Sociaal-economische kaders
Deel 2: De grote bewegingen,
groepen en keuzes
Hoofdstuk 4: De bewegingen van de
economie
1. DE ECONOMISCHE KRINGLOOP
- Menselijk leven = dagelijks terugkerende kringloop van produceren en consumeren
1.1 DE EENVOUDIGE KRINGLOOP
- Om te kunnen
produceren hebben de
ondernemingen
productiefactoren nodig
o Land, arbeid en
kapitaal
- Gezinnen leveren die
factoren en krijgen
hiervoor een vergoeding
in de vorm van rente en
pacht, loon, interest of winst
o Vormen van inkomen van gezinnen
- Inkomen besteden aan aankoop van goederen en diensten, geleverd door ondernemingen
- Ontvangsten van ondernemingen dienen weer voor aankoop van productiefactoren
- 2 kringlopen: goederen- en geldkringloop
- Goederenkringloop
o Gezinnen leveren productiefactoren aan ondernemingen
o Die laatste produceren voor gezinnen goederen en diensten
o Stroom van productiefactoren en stroom van goederen en diensten onderscheiden
- Geldkringloop
o Ondernemingen betalen de gezinnen voor de geleverde productiefactoren
1
,Sociaal-economische kaders
o Inkomen besteden gezinnen aan de aankoop van goederen en diensten
o Geld vloeit terug naar bedrijven
o Onderscheiden inkomensstroom (inkomen = betaling voor leveren van
productiefactoren) en prijzenstroom (prijs= betaling voor goed of dienst)
- Soorten factordiensten/productiefactoren en -vergoedingen
o Vergoeding arbeid: Loon van de arbeider
o Vergoeding natuur: Huurgelden voor het verhuren van grond
o Vergoeding kapitaal: Intrest van de lening aangegaan voor de aankoop van een
machine
- Goederen- en geldkringloop ontmoeten ontstaan prijs
o = markt
Markt waar arbeid en kapitaal aan de ondernemingen worden verkocht
Markt waar goederen en diensten aan gezinnen worden verkocht
1.2 DE VOLLEDIGE KRINGLOOP
- Rol overheid belangrijke medespeler
o Levert factordiensten (goederen)
o Levert goederen en diensten (goederen)
o Schaft goederen en diensten aan (goederen)
o Werkingsmiddelen halen uit
Innen belastingen (geld)
Direct (inkomensstroom)
Indirect (prijzenstroom)
o Uitgaven naar
Inkomensstroom: lonen, transfers
Prijzenstroom: subsidies en betalingen van overheidsconsumptie
- Overheid neemt een herverdelende rol op zich
- Rol buitenland goederen en diensten, kapitaal en arbeid
o Import
o Export
- De overheid kan niet neutraal zijn toevoegen in het model
2
,Sociaal-economische kaders
- De samenhang tussen productie, inkomens en
bestedingen
- Productiefactoren: om economische goederen
en diensten voort te brengen
- Gezinnen stellen arbeid ter beschikking aan de
bedrijven.
- Producten: totale productie wordt aan de
gezinnen (consumptiegoederen) of aan
bedrijven (kapitaalgoederen) verkocht.
- Volle pijl: reële kringloop: goederen en producten, productiefactoren en producten
- Stippellijn: geldkringloop/prijzenstroom
De goederenkringloop
Rood = verschillende actoren
PRODUCTIEFACTORENSTROMEN
1. 1.Gezinnen leveren arbeid (ambtenaren) en kapitaal (staatsobligaties) aan de overheid
2. 2.Gezinnen leveren arbeid (werknemers), kapitaal (aandelen) en natuur (landbouwgrond)
aan bedrijven
3. 3.Gezinnen leveren arbeid (grensarbeiders) en kapitaal (leningen) aan het buitenland
4. 4.De overheid levert kapitaal (aandelen) aan bedrijven investering
5. 5.Bedrijven leveren kapitaal aan het buitenland
6. Het buitenland levert arbeid (gastarbeiders) en kapitaal aan het binnenland
3
, Sociaal-economische kaders
GOEDERENSTROMEN
7. De overheid levert collectieve goederen (politie) en diensten (post) aan gezinnen
1. 8.De overheid levert transportdiensten (NMBS) aan bedrijven, levert diensten (telefoon) aan
de overheid
2. 9.De overheid levert goederen aan het buitenland (noodhulp)
3. 10. Bedrijven leveren goederen en diensten aan gezinnen
4. 11.De bedrijven leveren goederen aan het buitenland (export)
5. 12.Het buiteland levert goederen en diensten aan het binnenland (import)
De geldkringloop
INKOMENSSTROMEN
1. Gezinnen ontvangen loon (ambtenaren) en interest (staatsobligaties) van de overheid
1. 2.De overheid ontvangt geld van gezinnen (directe belastingen)
2. 3.Gezinnen ontvangen loon (werknemers) en dividenden (aandelen) van bedrijven
3. 4.Gezinnen ontvangen loon (grensarbeiders) en interest (leningen) van het buitenland
4. 5.De overheid ontvangt dividenden (aandelen) en belastingen van bedrijven
5. 6.Bedrijven strijken winst uit het buitenland op
6. Het buiteland ontvangt loon (gastarbeiders) en interest (leningen) en bijdragen (EU) van het
binnenland (negatieve inkomensstroom); het binnenland ontvangt bijdragen van het
