Zelfstudievragen bij boek, college 1
6.8
1. Welk proces herken je in de verschuiving ca. 1965 van afdracht van het hele
loon naar
het betalen van kostgeld door werkende jongeren? En welke oorzaak had zij?
De verschuiving naar het betalen van kostgeld kwam door de toenemende emancipatie
van jongeren, die steeds meer zelfstandig wilden worden en meer economisch
onafhankelijk werden. Daarnaast was de maatschappelijke verandering in de jaren '60
van invloed, waarbij jongeren zich meer losmaakten van de traditionele gezinsstructuren
en hun eigen rol binnen de maatschappij gingen herzien. De groeiende welvaart speelde
hierbij ook een rol, waardoor gezinnen in staat waren om de lasten van kostgeld in plaats
van volledige loonafdracht te vereisen. Jongeren kregen meer vrijheid. Dit leidde tot een
verandering in de gezinsdynamiek; van gehoorzaamheid en onderdanigheid naar een
meer onderhandelende cultuur.
2. Wat veranderde ca. 1970 in de relatie tussen ouders en Nederlandse
kinderen?
Na 1970 verdween ouderlijk gezag, in plaats van bevelshuishouding ontstond een meer
democratische opvoedstijl, waarin overleg en inspraak belangrijk werden. Ouders lieten
niet volledig los maar combineerden liefde met duidelijke grenzen, dit werd de gulden
middenweg tussen autoritair en toegeeflijk opvoeden. (islamitische gezinnen
traditioneler, nederlandse gezinnen steeds meer gelijkwaardigheid). De
opvoedingsadviesen pleitte voor een warme en begripvolle opvoeding (kinderen mochten
mening hebben ipv enkel gehoorzamen).
3. Welke twee theoretische inspiratiebronnen kent de oudervoorlichting van na
1980
en hoe komen die daarin tot uitdrukking?
Na 1980 was de oudervoorlichting in Nederland sterk beïnvloed door twee theoretische
inspiratiebronnen.
Zijn benadering was gebaseerd op Freuds psychoanalyse en de ontwikkelingsleer van
Arnold Gesell die stelde dat kinderen in eigen tempo ontwikkelen. De psychodynamische
benadering, beïnvloed door Freud en de psychoanalyse, die de nadruk legde op het
belang van de emotionele ontwikkeling van het kind en de relatie tussen ouder en kind.
Deze benadering benadrukte het begrijpen van de emotionele behoeften van kinderen en
het belang van de ouder als een ondersteunende en opvoedkundige figuur die ook
zelfreflectie toepast.
De gedragstherapie, die zich richtte op het ontwikkelen van positieve gedragingen en het
verminderen van ongewenst gedrag door middel van beloningen en straf. Ouders werden
aangemoedigd om specifieke gedragingen van kinderen te sturen en te modelleren, wat
resulteerde in meer gestructureerde en praktische opvoedingsadviezen. Hij adviseerde
geduld, afleiding in plaats van straf (betrekken bij andere activiteiten, aandacht afleiden
van ongewenst gedrag, in plaats van straffen), en minimaliseerde strikte discipline.
Kinderen gehoorzamen niet uit angst voor straf, maar uit liefde en respect voor hun
ouders.
Door verschuiving naar wen democratische opvoed stijl verschoof de focus naar een
plezierige relatie met kind waarbij zelfontplooiing en vrijheid centraal stonden.
Ook kreeg na 1980 de gehechtheidstheorie van John Bowlby meer invloed, veilige
hechting en responsieve ouders zijn cruciale aspecten.
Door verschuiving naar een democratische opvoedstijl verschoof de focus naar ene
plezierige relatie met het kind, waarbij zelfontplooiing en vrijheid centraal stonden.
Thomas Gordon introduceerde nieuwe methoden zoals actief luisteren (volledige
,aandacht aan wat kind zegt zodat het zich gehoord en begrepen voelt, dit bevordert open
communicatie en helpt conflicten respectvol op te lossen) en ik-boodschappen (ouder
geeft boodschap vanuit zijn of haar eigen gevoelens en behoeften ipv beschuldigingen).
