Tags 2e bach 2e semester
Examen 30 MCQ Meerkeuze Open vragen Practicum
Het zenuwstelsel
Organisatie van het zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel gescheiden van perifeer zenuwstelsel door 3
membranen (= meninges)
→ dura mater, archnoid & pia mater
Efferent = weg van CNS
→ motoreenheden
Afferent = naar CNS
→ sensorische input
Visceraal = van & naar interne organen
Somatisch = van & naar alles behalve interne organen
→ huid, spier, …
Autonoom zenuwstelsel controleert de organen
→ bestaat uit delen van het perifeer & centraal zenuwstelsel
Elk deel van het zenuwstelsel heeft unieke cellen met diverse functies
Algemene morfologie van neuronen:
Cellichaam = soma = perikaryon
→ regio rond kern die zorgt voor neuronale huishoud functies
Dendrieten
→ uitsteeksels van het cellichaam die informatie verzamelen &
versturen
Stelselmatige fysiologie 1
, → bevatten receptoren & microtubuli/ER uitlopers
→ spines als uitbreiding van de oppervlakte ⇒ meer receptoren ⇒
betere signaal overdracht
Axonen
→ initiëren APs (initiale segment) & versturen signalen over lange
afstand
→ initieel segment = eerste niet-gemyeliniseerde deel waar alle
informatie verwerkt wordt
→ verbruiken veel energie ⇒ mitochondriën
→ bevatten microtubuli ⇒ transport van eiwitten en/of vesikels via
MAPs (microtubuli geassocieerde proteïnen)
→ kinesine loopt naar synaptisch uiteinde (anterograad)
Stelselmatige fysiologie 2
, → dyneïne loopt naar het cellichaam (retrograad)
Presynaptische terminals
→ transmissie van elektrische of chemische signalen
→ neurotransmitter vesikels
→ synaps met ander neuron of doelwitcel
→ neuromusculaire junctie (NMJ)
Proteïnen worden in het cellichaam aangemaakt & worden naar de juiste
plaats gebracht via de microtubuli in axonen & dendrieten
Diffusie gaat heel traag in neuronen ⇒ cotranslationeel transport van
cargo via membraneuze organellen
→ worden door kinesine langs de microtubuli naar uiteinde van de
axonen gebracht
⇒ snel anterograad transport
→ worden door dyneïne langs de microtubuli naar het cellichaam
gebracht
⇒ snel retrograad transport
Projectieneuron = neuron met lange axon die in verbinding staat met
andere delen van het zenuwstelsel
Classificatie van neuronen:
Lengte van axon
Naar een verre plek (projectie neuron)
Naar een lokale plek (vaak interneuronen)
Dendritische boom
Pyramidaal neuron → duidelijk onderscheid tussen dendrieten &
axon
Radiaal neuron → geen duidelijk onderscheid tussen dendrieten &
axon
Aan- of afwezigheid van spines
aanwezig bij alle pyramidale neuronen
radiale neuronen kunnen spiny of aspiny zijn
Stelselmatige fysiologie 3
, Aantal processen
1 proces gaat door in het cellichaam → unipolair
→ signaal enkel doorgegeven, niet verwerkt
2 processen gaan door in het cellichaam → bipolair
Veel processen gaan door in het cellichaam → multipolair
Neuronaal micro-omgeving
Cerebrospinaal vocht (CSF) bevat voedingsstoffen voor de hersenen
→ aangemaakt door chorioid plexus & geabsorbeerd door arachnoïde
granulaties
⇒ de omgeving van de neuronen goed gecontroleerd
⇒ schokdemper voor de hersenen
→ lichtelijk verschil in ionaire samenstelling met bloedplasma ⇒ geen
ultrafiltraat
→ 3 keer per dag turnover
Extracellulaire vloeistof (BECF) ligt tussen de neuronen
→ staat via diffusie in contact met CSF
Bloed-hersenbarrière → ligt rond bloedvaten
→ endotheelcellen koppelen mechanisch via tight junctions
→ helpercellen (= gliacellen) hebben een ondersteunende functie
→ oligodendrocyten, astrocyten & microglial cells
→ genereren fysiologische omgeving van neuronen
Stelselmatige fysiologie 4