inperking van strafbaarheid: strafuitsluitingsgronden.....................19
Week 5 – voorbereidend onderzoek...............................................................26
Week 6 – beslissen en motiveren...................................................................40
Week 7 – sancties en rechtsmiddelen............................................................45
2
,Week 1 – uitganspunten van het
straf(proces)recht
Vraag 1. De opbouw van een strafbaar feit.
a. Wat zijn de bestanddelen en elementen van de delictsomschrijving?
Bestanddelen zijn hetgeen die specifiek genoemd worden in de
delictsomschrijving, denk hierbij aan “schuld” of “opzet”. Een
bestanddeel is ook wel een ‘wettelijke delictsomschrijving’.
Wederrechtelijk en verwijtbaar is in beginsel een element, tenzij de
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid specifiek benoemd worden in de
delictsomschrijving dan is het namelijk een bestanddeel. De
wederrechtelijkheid kan worden weggenomen door
rechtvaardigingsgronden. De verwijtbaarheid kan worden
weggenomen door schulduitsluitingsgronden. Die twee samen, de
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid vormen samen de
strafuitsluitingsgronden. Elementen zijn voorwaarden die niet in de
delictsomschrijving zijn opgenomen, ze horen standaard bij het artikel.
b. Wat zijn de subjectieve bestanddelen en wat zijn de objectieve
bestanddelen van de delictsomschrijving?
Bij subjectieve bestanddelen gaat het om “schuld” en “opzettelijk”. Het
gaat hier om de intentie van de dader, over wat er afspeelt in iemand
zijn/haar hoofd. Hoe heeft diegene gehandeld? Het gaat om de ‘wil van de
verdachte’, dus hiervoor moeten we in het hoofd kunnen kijken.
Bij objectieve bestanddelen gaat het om “een ander van het leven
beroven” of “de dood van een ander te wijten”. Het omschrijven van wat
er feitelijk is gebeurd, uiterlijk waarneembaar. Dit kunnen we feitelijk
waarnemen, niet zoals subjectief dus.
c. Betreft het delict een misdrijf of een overtreding?
Misdrijven staan in Boek II van het Wetboek van Strafrecht, denk hierbij
aan artikel 287 Sr.
Overtredingen staan in Boek III van het Wetboek van Strafrecht, denk
hierbij aan artikel 431 Sr.
d. Betreft het delict een formeel of materieel delict?
Een materieel delict geeft een beschrijving van de strafbare gevolgen,
denk aan artikel 287 Sr. (doodslag). Ook wel ‘krenkingsdelicten’. Er moet
daadwerkelijk een inbreuk worden gedaan op iemand zijn leven.
Een formeel delict geeft een beschrijving van gedragingen die strafbaar
zijn, denk aan artikel 310 Sr. (diefstal).
e. Betreft het delict een commissie- of omissiedelict?
Bij een commissiedelict kunnen we denken aan ‘doodslag’, namelijk iets
doen wat strafbaar is. De daad die verricht wordt die strafbaar is. Delict
bestaat uit doen en handelen (stelen, vermoorden, vervalsen). Het plegen
van iets.
3
, Omissiedelict is een nalatigheid, dus een niet-handelen. Bijvoorbeeld
iemand niet helpen na een ongeluk (art. 450 Sr.). Delict gepleegd door
het niet-handelen.
f. Is het delict gekwalificeerd, geprivilegieerd of geen van beide?
Bij een gekwalificeerd delict is de strafmaat erger dan bij een
geprivilegieerd delict. Bij een gekwalificeerd delict kun je denken aan art.
228a Sr (doodslag met terroristisch oogmerk). Bij een geprivilegieerd
delict kun je denken aan art. 290 Sr (kinderdoodslag). Het gronddelict is
bij beide in dit geval art. 287 Sr (doodslag).
g. Wat is de kwalificatieaanduiding?
De juridische kwalificatie is: “wordt, als schuldig voor doodslag…”
h. Wat is de strafbedreiging?
Dat is de zin: “gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren
of een geldboete van de vijfde categorie.” In een delictsomschrijving is dit
dan ook de maximale straf die de rechter kan opleggen.
i. Welke bestanddelen uit de delictsomschrijving dienen in de
tenlastelegging te worden opgenomen?
Of wel bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Dus het
bewijs dient in de tenlastelegging te worden opgenomen.
Vraag 2. Op 13 juli 2024 is Lisa met haar collega’s in Roxy’s karaokebar
in Nijmegen. Als Lisa de eerste noten van het lied ‘Bloed, zweet en
tranen’ hoort, springt zij het podium op en grijpt zij de microfoon. De
andere bezoekers van de karaokebar zijn hier niet over te spreken. Er
staat namelijk een lange rij met mensen te wachten om op het podium te
mogen zingen. Beveiliger Jasper komt op Lisa afgelopen en probeert haar
van het podium te verwijderen, maar daar is Lisa niet van gediend. Met
het bierflesje dat zij in haar hand heeft, slaat zij Jasper eenmalig hard op
zijn hoofd, waardoor Jasper zwaar lichamelijk letsel oploopt. Niet veel
later wordt Lisa opgepakt en vervolgd voor zware mishandeling (artikel
302 lid 1 Sr). De tenlastelegging luidt als volgt: “Dat Lisa op 8 mei 2024
te Nijmegen Jasper opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,
door die Jasper met een bierflesje op zijn hoofd te slaan.” Tot welke
einduitspraak komt de rechter op grond van artikel 350 t/m 352 Sv?
Om tot een uiteindelijk conclusie te komen, moeten we onszelf een aantal
vragen stellen aan de hand van artikel 350 Sv.:
1) Is het ten laste gelegde feit bewezen?
Ja, Lisa heeft Jasper namelijk ‘opzettelijk’ zwaar lichamelijk letsel
toegebracht dood Jasper met een bierflesje op zijn hoofd te slaan. Dit
gebeurde aan de hand van dat Lisa door Jasper verwijderd moest worden
van het podium, maar Lisa hier niet van gediend was en toen Jasper sloeg
met een bierflesje. Echter, kunnen we ook stellen dat er een fout in de
tenlastelegging is gemaakt. De datum is namelijk niet kloppend, want in
de tenlastelegging wordt de datum 8 mei 2024 benoemd terwijl Lisa daar
4