Na 1980 kwam er meer aandacht voor de gehechtheidstheorie van Bowlby, veilige
hechting en ontwikkelingsfasen van kinderen werden steeds belangrijker en
opvoedkundig advies meer wetenschappelijk onderbouwd. Ontwikkelingsstimulering blijft
toenemen waardoor ouders de boodschap krijgen dat ze falen als het potentieel van hun
kind niet optimaal benut wordt.
4. Het boek van Spock doorbrak twee soorten grenzen. Welke?
Het boek van Benjamin Spock, The Common Sense Book of Baby and Child Care,
doorbrak twee belangrijke grenzen. Hij speelde een grote rol in verschuiving naar meer
democratische, mildere opvoeding. Hij moedigde ouders aan om op hun intuïtie te
vertrouwen en liefde centraal te stellen in plaats van de voorgeschreven strikte regels en
waarschuwingen voor opvoedingsfouten van Nederlandse opvoedkundigen. Hij stelde
ouders gerust; troosten, voeden bij honger en begrip tonen is geen verwennerij, maar
normaal en gezond. Zijn ideeën sloten niet aan bij dominante opvoedingsvormen maar
werden invloedrijker door individualisering en democratisering.
Zijn benadering was gebaseerd op interpretatie van freuds psychoanalyse en de
ontwikkelingsleer van arnold gesell die stelde dat kinderen zich in hun eigen tempo
ontwikkelen, hij adviseerde geduld, gebruik van afleiding in plaats van straf (ergens
anders bij betrekken of aandacht van ongewenst gedrag afleiden) en minimaliseerde het
belang van strikte discipline. Volgens hem gehoorzamen kinderen uit liefde en respect en
niet uit angst voor straf. Hij zette een trend voor een meer ontspannen, liefdevolle
opvoeding, gericht op gezonde ontwikkeling en het welzijn van het kind en hij doorbrak
religieuze zuilen doordat ouders van verschillende achtergronden zijn boek omarmden,
inclusief lagere sociale klassen.
Zelfstudievragen bij boek, college 4
1.1
1. Hoe verhouden Renaissance en Humanisme zich tot elkaar?
De Renaissance ontstond in de 15e eeuw in Italiaanse steden en verspreidde zich in de
16e eeuw over de rest van Europa. Deze heropleving van klassieke cultuur kwam door
eerdere contacten tussen het midden-oosten en west-europa (vooral kruistochten in de
11e en 12e eeuw). De natuur en de mens stond centraal, menselijke schoonheid werd
gevierd. Leonardo da Vinci was hét voorbeeld van de uomo universale; kunstenaar,
wetenschapper, dichter en uitvinder tegelijk.
Het Humanisme was een belangrijke intellectuele stroming binnen de bredere culturele
vernieuwing van de Renaissance, zij geloofden sterk in de mogelijkheden van de mens
(bijv, vermogen tot moreel handelen en begrijpen van de wereld). Opvoeding en
ontwikkeling waren voor hen essentieel, omdat de mens via zijn verstand kon nadenken
over zekerheden en maatschappelijke misstanden (spanning met katholieke kerk).
2. Waartoe diende de studie van de oudheid voor Erasmus uiteindelijk?
Zijn vormingsideaal was sterk gericht op intellectuele ontwikkeling, hij was een
invloedrijke humanist. Hij trad op 14-jarige leeftijd toe tot een klooster, waar hij zich in de
klassieke oudheid verdiepte. Later kreeg hij een afkeer van traditionele scholastiek en
bewondering voor de humanistische benadering. Tijdens eens reis naar Engeland maakte
hij kennis met de bonae litterae (klassieke literatuur). Zijn publicaties (bijv edities van
kerkvaders en nieuwe testament in het grieks) speelden een grote rol in protestantse
hervorming. Hij geloofde dat zedeloosheid voortkwam uit een gebrek aan cultuur.
