Samenvatting AFP periode 4 KTF3
Anatomie en fysiologie van het spijsverteringsstelsel
Les 1 anatomie van het spijsverteringstelsel
Leerdoelen
De student:
1. legt uit waaruit het spijsverteringsstelsel is opgebouwd en welke accessoire
organen hierbij betrokken zijn;
2. legt uit wat de functies zijn van de verschillende organen van het
spijsverteringsstelsel en de accessoire organen
De organen van het spijsverteringskanaal: Accessoire organen:
Mond speekselklieren
Slokdarm lever
Maag galblaas
Dunne darm alvleesklier
Dikke darm
Anus
1. Ingestie:
"Ingestie" verwijst naar het proces van het innemen of consumeren van voedsel of dranken.
Het omvat alles wat betrokken is bij het brengen van voedsel van buiten het lichaam naar
het spijsverteringsstelsel, inclusief het kauwen, slikken en doorgeven van voedsel via de
slokdarm naar de maag. Ingestie is het startpunt van het spijsverteringsproces, waarbij
voedsel wordt voorbereid op verdere verwerking en assimilatie door het lichaam.
2. Mechanische verwerking:
Mechanische verwerking in het spijsverteringsstelsel verwijst naar de fysieke veranderingen
die voedsel ondergaat tijdens de reis door het spijsverteringskanaal. Dit proces begint al in
de mond en gaat door tot in de dikke darm. Enkele belangrijke aspecten van mechanische
verwerking zijn:
Kauwen: Het proces begint in de mond, waar voedsel wordt gekauwd door de
tanden. Hierdoor wordt voedsel verkleind tot kleinere deeltjes, wat het
gemakkelijker maakt om te slikken en verder te verteren.
, Slikken: Zodra voedsel is gekauwd en gevormd tot een bolus, wordt het doorgeslikt
en gaat het door de slokdarm naar de maag. Spieren in de slokdarmwand duwen de
bolus voedsel naar beneden.
Peristaltische bewegingen: Zowel in de slokdarm als in de rest van het
spijsverteringskanaal worden peristaltische bewegingen uitgevoerd. Dit zijn
gecoördineerde samentrekkingen van de spieren in de wand van het
spijsverteringskanaal die helpen bij het voortbewegen van voedsel van het ene punt
naar het andere. In de maag bijvoorbeeld, kneden peristaltische bewegingen het
voedsel en mengen het met maagsappen.
Verdichting in de dikke darm: In de dikke darm wordt water geabsorbeerd uit de
onverteerde resten van voedsel, waardoor de ontlasting wordt gevormd en ingedikt
voordat het wordt uitgescheiden.
3. Vertering
Dit is de chemische afbraak van voedsel in kleinere moleculen. Door enzymen en
maagzuur worden complexe voedingsstoffen zoals koolydraten, eiwitten en vetten
afgebroken tot hun basiseenheden (suikers, aminozuren en vetzuren) die door het
lichaam kunnen worden opgenomen.
4. Secretie:
Secretie verwijst naar het proces waarbij klieren in het lichaam stoffen produceren en
afgeven, zoals spijsverteringssappen en hormonen. In het spijsverteringsstelsel zijn er
verschillende klieren die spijsverteringssappen produceren en afscheiden, zoals
speekselklieren, maagklieren, lever en alvleesklier.
Speekselklieren: Deze klieren produceren speeksel, dat enzymen bevat die helpen bij de
voorvertering van koolhydraten, evenals slijm om voedsel te smeren voor het slikken.
Maagklieren: De maagwand bevat verschillende soorten klieren die maagsap produceren,
bestaande uit zoutzuur, pepsinogeen (dat wordt omgezet in het enzym pepsine), slijm en
intrinsieke factor. Deze stoffen helpen bij het afbreken van voedsel en het doden van
ziekteverwekkers.
Lever: De lever produceert gal, een vloeistof die wordt opgeslagen in de galblaas en wordt
afgegeven in de dunne darm om te helpen bij de vertering en absorptie van vetten.
Alvleesklier: De alvleesklier produceert spijsverteringsenzymen, zoals amylase, lipase en
protease, die worden afgegeven in de dunne darm om te helpen bij de vertering van
koolhydraten, vetten en eiwitten.
