Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college.
Inhoudsopgave
Oefening A: corpusonderzoek ..................................................................................................2
Oefening A - Bron .................................................................................................................6
Oefening B ..............................................................................................................................7
Les Tweeweg ANOVA.......................................................................................................... 11
Oefening C: tweeweg ANOVA ................................................................................................. 14
Oefening D ............................................................................................................................ 23
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
,Oefening A: corpusonderzoek
Twee onderzoekers zijn geïnteresseerd in de appels die worden gedaan in reclame
voor kinderen, zoals appelleren aan humor of avontuur. Hun onderzoeksvraag is
als volgt:
“Which appeals prevail in television commercials and how do these appeals
vary in commercials aimed at male and female children and teenagers?”
a. Wat zouden de variabelen kunnen zijn in dit onderzoek?
Appel (soorten onbekend, bijv. humor, avontuur...)
Geslacht (jongen, meisje)
Leeftijd (kind, tiener)
Note: Het gaat over reclame gericht op mannelijke en vrouwelijke tieners en kinderen. Dat zijn de
doelgroepen. Dan ligt een corpusonderzoek voor de hand en dan kijken welke appels komen hier
voor.
b. Stel, je wilt dit onderzoek in Nederland uitvoeren. Hoe zou je dit aanpakken als
het een gestratificeerde steekproef zou moeten zijn?
Steekproef – scholen – basisscholen en middelbare scholen
50% man en 50% vrouw
Wat is een gestratificeerde steekproef?
- je maakt categorieën en daarbinnen ga je een aselecte steekproef trekken. Waarom zou
je dit doen en niet een gewone aselecte steekproef? Je kan dan een verkeerde verdeling
hebben, bijv. meer reclames gericht op mannen dan op vrouwen.
Waarom doe je een gestratificeerde steekproef?
- Je hebt 2 strata en 2 categorieën, geslacht en leeftijd. Appel is iets wat je daarna gaat
bekijken. Dat is niet een apart strata
Stap 1: Hoe kom je aan die grote groep adverteerders?
Met lastige vragen als: welk steekproefkader?
Welke steekproef?
Note: Wanneer de reclames verschijnen rondom programma’s voor deze kinderen, zoals
jeugdprogramma’s. Zo kan je al die reclames verzamelen. TV kijken.
Stap 2: stratificeren op geslacht en leeftijdscategorie, zodat alle 4 de groepen evenveel
advertenties hebben.
Welke4 groepen heb je dan?
- Man – Kind
- Man – Tiener
- Vrouw – kind
- Vrouw – Tiener
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
,c. De onderzoekers gebruiken een clustersteekproef. Wat is de populatie?
Populatie: Nederlandse Tv-reclames op commerciële en publieke zenders rond
kinderprogramma’s van oktober 1998 – januari 1999.
Clusters:
- bepaalde periode
- beperkte selectie tv- programma’s
Clusters = groepen in een populatie (daarbinnen heterogeen) vs.
Strata = categorieën in populatie (daarbinnen homogeen)
Note: Wat is het verschil met een gestratificeerde steekproef en een clustersteekproef, een
meertrapscluster steekproef heb je meerdere lagen. Hoe homogeen de steekproef is die je trekt.
Clustersteekproef: van mensen uit NL, uit provincies en dan steden en dan wijken. Je daalt af.
Binnen dat cluster is alles nog heterogeen. Op een bepaald niveau is het mogelijk om een
steekproefkader te hebben.
Gestratificeerde steekproef: is relatief homogeen in de eigenschappen
Dutch children van verschillende leeftijden (zowel kinderen als tieners als man of vrouw),
vervolgens moet je een steekproef trekken uit de populatie. Het doel is het brede reclame die NL
kinderen van verschillende leeftijden kijken.je kan beter wat terughoudender zijn dan dat je te
veel gaat generaliseren.
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
, d. In de resultaten rapporteren ze deze tabel. Leg de tabel uit; gebruik in de uitleg X2.
Getallen = de percentages van de advertenties waarin de appels voorkomen.