buitenland (EU)
4
Deel 2: De grote bewegingen,
groepen en keuzes
Hoofdstuk 4: De bewegingen van de
economie
1. DE ECONOMISCHE KRINGLOOP
- Menselijk leven = dagelijks terugkerende kringloop van produceren en consumeren
1.1 DE EENVOUDIGE KRINGLOOP
- Om te kunnen
produceren hebben de
ondernemingen
productiefactoren nodig
o Land, arbeid en
kapitaal
- Gezinnen leveren die
factoren en krijgen
hiervoor een vergoeding
in de vorm van rente en
pacht, loon, interest of winst
o Vormen van inkomen van gezinnen
- Inkomen besteden aan aankoop van goederen en diensten, geleverd door ondernemingen
- Ontvangsten van ondernemingen dienen weer voor aankoop van productiefactoren
- 2 kringlopen: goederen- en geldkringloop
- Goederenkringloop
o Gezinnen leveren productiefactoren aan ondernemingen
o Die laatste produceren voor gezinnen goederen en diensten
o Stroom van productiefactoren en stroom van goederen en diensten onderscheiden
- Geldkringloop
o Ondernemingen betalen de gezinnen voor de geleverde productiefactoren
1
,Sociaal-economische kaders
o Inkomen besteden gezinnen aan de aankoop van goederen en diensten
o Geld vloeit terug naar bedrijven
o Onderscheiden inkomensstroom (inkomen = betaling voor leveren van
productiefactoren) en prijzenstroom (prijs= betaling voor goed of dienst)
- Soorten factordiensten/productiefactoren en -vergoedingen
o Vergoeding arbeid: Loon van de arbeider
o Vergoeding natuur: Huurgelden voor het verhuren van grond
o Vergoeding kapitaal: Intrest van de lening aangegaan voor de aankoop van een
machine
- Goederen- en geldkringloop ontmoeten ontstaan prijs
o = markt
Markt waar arbeid en kapitaal aan de ondernemingen worden verkocht
Markt waar goederen en diensten aan gezinnen worden verkocht
1.2 DE VOLLEDIGE KRINGLOOP
- Rol overheid belangrijke medespeler
o Levert factordiensten (goederen)
o Levert goederen en diensten (goederen)
o Schaft goederen en diensten aan (goederen)
o Werkingsmiddelen halen uit
Innen belastingen (geld)
Direct (inkomensstroom)
Indirect (prijzenstroom)
o Uitgaven naar
Inkomensstroom: lonen, transfers
Prijzenstroom: subsidies en betalingen van overheidsconsumptie
- Overheid neemt een herverdelende rol op zich
- Rol buitenland goederen en diensten, kapitaal en arbeid
o Import
o Export
- De overheid kan niet neutraal zijn toevoegen in het model
2
,Sociaal-economische kaders
- De samenhang tussen productie, inkomens en
bestedingen
- Productiefactoren: om economische goederen
en diensten voort te brengen
- Gezinnen stellen arbeid ter beschikking aan de
bedrijven.
- Producten: totale productie wordt aan de
gezinnen (consumptiegoederen) of aan
bedrijven (kapitaalgoederen) verkocht.
- Volle pijl: reële kringloop: goederen en producten, productiefactoren en producten
- Stippellijn: geldkringloop/prijzenstroom
De goederenkringloop
Rood = verschillende actoren
PRODUCTIEFACTORENSTROMEN
1. 1.Gezinnen leveren arbeid (ambtenaren) en kapitaal (staatsobligaties) aan de overheid
2. 2.Gezinnen leveren arbeid (werknemers), kapitaal (aandelen) en natuur (landbouwgrond)
aan bedrijven
3. 3.Gezinnen leveren arbeid (grensarbeiders) en kapitaal (leningen) aan het buitenland
4. 4.De overheid levert kapitaal (aandelen) aan bedrijven investering
5. 5.Bedrijven leveren kapitaal aan het buitenland
6. Het buitenland levert arbeid (gastarbeiders) en kapitaal aan het binnenland
3
, Sociaal-economische kaders
GOEDERENSTROMEN
7. De overheid levert collectieve goederen (politie) en diensten (post) aan gezinnen
1. 8.De overheid levert transportdiensten (NMBS) aan bedrijven, levert diensten (telefoon) aan
de overheid
2. 9.De overheid levert goederen aan het buitenland (noodhulp)
3. 10. Bedrijven leveren goederen en diensten aan gezinnen
4. 11.De bedrijven leveren goederen aan het buitenland (export)
5. 12.Het buiteland levert goederen en diensten aan het binnenland (import)
De geldkringloop
INKOMENSSTROMEN
1. Gezinnen ontvangen loon (ambtenaren) en interest (staatsobligaties) van de overheid
1. 2.De overheid ontvangt geld van gezinnen (directe belastingen)
2. 3.Gezinnen ontvangen loon (werknemers) en dividenden (aandelen) van bedrijven
3. 4.Gezinnen ontvangen loon (grensarbeiders) en interest (leningen) van het buitenland
4. 5.De overheid ontvangt dividenden (aandelen) en belastingen van bedrijven
5. 6.Bedrijven strijken winst uit het buitenland op
6. Het buiteland ontvangt loon (gastarbeiders) en interest (leningen) en bijdragen (EU) van het
binnenland (negatieve inkomensstroom); het binnenland ontvangt bijdragen van het
buitenland (EU)
4