Klassieke vorming was voor hem de kern van de opvoeding en vereiste
,onderwijshervorming waarin hij voor een liefdevolle leraar-leerling relatie pleitte in plaats
van lijfstraffen en geweld. Hij vond dat onderwijs onder toezicht van de overheid (ipv
kerk) moest vallen. Zijn idealen gingen over toekomstig intellectuele jongens en geen
plek voor meisjes en gewone burgers.
3. Waarom bespotte Erasmus de ‘taalmeesters’?
Erasmus verzette zich tegen het onderwijs van zijn tijd, waarin taalmeesters vooral
nadruk legden op het mechanisch uit het hoofd leren van Latijnse regels, zonder
aandacht voor begrip of morele vorming. Hij vond hun aanpak wereldvreemd, saai en
ineffectief. In plaats daarvan pleitte Erasmus voor onderwijs dat gericht was op
redeneren, moreel besef en het lezen van goede teksten. Straf en dwang moesten
plaatsmaken voor redelijkheid, geduld en speelse motivatie. Ook verzette hij zich tegen
lijfstraffen en pleitte hij voor een liefdevolle relatie tussen leraar en leerling. Onderwijs
was volgens hem zo belangrijk dat het niet langer aan de kerk moest worden
overgelaten, maar in handen van de wereldlijke overheid moest komen. Humanistisch
ideaal; zedeloosheid was een gebrek aan cultuur, klassieke vorming is de kern van
opvoeding en vereiste onderwijshervorming. Hij pleitte voor een liefdevolle leraar-leerling
relatie.
Visie op onderwijs; onderwijs moest volgens hem onder toezicht van de overheid, niet de
kerk. Zijn visie was gericht op jongens die toekomstige intellectuelen zouden worden
(geen meisje/gewone burgers).
Het onderwijs zou juist aantrekkelijker worden door een liefdevolle verhouding tussen
leraar en leerling. Het onderwijs was volgens Erasmus zo belangrijk dat het uit handen
moest worden genomen door de kerk en moest overdragen aan de wereldlijke overheid.
4. Waarom was een mens zonder intellectuele vorming volgens Erasmus erger
dan een dier?
Omdat de mens over rede beschikt en dus de plicht heeft zich te ontwikkelen; het niet
gebruiken van die rede verlaagt hem onder het dier. Een dier wordt tenminste nog geleid
door zijn instinct, maar een mens die niet doordrenkt is met de beste kennis is tomeloos
en gevaarlijker dan welk dier dan ook. Zijn humanisme was vooral intellectueel en minder
praktisch, hij geloofde wel dat mensen van nature goed zijn. Zonder goede opvoeding kon
de mens echter slechter worden dan een dier.
5. Waarin verschillen de pedagogische opvattingen van Erasmus en Montaigne
van elkaar?
Michel de Montaigne (van adel, andere visie dan andere humanisten); beïnvloed door
Erasmus, maar meer gefocust op alledaags leven en een goed en deugdzaam bestaan.
Zijn ideaalbeeld was de honnete homme (oprechte, wijze en innerlijk verfijnde mens), hij
vond het belangrijk dat mensen zelfstandig leerden oordelen doordat zij veel feitenkennis
hadden. Opvoeding moest gericht zijn op de ontwikkeling van deugd, wijsheid en
levenservaring passend bij het leven van adel. Leren door ervaring en omgang met de
wereld stond centraal.
1.2
6. In welke opzichten bouwde de Reformatie/Hervorming voort op het
Humanisme en in welke opzichten juist niet?
De hervorming, ook wel Reformatie genoemd, volgde op de Renaissance en het
Humanisme en had grote invloed op het denken over opvoeding. Ze ontstond als reactie
op misstanden binnen de katholieke kerk, wat uiteindelijk leidde tot een kerkscheuring en
godsdienstoorlogen. In Nederland werd het calvinisme de dominante religie.Hervormers
, legden, meer dan humanisten, de nadruk op persoonlijke geloofsbeleving in plaats van
geleerdheid. Volgens Luther en Calvijn was de mens zondig en volledig afhankelijk van
goddelijke genade; verlossing kwam alleen door geloof, niet door eigen verdienste.