De X2 geeft aan (met de voetnoot) of het verschil tussen de drie leeftijdscategorieën significant
is; het dikgedrukte percentage is significant hoger dan de andere in dezelfde rij.
Wat zeggen de getallen? Wat is die 57,6%? Dat bijna 60% van de reclames die aan kinderen zijn
gericht (139) die appelleren aan spel/ betrekking op spel. Reclame op tieners en algemeen is
veel minder (5,6 en 2,7). Sommige reclames kunnen aan meer dingen appelleren, daarom kan er
geen 100% zijn. Voor alles is een aparte analyse gedaan. Bij andere zit de play appeal niet in.
Wat heb je nodig voor en chi kwadraat? 2 categorische variabelen? De verdeling van de ene vaker
voorkomen dan de andere. Is er een samenhang van de verdelingen.
Wat zijn hier de categorische variabelen?
- Leeftijdsgroepen (1 variabelen met 3 categorieën).
- Aanwezigheid appels (ja / nee)
Verdelingen aanwezig zijn en de appel. Zit hier een verband tussen? Ze verwachten dat er een
effect is. Dat play vaker gebruikt wordt voor kinderen. Dat doet de X2. Er is een verband tussen
die 2. Play (ja / nee) en leeftijd.
Wat zegt het dikgedrukte? Dat die significant afwijkt door de a, b en c. Play komt significant vaker
voor bij kinderen dan bij de andere 2. De andere a zegt wat over een P-waarde (kleiner dan 0.01).
Voor alle appels is er een significant relatie tussen de appela en de leeftijd.
(er zit 1 foutje in de tabel: Tidiness moet vaker voorkomen bij het algemene publiek vergeleken
met de andere).
Note: A/ B en C zijn significant. Dit zijn de appels die ze hebben geïdentificeerd. Voor elke appel
is er een X2 uitgevoerd. (geen onderscheid man en vrouw, alleen onderscheid in leeftijd) ze
hebben het algemene publiek ook betrokken. De dikgedrukte wijken significant af van de andere.
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
Inhoudsopgave
Oefening A: corpusonderzoek ..................................................................................................2
Oefening A - Bron .................................................................................................................6
Oefening B ..............................................................................................................................7
Les Tweeweg ANOVA.......................................................................................................... 11
Oefening C: tweeweg ANOVA ................................................................................................. 14
Oefening D ............................................................................................................................ 23
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
,Oefening A: corpusonderzoek
Twee onderzoekers zijn geïnteresseerd in de appels die worden gedaan in reclame
voor kinderen, zoals appelleren aan humor of avontuur. Hun onderzoeksvraag is
als volgt:
“Which appeals prevail in television commercials and how do these appeals
vary in commercials aimed at male and female children and teenagers?”
a. Wat zouden de variabelen kunnen zijn in dit onderzoek?
Appel (soorten onbekend, bijv. humor, avontuur...)
Geslacht (jongen, meisje)
Leeftijd (kind, tiener)
Note: Het gaat over reclame gericht op mannelijke en vrouwelijke tieners en kinderen. Dat zijn de
doelgroepen. Dan ligt een corpusonderzoek voor de hand en dan kijken welke appels komen hier
voor.
b. Stel, je wilt dit onderzoek in Nederland uitvoeren. Hoe zou je dit aanpakken als
het een gestratificeerde steekproef zou moeten zijn?
Steekproef – scholen – basisscholen en middelbare scholen
50% man en 50% vrouw
Wat is een gestratificeerde steekproef?
- je maakt categorieën en daarbinnen ga je een aselecte steekproef trekken. Waarom zou
je dit doen en niet een gewone aselecte steekproef? Je kan dan een verkeerde verdeling
hebben, bijv. meer reclames gericht op mannen dan op vrouwen.
Waarom doe je een gestratificeerde steekproef?
- Je hebt 2 strata en 2 categorieën, geslacht en leeftijd. Appel is iets wat je daarna gaat
bekijken. Dat is niet een apart strata
Stap 1: Hoe kom je aan die grote groep adverteerders?
Met lastige vragen als: welk steekproefkader?
