1
PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE: korte herhaling
HOC’s = 27 pagina’s
H1 - Inleiding 3p
H2 - Freud 5p
H3 - Horney 4p
H4 - Rogers 4p
H5 - Allport 3p
H6 - McCrae en Costa (+ Cattel) 3p
H7 - Eysenck 3p
H8 - Walter Mischel 3p
WPO’s
H1 - psychodynamisch paradigma 6p
H2 - multivariaat meet paradigma NIET SAMENGEVAT
H3 - interpersoonlijk meet paradigma 4p
oefenvragen/oude examenvragen = 12 pagina’s
, 2
INLEIDING
psychodynamisch Freud en Horney
- verdrongen herinneringen uit de kindertijd, ONBEWUSTE
humanistisch/existentieel Rogers
- positieve aspecten van gedrag zoals geluk = menselijke theorie
- behoefte om te groeien als bewuste keuze
dispositioneel Allport, McCrae en Costa
- mensen gedragen zich op unieke manier, maar voor zichzelf wel consistent
- unieke van de persoon → Allport
- Welke belangrijke trek dimensies vinden we bij iedereen terug?-McCrae en Costa
biologisch/evolutionair Eysenck
- biologische/genetische invloeden op PH (hersenstructuren, genen)
leertheorie - sociaal cognitieve Mischel
- cognitief affectieve eenheden
Wat is persoonlijkheid?
- komt van persona = masker, droegen de Romeinen tijdens een theatervoorstelling
- een patroon van relatief permanente karaktertrekken/traits en unieke kenmerken die
zowel voor consistentie als individualiteit zorgen in het gedrag van een persoon
karaktertrekken/traits
- consistentie over tijd: verandert niet, enkel door ingrijpende levensgebeurtenis
- individuele verschillen in gedrag
- stabiliteit over situaties
kenmerken = unieke kwaliteiten, gaat meer over hoe je prikkels/informatie verwerkt
Wat is een theorie?
= een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers toelaten om obv logisch
DEDUCTIEF redeneren testbare hypotheses te formuleren, een dynamisch proces
- theorie is geen volkswijsheid, want volkswijsheid is niet testbaar en wordt geen
onderzoek naar gedaan → bij een theorie WEL
theorie is verwant met, MAAR verschillend van
- filosofie = hanteert waarden, veel breder dan theorie, heeft regels over magjes of
moetjes ⇔ theorie: als dan
- speculatie = theorie moet verbonden zijn aan empirische data en wetenschap
- hypothese = specifiek vermoeden dat getest kan worden adhv een
wetenschappelijke methode, je moet je theorie onderbouwen en deductief redeneren
dmv een hypothese en onderzoek
- taxonomie = classificatie volgens natuurlijke relaties, classificatie is een noodzaak
bij wetenschap
, 3
Waarom bestaan eerdere theorieën?
- theoretici: verschillende persoonlijke achtergrond: kindertijd, interpersoonlijke relaties
- verschillende filosofische oriëntaties: interesses, eigen/unieke kijk op de wereld
- data die gekozen wordt om te observeren is verschillend
psychology of science/ psychologie van de wetenschap
= empirische studie v/h wetenschappelijk denken en gedrag (incl. theorie constructie) van
een wetenschapper → m.a.w. de persoonlijkheden en de psychologie van verschillende
theoretici beïnvloedt de aard van de theorieën die ze ontwikkelen
criteria voor evalueren/beoordelen van theorie
1. genereert onderzoek (belangrijkste functie)
2. is falsifieerbaar (te controleren, verifiëren)
3. organiseert gekende data
4. leidt tot handelen (praktisch)
5. intern consistent: operationele definitie = observaties/gedragingen die je kan meten
6. spaarzaam (niet complexer dan nodig)
dimensies voor een concept over de mensheid: theorieën van elkaar onderscheiden
- determinisme (alles is vooraf bepaald) ⇔ vrije keuze
- pessimisme ⇔ optimisme
- causaliteit (in termen van verleden) ⇔ teleologie (in termen van toekomstige doelen)
- bewuste ⇔ onbewuste determinanten van gedrag
- biologische (erfelijkheid, nature) ⇔ sociale (nurture)
- individualiteit ⇔ similariteit (gelijkenis)
onderzoek naar persoonlijkheidstheorieën
- systematische observaties: predicties (voorspellingen) zijn consistent en accuraat
- 2 empirische criteria voor meetinstrumenten
1. betrouwbaarheid/reliability = consistentie van het meten
- bv test-hertest betrouwbaarheid = stabiele kenmerken blijven hetzelfde bij de tweede
test een tijdje later
- interne consistentie = alle items moeten onderling goed samenhangen en met het te
onderzoeken kenmerk
2. validiteit = mate waarin meetinstrument effectief meet wat het behoort te meten
- constructvaliditeit = mate waarin instrument bepaald psychologisch construct meet
- convergerend = mate waarin een test sterk correleert met andere testen die
hetzelfde construct meten → je wil een hoge correlatie met vragenlijsten die
hetzelfde construct meten
- divergerend = mate waarin een test niet correleert met testen die een ander
construct meten → je wil geen correlatie met vragenlijsten die een ander
construct meten
- discriminant = vragenlijst discrimineert tussen groepen mensen waarvan je
weet dat ze verschillend zijn, dus een test die een duidelijk onderscheid kan
maken tussen 2 verschillende constructen (bv introvert en extravert)
- predictieve validiteit = mate waarin test toekomstig gedrag kan voorspellen
PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE: korte herhaling
HOC’s = 27 pagina’s
H1 - Inleiding 3p
H2 - Freud 5p
H3 - Horney 4p
H4 - Rogers 4p
H5 - Allport 3p
H6 - McCrae en Costa (+ Cattel) 3p
H7 - Eysenck 3p
H8 - Walter Mischel 3p
WPO’s
H1 - psychodynamisch paradigma 6p
H2 - multivariaat meet paradigma NIET SAMENGEVAT
H3 - interpersoonlijk meet paradigma 4p
oefenvragen/oude examenvragen = 12 pagina’s
, 2
INLEIDING
psychodynamisch Freud en Horney
- verdrongen herinneringen uit de kindertijd, ONBEWUSTE
humanistisch/existentieel Rogers
- positieve aspecten van gedrag zoals geluk = menselijke theorie
- behoefte om te groeien als bewuste keuze
dispositioneel Allport, McCrae en Costa
- mensen gedragen zich op unieke manier, maar voor zichzelf wel consistent
- unieke van de persoon → Allport
- Welke belangrijke trek dimensies vinden we bij iedereen terug?-McCrae en Costa
biologisch/evolutionair Eysenck
- biologische/genetische invloeden op PH (hersenstructuren, genen)
leertheorie - sociaal cognitieve Mischel
- cognitief affectieve eenheden
Wat is persoonlijkheid?