Opvoeding kreeg zo een religieuze lading: kinderen moesten godvruchtig worden, met
nadruk op deugd, vroomheid en het overwinnen van de erfzonde.
Zowel humanisten als reformatoren keerden terug naar de bronteksten (Ad Fontes),
stimuleerden onderwijs en vertaalden de Bijbel om individuele bijbelstudie mogelijk te
maken. Beiden bekritiseerden het gedrag van geestelijken en de oppervlakkige religie
van hun tijd. Humanisten, zoals Erasmus, wilden hervorming binnen de kerk en geloofden
in de verbetering van de mens door rede en opvoeding. Reformatoren, zoals Luther en
Calvijn, braken met de kerk en benadrukten gehoorzaamheid aan Gods wil.
De Reformatie bouwde voort op het humanisme in haar aandacht voor onderwijs en
kritiek op de kerk, maar week af in mensbeeld en doel: het humanisme bleef cultureel en
opvoedkundig met een optimistisch mensbeeld; de Reformatie was theologisch en
radicaal, met een somber mensbeeld. Ondanks Erasmus’ kritiek op Luthers invloed op de
studie, benadrukte ook Luther het belang van onderwijs. Eventuele verwaarlozing van
studie lag meer aan de maatschappelijke onrust van de godsdienststrijd.
1.3
7. Waarom kan men de onderwijsleer van Comenius empiristisch noemen?
Comenius pleitte voor praktisch en aanschouwelijk onderwijs gebaseerd op alledaagse
werkelijkheid (ipv taalgericht en traditioneel van humanisten). Hij wilde leerlingen leren
hoe de wereld in elkaar zit (begin illustraties). Hij geloofde in pansofie (al-wijsheid)>
streven naar universeel begrip van de werkelijkheid. Hij erkende (in tegenstelling tot
humanisten) dat kinderen beperkt zijn in wat ze aankunnen (waarschuwen voor te volle
lestof). Hij wilde één methode voor iedereen met ruimte voor geleidelijke ontwikkeling.
De onderwijsleer van Comenius is empiristisch omdat hij leren zag als een
ervaringsproces, waarbij kinderen door waarneming en geleidelijke opbouw inzicht krijgen
in de wereld. Dat staat tegenover het rationele en taalgerichte onderwijs van de
humanisten.
8. Waarom moest de onderwijzer volgens Comenius handelen als de zon?
Comenius wilde op een natuurlijke wijze onderwijzen. Dit betekende klassikaal. Dus met 1
onderwijzer voor de klas. De onderwijzer was dus de zon. 1 persoon die les geeft, net
zoals er
maar 1 zon is. De zon bemoeit zich niet met een enkel voorwerp, dier of boom, maar
verlicht
en verwamt de gehele aarde. Zij neemt ook steeds dezelfde orde in acht. Heden dezelfde
als morgen etc. Hij geloofde in universele orde principes in de natuur en de mens, hij
zocht naar een natuurlijke onderwijsmethode geschikt voor alle kinderen ongeacht
afkomst of niveau.
9. Waarom moest volgens Comenius iedereen worden onderwezen, ook meisjes
en zwakbegaafden?
Omdat hij geloofde in de algemene vormbaarheid en waardigheid van ieder mens. Hij
vond dat wat onderling verbonden is, ook in samenhang onderwezen moest worden. Hij
geloofde dat dit mogelijk was met een goede methode. Hij vergeleek deze groep ook de
met de zon. Hij vermeldde daarbij: Zij brengt ook alles, wat tegelijk moet bestaan,
tegelijkertijd voort: het hout met schors, de bloem met de bladeren, de vrucht met de
schaal etc. ‘Natuurlijke’ methode in de pedagogiek, gericht op wat kinderen met elkaar
gemeen hebben. Die methode paste bij zijn intentie om vóór alles volksopvoeder te zijn.
