Behandelt ook vragen uit het boek!
Tilburg university
Leerjaar 1, blok 4
,1.
Wat betekent het dat ontwikkeling "multidirectioneel" is volgens het
levensloopperspectief?
a) Ontwikkeling vindt plaats op meerdere leeftijden tegelijk.
b) Sommige vaardigheden nemen toe, terwijl andere tegelijkertijd
afnemen.
c) Elk ontwikkelingsdomein beïnvloedt de richting van de andere
domeinen.
d) Ontwikkeling is voornamelijk gericht op verbetering over de levensloop
heen.
2.
Welke combinatie van factoren maakt ontwikkeling volgens Paul Baltes het
best te begrijpen?
a) Erfelijkheid, opvoeding en technologie.
b) Psychologie, cultuur en vrije wil.
c) Biologie, omgeving en cultuur.
d) Fysieke rijping, individuele keuzes en leeftijd.
3.
Waarom wordt gezegd dat leeftijdsgrenzen, zoals pensioenleeftijd, sociaal
bepaald zijn?
a) Omdat biologische veranderingen rond dezelfde leeftijd plaatsvinden in
alle culturen.
b) Omdat maatschappelijke rollen en verwachtingen per cultuur
verschillen.
c) Omdat de gemiddelde levensverwachting overal ongeveer gelijk is.
d) Omdat iedereen zich op dezelfde manier ontwikkelt ongeacht cultuur.
4.
Wat maakt het lastig om uitspraken te doen over wat ‘normale
ontwikkeling’ is?
a) De meeste mensen ontwikkelen zich buiten de norm.
b) Ontwikkeling is biologisch volledig voorspelbaar.
c) Wat als normaal geldt, verschilt per cultuur, tijd en sociale groep.
d) Alle kinderen doorlopen dezelfde stadia op exact dezelfde leeftijden.
5.
Waarom is epigenetica relevant in het nature-nurture-debat?
a) Het verklaart dat genetica altijd sterker is dan de omgeving.
b) Het laat zien dat omgevingsinvloeden DNA permanent veranderen.
c) Het toont aan dat omgeving genexpressie kan beïnvloeden zonder het
DNA zelf te veranderen.
d) Het bewijst dat opvoeding de enige bepalende factor is voor
ontwikkeling.
,6.
Wat is het primaire doel van een representatieve steekproef in
ontwikkelingsonderzoek?
a) Eenvoudiger data-analyse.
b) Snellere dataverzameling.
c) Betere generaliseerbaarheid van resultaten naar de gehele populatie.
d) Meer controle over de afhankelijke variabele.
7.
Wat onderscheidt experimenteel onderzoek van correlationeel onderzoek?
a) Alleen correlationeel onderzoek gebruikt hypothetisch redeneren.
b) Correlationeel onderzoek kan oorzaak-gevolgrelaties vaststellen
c) Correlationeel onderzoek heeft gemanipuleerde variabelen.
d) Experimenteel onderzoek kan oorzaak-gevolgrelaties vaststellen.
8.
Waarom kunnen resultaten uit casestudies beperkt gegeneraliseerd
worden?
a) Ze zijn meestal gebaseerd op onjuiste gegevens.
b) Ze richten zich op een groot aantal participanten.
c) De onderzochte situaties zijn vaak uniek en niet representatief.
d) Ze maken geen gebruik van systematische observaties.
9.
Wat is een voordeel van het sequentiële onderzoeksdesign ten opzichte
van longitudinale en cross-sectionele ontwerpen?
a) Het is sneller dan beide andere methodes.
b) Het elimineert volledig het risico op uitval van deelnemers.
c) Het combineert leeftijdsveranderingen met cohort- en tijd-van-meting-
effecten.
d) Het voorkomt elk risico op meetinstrumentveroudering.
10.
Wat is volgens de ontwikkelingspsychologie de belangrijkste functie van
een theorie?
a) Het voorspellen van de exacte ontwikkelingsleeftijd.
b) Het vaststellen van causale verbanden zonder onderzoek.
c) Het organiseren, verklaren en begeleiden van onderzoek naar
ontwikkeling.
d) Het aantonen dat ontwikkeling volledig biologisch bepaald is.
11.
Welke uitspraak illustreert het continuïteitsprincipe in ontwikkeling?
a) Een kind ontwikkelt plotseling empathisch vermogen rond het zesde
jaar.
b) Taalontwikkeling verloopt via duidelijk onderscheiden fasen.
, c) Motorische vaardigheden verbeteren geleidelijk met oefening.
d) Een adolescent maakt een abrupte overgang naar abstract denken.
12.
Wat wordt bedoeld met contextspecifieke ontwikkeling?
a) Alle kinderen ontwikkelen zich via dezelfde stadia.
b) Ontwikkeling wordt sterk bepaald door universele biologische factoren.
c) De manier waarop ontwikkeling zich uit, is afhankelijk van omgeving en
cultuur.
d) Context heeft vooral invloed op de snelheid van biologische rijping.
13.
Wat is de belangrijkste functie van het superego volgens Freud?
a) Realistische afweging maken tussen drift en werkelijkheid.
b) Onbewuste impulsen aanwakkeren.
c) Directe driftbevrediging mogelijk maken.
d) Gedrag sturen volgens geïnternaliseerde morele normen.
14.
Wat onderscheidt volgens Freud het ego van het id?
a) Het ego richt zich op directe behoeftebevrediging.
b) Het ego opereert uitsluitend onbewust.
c) Het ego zoekt realistische manieren om impulsen te reguleren.
d) Het ego is alleen actief tijdens de latente fase.
15.
Waarom is regressie een afweermechanisme?
a) Het zorgt voor volledige onderdrukking van impulsen.
b) Het helpt een individu tijdelijk terug te keren naar eerder
ontwikkelingsgedrag om stress te hanteren.
c) Het verwijdert herinneringen permanent uit het bewustzijn.
d) Het voorkomt elke vorm van conflict tussen ego en superego.
16.
Welk kenmerk maakt Eriksons theorie tot een psychosociale theorie?
a) De nadruk ligt op seksuele driften en onbewuste wensen.
b) Elk stadium draait om het oplossen van sociale conflicten binnen een
bepaalde levensfase.
c) Elk stadium wordt bepaald door biologische rijping.
d) Gedrag wordt verklaard door directe observatie van kindertijdtrauma’s.
17.
Wat is een belangrijk verschil tussen Freud en Erikson?
a) Freud ging uit van een levenslange ontwikkeling, Erikson niet.
b) Freud legde de nadruk op sociale invloeden, Erikson op biologische
driften.