5. Opname
,Absorptie van voedingstoffen door de wand van de dunne darm. De
basiseenheden van de voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed of
de lymfe vanuit de darm, waardoor ze naar cellen in het hele lichaam
kunnen worden getransporteerd voor gebruik als energie, groei en herstel.
6. Defecatie
Dit is de uitscheiding van onverteerde en onopneembare resten. Het
verwijderen van afvalproducten en onverteerde voedselresten uit het
lichaam via de anus, waardoor het spijsverteringskanaal wordt geleegd en
het lichaam wordt ontlast van onnodige stoffen.
Maag-/darmstelsel bestaat uit 4 lagen
1. Mucosa: Het slijmvlies, bestaat uit epitheel wordt bevochtigd door klier producten
zogeheten slijmepitheel
2. De submuscosa: los bindweefsel. Bevat bloed en lymfevaten, zenuwweefsel,
sensibele parasympatische motorische neuronen
3. Muscularis externa: glad spierweefsel: binnenste laag kringspieren en buitenste laag
lengtespieren.
4. Serosa: sereus membraan wat grootste deel van verteringskanaal in buikholte
bedekt.
, Orale fase:
de fase begint met het tegen het harde gehemelte aandrukken van het voedsel. Het
terugtrekken van de tong dwingt het voedsel de orofarynx in en helpt het zachte gehemelte
omhoog drukken, waardoor de nasofarynx wordt afgesloten. Is het voedsel eenmaal in de
orofarynx dan begint de reflex wordt het voedsel naar de maag gestuwd.
Pharyngale fase:
de fase begint wanner het voedsel in contact komt met de gehemeltebogen en de
achterwand van de farynx. Het heffen van de larynx en het vouwen van de epiglottis sturen
het voedsel voorbij de gesloten glottis. Tegelijkertijd blokkeren de uvula en het zachte
gehemelte de terugkeer naar de nasofarynx.
De oesophagale fase:
de fase begint wanneer contractie van de faryngeale spieren het voedsel door de toegang
naar de oesofagus duwen. Eenmaal in de oesofagus wordt het voedsel door een
peristaltische golf naar de maag bewogen.
Bolus komt maag binnen:
de nadering van het voedsel zorgt voor het openen van de oesofageale sfincter, zodat het
voedsel in de maag komt.
Anatomie en fysiologie van het spijsverteringsstelsel
Les 1 anatomie van het spijsverteringstelsel
Leerdoelen
De student:
1. legt uit waaruit het spijsverteringsstelsel is opgebouwd en welke accessoire
organen hierbij betrokken zijn;
2. legt uit wat de functies zijn van de verschillende organen van het
spijsverteringsstelsel en de accessoire organen
De organen van het spijsverteringskanaal: Accessoire organen:
Mond speekselklieren
Slokdarm lever
Maag galblaas
Dunne darm alvleesklier
Dikke darm
Anus
1. Ingestie:
"Ingestie" verwijst naar het proces van het innemen of consumeren van voedsel of dranken.
Het omvat alles wat betrokken is bij het brengen van voedsel van buiten het lichaam naar
het spijsverteringsstelsel, inclusief het kauwen, slikken en doorgeven van voedsel via de
slokdarm naar de maag. Ingestie is het startpunt van het spijsverteringsproces, waarbij
voedsel wordt voorbereid op verdere verwerking en assimilatie door het lichaam.
2. Mechanische verwerking:
Mechanische verwerking in het spijsverteringsstelsel verwijst naar de fysieke veranderingen
die voedsel ondergaat tijdens de reis door het spijsverteringskanaal. Dit proces begint al in
de mond en gaat door tot in de dikke darm. Enkele belangrijke aspecten van mechanische
verwerking zijn:
Kauwen: Het proces begint in de mond, waar voedsel wordt gekauwd door de
tanden. Hierdoor wordt voedsel verkleind tot kleinere deeltjes, wat het
gemakkelijker maakt om te slikken en verder te verteren.
, Slikken: Zodra voedsel is gekauwd en gevormd tot een bolus, wordt het doorgeslikt
en gaat het door de slokdarm naar de maag. Spieren in de slokdarmwand duwen de
bolus voedsel naar beneden.
Peristaltische bewegingen: Zowel in de slokdarm als in de rest van het
spijsverteringskanaal worden peristaltische bewegingen uitgevoerd. Dit zijn
gecoördineerde samentrekkingen van de spieren in de wand van het
spijsverteringskanaal die helpen bij het voortbewegen van voedsel van het ene punt
naar het andere. In de maag bijvoorbeeld, kneden peristaltische bewegingen het
voedsel en mengen het met maagsappen.