6.8
1. Welk proces herken je in de verschuiving ca. 1965 van afdracht van het hele
loon naar
het betalen van kostgeld door werkende jongeren? En welke oorzaak had zij?
De verschuiving naar het betalen van kostgeld kwam door de toenemende emancipatie
van jongeren, die steeds meer zelfstandig wilden worden en meer economisch
onafhankelijk werden. Daarnaast was de maatschappelijke verandering in de jaren '60
van invloed, waarbij jongeren zich meer losmaakten van de traditionele gezinsstructuren
en hun eigen rol binnen de maatschappij gingen herzien. De groeiende welvaart speelde
hierbij ook een rol, waardoor gezinnen in staat waren om de lasten van kostgeld in plaats
van volledige loonafdracht te vereisen. Jongeren kregen meer vrijheid. Dit leidde tot een
verandering in de gezinsdynamiek; van gehoorzaamheid en onderdanigheid naar een
meer onderhandelende cultuur.
2. Wat veranderde ca. 1970 in de relatie tussen ouders en Nederlandse
kinderen?
Na 1970 verdween ouderlijk gezag, in plaats van bevelshuishouding ontstond een meer
democratische opvoedstijl, waarin overleg en inspraak belangrijk werden. Ouders lieten
niet volledig los maar combineerden liefde met duidelijke grenzen, dit werd de gulden
middenweg tussen autoritair en toegeeflijk opvoeden. (islamitische gezinnen
traditioneler, nederlandse gezinnen steeds meer gelijkwaardigheid). De
opvoedingsadviesen pleitte voor een warme en begripvolle opvoeding (kinderen mochten
mening hebben ipv enkel gehoorzamen).
3. Welke twee theoretische inspiratiebronnen kent de oudervoorlichting van na
1980
en hoe komen die daarin tot uitdrukking?
Na 1980 was de oudervoorlichting in Nederland sterk beïnvloed door twee theoretische
inspiratiebronnen.
Zijn benadering was gebaseerd op Freuds psychoanalyse en de ontwikkelingsleer van
Arnold Gesell die stelde dat kinderen in eigen tempo ontwikkelen. De psychodynamische
benadering, beïnvloed door Freud en de psychoanalyse, die de nadruk legde op het
belang van de emotionele ontwikkeling van het kind en de relatie tussen ouder en kind.
Deze benadering benadrukte het begrijpen van de emotionele behoeften van kinderen en
het belang van de ouder als een ondersteunende en opvoedkundige figuur die ook
zelfreflectie toepast.
De gedragstherapie, die zich richtte op het ontwikkelen van positieve gedragingen en het
verminderen van ongewenst gedrag door middel van beloningen en straf. Ouders werden
aangemoedigd om specifieke gedragingen van kinderen te sturen en te modelleren, wat
resulteerde in meer gestructureerde en praktische opvoedingsadviezen. Hij adviseerde
geduld, afleiding in plaats van straf (betrekken bij andere activiteiten, aandacht afleiden
van ongewenst gedrag, in plaats van straffen), en minimaliseerde strikte discipline.
Kinderen gehoorzamen niet uit angst voor straf, maar uit liefde en respect voor hun
ouders.
Door verschuiving naar wen democratische opvoed stijl verschoof de focus naar een
plezierige relatie met kind waarbij zelfontplooiing en vrijheid centraal stonden.
Ook kreeg na 1980 de gehechtheidstheorie van John Bowlby meer invloed, veilige
hechting en responsieve ouders zijn cruciale aspecten.
Door verschuiving naar een democratische opvoedstijl verschoof de focus naar ene
plezierige relatie met het kind, waarbij zelfontplooiing en vrijheid centraal stonden.
Thomas Gordon introduceerde nieuwe methoden zoals actief luisteren (volledige
,aandacht aan wat kind zegt zodat het zich gehoord en begrepen voelt, dit bevordert open
communicatie en helpt conflicten respectvol op te lossen) en ik-boodschappen (ouder
geeft boodschap vanuit zijn of haar eigen gevoelens en behoeften ipv beschuldigingen).