Welke steekproef?
Note: Wanneer de reclames verschijnen rondom programma’s voor deze kinderen, zoals
jeugdprogramma’s. Zo kan je al die reclames verzamelen. TV kijken.
Stap 2: stratificeren op geslacht en leeftijdscategorie, zodat alle 4 de groepen evenveel
advertenties hebben.
Welke4 groepen heb je dan?
- Man – Kind
- Man – Tiener
- Vrouw – kind
- Vrouw – Tiener
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
,c. De onderzoekers gebruiken een clustersteekproef. Wat is de populatie?
Populatie: Nederlandse Tv-reclames op commerciële en publieke zenders rond
kinderprogramma’s van oktober 1998 – januari 1999.
Clusters:
- bepaalde periode
- beperkte selectie tv- programma’s
Clusters = groepen in een populatie (daarbinnen heterogeen) vs.
Strata = categorieën in populatie (daarbinnen homogeen)
Note: Wat is het verschil met een gestratificeerde steekproef en een clustersteekproef, een
meertrapscluster steekproef heb je meerdere lagen. Hoe homogeen de steekproef is die je trekt.
Clustersteekproef: van mensen uit NL, uit provincies en dan steden en dan wijken. Je daalt af.
Binnen dat cluster is alles nog heterogeen. Op een bepaald niveau is het mogelijk om een
steekproefkader te hebben.
Gestratificeerde steekproef: is relatief homogeen in de eigenschappen
Dutch children van verschillende leeftijden (zowel kinderen als tieners als man of vrouw),
vervolgens moet je een steekproef trekken uit de populatie. Het doel is het brede reclame die NL
kinderen van verschillende leeftijden kijken.je kan beter wat terughoudender zijn dan dat je te
veel gaat generaliseren.
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college
, d. In de resultaten rapporteren ze deze tabel. Leg de tabel uit; gebruik in de uitleg X2.
Getallen = de percentages van de advertenties waarin de appels voorkomen.
De X2 geeft aan (met de voetnoot) of het verschil tussen de drie leeftijdscategorieën significant
is; het dikgedrukte percentage is significant hoger dan de andere in dezelfde rij.
Wat zeggen de getallen? Wat is die 57,6%? Dat bijna 60% van de reclames die aan kinderen zijn
gericht (139) die appelleren aan spel/ betrekking op spel. Reclame op tieners en algemeen is
veel minder (5,6 en 2,7). Sommige reclames kunnen aan meer dingen appelleren, daarom kan er
geen 100% zijn. Voor alles is een aparte analyse gedaan. Bij andere zit de play appeal niet in.
Wat heb je nodig voor en chi kwadraat? 2 categorische variabelen? De verdeling van de ene vaker
voorkomen dan de andere. Is er een samenhang van de verdelingen.
Wat zijn hier de categorische variabelen?
- Leeftijdsgroepen (1 variabelen met 3 categorieën).
- Aanwezigheid appels (ja / nee)
Verdelingen aanwezig zijn en de appel. Zit hier een verband tussen? Ze verwachten dat er een
effect is. Dat play vaker gebruikt wordt voor kinderen. Dat doet de X2. Er is een verband tussen
die 2. Play (ja / nee) en leeftijd.
Wat zegt het dikgedrukte? Dat die significant afwijkt door de a, b en c. Play komt significant vaker
voor bij kinderen dan bij de andere 2. De andere a zegt wat over een P-waarde (kleiner dan 0.01).
Voor alle appels is er een significant relatie tussen de appela en de leeftijd.
(er zit 1 foutje in de tabel: Tidiness moet vaker voorkomen bij het algemene publiek vergeleken
met de andere).
Note: A/ B en C zijn significant. Dit zijn de appels die ze hebben geïdentificeerd. Voor elke appel
is er een X2 uitgevoerd. (geen onderscheid man en vrouw, alleen onderscheid in leeftijd) ze
hebben het algemene publiek ook betrokken. De dikgedrukte wijken significant af van de andere.
Onderzoeksmethodologie 2, deel 2, periode 4. Oefeningen college