Verdichting in de dikke darm: In de dikke darm wordt water geabsorbeerd uit de
onverteerde resten van voedsel, waardoor de ontlasting wordt gevormd en ingedikt
voordat het wordt uitgescheiden.
3. Vertering
Dit is de chemische afbraak van voedsel in kleinere moleculen. Door enzymen en
maagzuur worden complexe voedingsstoffen zoals koolydraten, eiwitten en vetten
afgebroken tot hun basiseenheden (suikers, aminozuren en vetzuren) die door het
lichaam kunnen worden opgenomen.
4. Secretie:
Secretie verwijst naar het proces waarbij klieren in het lichaam stoffen produceren en
afgeven, zoals spijsverteringssappen en hormonen. In het spijsverteringsstelsel zijn er
verschillende klieren die spijsverteringssappen produceren en afscheiden, zoals
speekselklieren, maagklieren, lever en alvleesklier.
Speekselklieren: Deze klieren produceren speeksel, dat enzymen bevat die helpen bij de
voorvertering van koolhydraten, evenals slijm om voedsel te smeren voor het slikken.
Maagklieren: De maagwand bevat verschillende soorten klieren die maagsap produceren,
bestaande uit zoutzuur, pepsinogeen (dat wordt omgezet in het enzym pepsine), slijm en
intrinsieke factor. Deze stoffen helpen bij het afbreken van voedsel en het doden van
ziekteverwekkers.
Lever: De lever produceert gal, een vloeistof die wordt opgeslagen in de galblaas en wordt
afgegeven in de dunne darm om te helpen bij de vertering en absorptie van vetten.
Alvleesklier: De alvleesklier produceert spijsverteringsenzymen, zoals amylase, lipase en
protease, die worden afgegeven in de dunne darm om te helpen bij de vertering van
koolhydraten, vetten en eiwitten.
5. Opname
,Absorptie van voedingstoffen door de wand van de dunne darm. De
basiseenheden van de voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed of
de lymfe vanuit de darm, waardoor ze naar cellen in het hele lichaam
kunnen worden getransporteerd voor gebruik als energie, groei en herstel.
6. Defecatie
Dit is de uitscheiding van onverteerde en onopneembare resten. Het
verwijderen van afvalproducten en onverteerde voedselresten uit het
lichaam via de anus, waardoor het spijsverteringskanaal wordt geleegd en
het lichaam wordt ontlast van onnodige stoffen.
Maag-/darmstelsel bestaat uit 4 lagen
1. Mucosa: Het slijmvlies, bestaat uit epitheel wordt bevochtigd door klier producten
zogeheten slijmepitheel
2. De submuscosa: los bindweefsel. Bevat bloed en lymfevaten, zenuwweefsel,
sensibele parasympatische motorische neuronen
3. Muscularis externa: glad spierweefsel: binnenste laag kringspieren en buitenste laag
lengtespieren.
4. Serosa: sereus membraan wat grootste deel van verteringskanaal in buikholte
bedekt.
, Orale fase:
de fase begint met het tegen het harde gehemelte aandrukken van het voedsel. Het
terugtrekken van de tong dwingt het voedsel de orofarynx in en helpt het zachte gehemelte
omhoog drukken, waardoor de nasofarynx wordt afgesloten. Is het voedsel eenmaal in de
orofarynx dan begint de reflex wordt het voedsel naar de maag gestuwd.
Pharyngale fase:
de fase begint wanner het voedsel in contact komt met de gehemeltebogen en de
achterwand van de farynx. Het heffen van de larynx en het vouwen van de epiglottis sturen
het voedsel voorbij de gesloten glottis. Tegelijkertijd blokkeren de uvula en het zachte
gehemelte de terugkeer naar de nasofarynx.
De oesophagale fase:
de fase begint wanneer contractie van de faryngeale spieren het voedsel door de toegang
naar de oesofagus duwen. Eenmaal in de oesofagus wordt het voedsel door een
peristaltische golf naar de maag bewogen.
Bolus komt maag binnen:
de nadering van het voedsel zorgt voor het openen van de oesofageale sfincter, zodat het
voedsel in de maag komt.