Na 1980 kwam er meer aandacht voor de gehechtheidstheorie van Bowlby, veilige
hechting en ontwikkelingsfasen van kinderen werden steeds belangrijker en
opvoedkundig advies meer wetenschappelijk onderbouwd. Ontwikkelingsstimulering blijft
toenemen waardoor ouders de boodschap krijgen dat ze falen als het potentieel van hun
kind niet optimaal benut wordt.
4. Het boek van Spock doorbrak twee soorten grenzen. Welke?
Het boek van Benjamin Spock, The Common Sense Book of Baby and Child Care,
doorbrak twee belangrijke grenzen. Hij speelde een grote rol in verschuiving naar meer
democratische, mildere opvoeding. Hij moedigde ouders aan om op hun intuïtie te
vertrouwen en liefde centraal te stellen in plaats van de voorgeschreven strikte regels en
waarschuwingen voor opvoedingsfouten van Nederlandse opvoedkundigen. Hij stelde
ouders gerust; troosten, voeden bij honger en begrip tonen is geen verwennerij, maar
normaal en gezond. Zijn ideeën sloten niet aan bij dominante opvoedingsvormen maar
werden invloedrijker door individualisering en democratisering.
Zijn benadering was gebaseerd op interpretatie van freuds psychoanalyse en de
ontwikkelingsleer van arnold gesell die stelde dat kinderen zich in hun eigen tempo
ontwikkelen, hij adviseerde geduld, gebruik van afleiding in plaats van straf (ergens
anders bij betrekken of aandacht van ongewenst gedrag afleiden) en minimaliseerde het
belang van strikte discipline. Volgens hem gehoorzamen kinderen uit liefde en respect en
niet uit angst voor straf. Hij zette een trend voor een meer ontspannen, liefdevolle
opvoeding, gericht op gezonde ontwikkeling en het welzijn van het kind en hij doorbrak
religieuze zuilen doordat ouders van verschillende achtergronden zijn boek omarmden,
inclusief lagere sociale klassen.
Zelfstudievragen bij boek, college 4
1.1
1. Hoe verhouden Renaissance en Humanisme zich tot elkaar?
De Renaissance ontstond in de 15e eeuw in Italiaanse steden en verspreidde zich in de
16e eeuw over de rest van Europa. Deze heropleving van klassieke cultuur kwam door
eerdere contacten tussen het midden-oosten en west-europa (vooral kruistochten in de
11e en 12e eeuw). De natuur en de mens stond centraal, menselijke schoonheid werd
gevierd. Leonardo da Vinci was hét voorbeeld van de uomo universale; kunstenaar,
wetenschapper, dichter en uitvinder tegelijk.
Het Humanisme was een belangrijke intellectuele stroming binnen de bredere culturele
vernieuwing van de Renaissance, zij geloofden sterk in de mogelijkheden van de mens
(bijv, vermogen tot moreel handelen en begrijpen van de wereld). Opvoeding en
ontwikkeling waren voor hen essentieel, omdat de mens via zijn verstand kon nadenken
over zekerheden en maatschappelijke misstanden (spanning met katholieke kerk).
2. Waartoe diende de studie van de oudheid voor Erasmus uiteindelijk?
Zijn vormingsideaal was sterk gericht op intellectuele ontwikkeling, hij was een
invloedrijke humanist. Hij trad op 14-jarige leeftijd toe tot een klooster, waar hij zich in de
klassieke oudheid verdiepte. Later kreeg hij een afkeer van traditionele scholastiek en
bewondering voor de humanistische benadering. Tijdens eens reis naar Engeland maakte
hij kennis met de bonae litterae (klassieke literatuur). Zijn publicaties (bijv edities van
kerkvaders en nieuwe testament in het grieks) speelden een grote rol in protestantse
hervorming. Hij geloofde dat zedeloosheid voortkwam uit een gebrek aan cultuur.