- komt van persona = masker, droegen de Romeinen tijdens een theatervoorstelling
- een patroon van relatief permanente karaktertrekken/traits en unieke kenmerken die
zowel voor consistentie als individualiteit zorgen in het gedrag van een persoon
karaktertrekken/traits
- consistentie over tijd: verandert niet, enkel door ingrijpende levensgebeurtenis
- individuele verschillen in gedrag
- stabiliteit over situaties
kenmerken = unieke kwaliteiten, gaat meer over hoe je prikkels/informatie verwerkt
Wat is een theorie?
= een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers toelaten om obv logisch
DEDUCTIEF redeneren testbare hypotheses te formuleren, een dynamisch proces
- theorie is geen volkswijsheid, want volkswijsheid is niet testbaar en wordt geen
onderzoek naar gedaan → bij een theorie WEL
theorie is verwant met, MAAR verschillend van
- filosofie = hanteert waarden, veel breder dan theorie, heeft regels over magjes of
moetjes ⇔ theorie: als dan
- speculatie = theorie moet verbonden zijn aan empirische data en wetenschap
- hypothese = specifiek vermoeden dat getest kan worden adhv een
wetenschappelijke methode, je moet je theorie onderbouwen en deductief redeneren
dmv een hypothese en onderzoek
- taxonomie = classificatie volgens natuurlijke relaties, classificatie is een noodzaak
bij wetenschap
, 3
Waarom bestaan eerdere theorieën?
- theoretici: verschillende persoonlijke achtergrond: kindertijd, interpersoonlijke relaties
- verschillende filosofische oriëntaties: interesses, eigen/unieke kijk op de wereld
- data die gekozen wordt om te observeren is verschillend
psychology of science/ psychologie van de wetenschap
= empirische studie v/h wetenschappelijk denken en gedrag (incl. theorie constructie) van
een wetenschapper → m.a.w. de persoonlijkheden en de psychologie van verschillende
theoretici beïnvloedt de aard van de theorieën die ze ontwikkelen
criteria voor evalueren/beoordelen van theorie
1. genereert onderzoek (belangrijkste functie)
2. is falsifieerbaar (te controleren, verifiëren)
3. organiseert gekende data
4. leidt tot handelen (praktisch)
5. intern consistent: operationele definitie = observaties/gedragingen die je kan meten
6. spaarzaam (niet complexer dan nodig)
dimensies voor een concept over de mensheid: theorieën van elkaar onderscheiden
- determinisme (alles is vooraf bepaald) ⇔ vrije keuze
- pessimisme ⇔ optimisme
- causaliteit (in termen van verleden) ⇔ teleologie (in termen van toekomstige doelen)
- bewuste ⇔ onbewuste determinanten van gedrag
- biologische (erfelijkheid, nature) ⇔ sociale (nurture)
- individualiteit ⇔ similariteit (gelijkenis)
onderzoek naar persoonlijkheidstheorieën
- systematische observaties: predicties (voorspellingen) zijn consistent en accuraat
- 2 empirische criteria voor meetinstrumenten
1. betrouwbaarheid/reliability = consistentie van het meten
- bv test-hertest betrouwbaarheid = stabiele kenmerken blijven hetzelfde bij de tweede
test een tijdje later
- interne consistentie = alle items moeten onderling goed samenhangen en met het te
onderzoeken kenmerk
2. validiteit = mate waarin meetinstrument effectief meet wat het behoort te meten
- constructvaliditeit = mate waarin instrument bepaald psychologisch construct meet
- convergerend = mate waarin een test sterk correleert met andere testen die
hetzelfde construct meten → je wil een hoge correlatie met vragenlijsten die
hetzelfde construct meten
- divergerend = mate waarin een test niet correleert met testen die een ander
construct meten → je wil geen correlatie met vragenlijsten die een ander
construct meten
- discriminant = vragenlijst discrimineert tussen groepen mensen waarvan je
weet dat ze verschillend zijn, dus een test die een duidelijk onderscheid kan
maken tussen 2 verschillende constructen (bv introvert en extravert)
- predictieve validiteit = mate waarin test toekomstig gedrag kan voorspellen