Klassieke vorming was voor hem de kern van de opvoeding en vereiste
,onderwijshervorming waarin hij voor een liefdevolle leraar-leerling relatie pleitte in plaats
van lijfstraffen en geweld. Hij vond dat onderwijs onder toezicht van de overheid (ipv
kerk) moest vallen. Zijn idealen gingen over toekomstig intellectuele jongens en geen
plek voor meisjes en gewone burgers.
3. Waarom bespotte Erasmus de ‘taalmeesters’?
Erasmus verzette zich tegen het onderwijs van zijn tijd, waarin taalmeesters vooral
nadruk legden op het mechanisch uit het hoofd leren van Latijnse regels, zonder
aandacht voor begrip of morele vorming. Hij vond hun aanpak wereldvreemd, saai en
ineffectief. In plaats daarvan pleitte Erasmus voor onderwijs dat gericht was op
redeneren, moreel besef en het lezen van goede teksten. Straf en dwang moesten
plaatsmaken voor redelijkheid, geduld en speelse motivatie. Ook verzette hij zich tegen
lijfstraffen en pleitte hij voor een liefdevolle relatie tussen leraar en leerling. Onderwijs
was volgens hem zo belangrijk dat het niet langer aan de kerk moest worden
overgelaten, maar in handen van de wereldlijke overheid moest komen. Humanistisch
ideaal; zedeloosheid was een gebrek aan cultuur, klassieke vorming is de kern van
opvoeding en vereiste onderwijshervorming. Hij pleitte voor een liefdevolle leraar-leerling
relatie.
Visie op onderwijs; onderwijs moest volgens hem onder toezicht van de overheid, niet de
kerk. Zijn visie was gericht op jongens die toekomstige intellectuelen zouden worden
(geen meisje/gewone burgers).
Het onderwijs zou juist aantrekkelijker worden door een liefdevolle verhouding tussen
leraar en leerling. Het onderwijs was volgens Erasmus zo belangrijk dat het uit handen
moest worden genomen door de kerk en moest overdragen aan de wereldlijke overheid.
4. Waarom was een mens zonder intellectuele vorming volgens Erasmus erger
dan een dier?
Omdat de mens over rede beschikt en dus de plicht heeft zich te ontwikkelen; het niet
gebruiken van die rede verlaagt hem onder het dier. Een dier wordt tenminste nog geleid
door zijn instinct, maar een mens die niet doordrenkt is met de beste kennis is tomeloos
en gevaarlijker dan welk dier dan ook. Zijn humanisme was vooral intellectueel en minder
praktisch, hij geloofde wel dat mensen van nature goed zijn. Zonder goede opvoeding kon
de mens echter slechter worden dan een dier.
5. Waarin verschillen de pedagogische opvattingen van Erasmus en Montaigne
van elkaar?
Michel de Montaigne (van adel, andere visie dan andere humanisten); beïnvloed door
Erasmus, maar meer gefocust op alledaags leven en een goed en deugdzaam bestaan.
Zijn ideaalbeeld was de honnete homme (oprechte, wijze en innerlijk verfijnde mens), hij
vond het belangrijk dat mensen zelfstandig leerden oordelen doordat zij veel feitenkennis
hadden. Opvoeding moest gericht zijn op de ontwikkeling van deugd, wijsheid en
levenservaring passend bij het leven van adel. Leren door ervaring en omgang met de
wereld stond centraal.
1.2
6. In welke opzichten bouwde de Reformatie/Hervorming voort op het
Humanisme en in welke opzichten juist niet?
De hervorming, ook wel Reformatie genoemd, volgde op de Renaissance en het
Humanisme en had grote invloed op het denken over opvoeding. Ze ontstond als reactie
op misstanden binnen de katholieke kerk, wat uiteindelijk leidde tot een kerkscheuring en
godsdienstoorlogen. In Nederland werd het calvinisme de dominante religie.Hervormers
, legden, meer dan humanisten, de nadruk op persoonlijke geloofsbeleving in plaats van
geleerdheid. Volgens Luther en Calvijn was de mens zondig en volledig afhankelijk van
goddelijke genade; verlossing kwam alleen door geloof, niet door eigen verdienste.
Opvoeding kreeg zo een religieuze lading: kinderen moesten godvruchtig worden, met
nadruk op deugd, vroomheid en het overwinnen van de erfzonde.
Zowel humanisten als reformatoren keerden terug naar de bronteksten (Ad Fontes),
stimuleerden onderwijs en vertaalden de Bijbel om individuele bijbelstudie mogelijk te
maken. Beiden bekritiseerden het gedrag van geestelijken en de oppervlakkige religie
van hun tijd. Humanisten, zoals Erasmus, wilden hervorming binnen de kerk en geloofden
in de verbetering van de mens door rede en opvoeding. Reformatoren, zoals Luther en
Calvijn, braken met de kerk en benadrukten gehoorzaamheid aan Gods wil.
De Reformatie bouwde voort op het humanisme in haar aandacht voor onderwijs en
kritiek op de kerk, maar week af in mensbeeld en doel: het humanisme bleef cultureel en
opvoedkundig met een optimistisch mensbeeld; de Reformatie was theologisch en
radicaal, met een somber mensbeeld. Ondanks Erasmus’ kritiek op Luthers invloed op de
studie, benadrukte ook Luther het belang van onderwijs. Eventuele verwaarlozing van
studie lag meer aan de maatschappelijke onrust van de godsdienststrijd.
1.3
7. Waarom kan men de onderwijsleer van Comenius empiristisch noemen?
Comenius pleitte voor praktisch en aanschouwelijk onderwijs gebaseerd op alledaagse
werkelijkheid (ipv taalgericht en traditioneel van humanisten). Hij wilde leerlingen leren
hoe de wereld in elkaar zit (begin illustraties). Hij geloofde in pansofie (al-wijsheid)>
streven naar universeel begrip van de werkelijkheid. Hij erkende (in tegenstelling tot
humanisten) dat kinderen beperkt zijn in wat ze aankunnen (waarschuwen voor te volle
lestof). Hij wilde één methode voor iedereen met ruimte voor geleidelijke ontwikkeling.
De onderwijsleer van Comenius is empiristisch omdat hij leren zag als een
ervaringsproces, waarbij kinderen door waarneming en geleidelijke opbouw inzicht krijgen
in de wereld. Dat staat tegenover het rationele en taalgerichte onderwijs van de
humanisten.
8. Waarom moest de onderwijzer volgens Comenius handelen als de zon?
Comenius wilde op een natuurlijke wijze onderwijzen. Dit betekende klassikaal. Dus met 1
onderwijzer voor de klas. De onderwijzer was dus de zon. 1 persoon die les geeft, net
zoals er
maar 1 zon is. De zon bemoeit zich niet met een enkel voorwerp, dier of boom, maar
verlicht
en verwamt de gehele aarde. Zij neemt ook steeds dezelfde orde in acht. Heden dezelfde
als morgen etc. Hij geloofde in universele orde principes in de natuur en de mens, hij
zocht naar een natuurlijke onderwijsmethode geschikt voor alle kinderen ongeacht
afkomst of niveau.
9. Waarom moest volgens Comenius iedereen worden onderwezen, ook meisjes
en zwakbegaafden?
Omdat hij geloofde in de algemene vormbaarheid en waardigheid van ieder mens. Hij
vond dat wat onderling verbonden is, ook in samenhang onderwezen moest worden. Hij
geloofde dat dit mogelijk was met een goede methode. Hij vergeleek deze groep ook de
met de zon. Hij vermeldde daarbij: Zij brengt ook alles, wat tegelijk moet bestaan,
tegelijkertijd voort: het hout met schors, de bloem met de bladeren, de vrucht met de
schaal etc. ‘Natuurlijke’ methode in de pedagogiek, gericht op wat kinderen met elkaar
gemeen hebben. Die methode paste bij zijn intentie om vóór alles volksopvoeder te zijn.