Les 1: Introductie
Leerdoelen:
- Kent de belangrijkste theoretische kaders;
- Kent de belangrijkste concepten, auteurs en werken en kan deze
beschrijven en vergelijken;
- Heeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van deze kaders voor
het duiden van de beleidspraktijk;
- Kan deze kaders toepassen op reële oefeningen of cases.
Theoros:
- Zijn de eerste diplomaten uit het oude Griekenland;
- ‘Theoros’ werden uitgestuurd om te observeren/zien/begrijpen/bestuderen
wat er in andere stadstaten gebeurt;
Belangrijke termen in hedendaagse media, die in dit vak behandeld
zullen worden:
- Realisme/Realpolitik (denken de werkelijkheid te snappen, zó werkt het);
- Geopolitiek;
- Liberalisme;
- Ecomodernisme/ecoradicalisme;
- Privilege/hierarchie (kennis, termen en ideologie zijn niet neutraal);
o Menselijk privilege;
o Mannelijk privilege;
o Westers privilige.
Waarom zijn (internationale) theorieën moeilijk?
- Grote diversiteit aan gezichten en inzichten, er is niet maar 1 theorie;
o Er bestaat geen één duidelijk/juist antwoord. Er zijn verschillende
brillen.
- Theoretici als goede verkopers, schrijvers/denkers verkopen hun theorie
als de beste;
- Theorie als keurslijf/belemmerend;
o Theorieën zijn beklemmend, het valt binnen één kader. Beklemmend
keurslijf vs zoektocht naar vrijheid;
o Men kijkt liever naar het unieke van een gebeurtenissen, in plaats
van de generaliseerbaarheid.
Drie studieboeken:
- Handboek: International Relations Theory (K. Jorgensen);
o Grondig maar systematisch. Gebruikt een boommodel. De
aftakkingen zijn achtereenvolgens: Tradities, Stromingen en
theorieën.;
o Brede definitie met veel kaders;
o Aandacht voor grotere plaatje (meta-theorie). Verschillende
invalshoeken:
, Ontologie (studieobjecten), epistemologie (kennis over
studieobjecten) en methodologie (methode die gebruikt wordt
om kennis op te doen);
o Oog voor praktische toepassing;
Er zijn ook non-believers (we kunnen niks met theorie);
Er zijn twijfelaars (ja, maar privileges etc);
En dan nog believers. Theorie helpt bij aanscherpen van
analytische competenties (wat moet ik wel en niet
onderzoeken), handig leidraad bij je onderzoek. Het helpt je
als academicus.
o Kanttekening: Verschillende teksten van verschillende auteurs: niet
iedereen wilt in een hokje geplaatst worden (behalve realisten).
- Vierledig: nut van theorie voor beleidsmakers:
Diagnose;
Voorspelling;
Advies;
Evaluatie.
o Oplossing: Academische wereld moet de hand reiken aan de
beleidswereld:
Nood aan meer heterogene academische wereld;
En dit op alle niveaus.
o Er is dus een kloof tussen beleidsmakers en academici (hierover
komt een examenvraag!!):
Jargon, methodologische onderbouwing, wel of geen plagiaat;
Er zijn nieuwe aanbieders van informatie (think thanks).
o Persoonlijke ervaring: “Embedded capital”.
- Boekje 3: Theories of International Politics and Zombies, Apocalypse
edition (D. Drezner).
o Schrijft in elk hoofdstuk vanuit een andere bril over zombies
(transnationaal veiligheidsprobleem).
,Les 2: Inleiding
Smith (Post-positivisme, kritische blik op positivisme)
- Denkt na over de nut van theorie: Believers, non-believers en twijfelaars.
- Hij ziet een theorie als een bepaalde kleur bril (framing). Het construeert
wat je ziet. Hij geeft een aantal voorbeelden:
o Realisme: Internationale politiek bestaat uit conflicten tussen landen
die aan zichzelf denken;
o Liberalisme: property, political equality;
o Marxisme: haves vs have nots, clash of economic interests;
o Constructivisme;
o Conflict theorieën.
Wereld van debat: Een kapstok (Debat1, Debat2, Debat3, Debat4).
- Meeste auteurs presenteren de ontwikkeling van het studiegebied als een
chronologische opvolging van 4 debatten - > Handboek wijkt hier vanaf:
Jorgensen focust op inter-traditie en intra-traditiedebebatten;
- Debat 1: voor tijdens na wo2: idealisme vs realisme
o Idealisme (liberalisme): Recht, Organisaties, Interdependentie,
Samenwerking, vrede. Oorlog kan voorkomen/ een betere wereld
kan bereikt worden door organisaties en kennis.
o Realisme: Macht, Staat, Veiligheid, Conflict, Oorlog. Gaan ook uit van
vooruitgang en een betere wereld bereiken, maar dan d.m.v.
conflict. Zij geven idealisten ongelijk, omdat er na de 1 e
wereldoorlog ook nog een tweede kwam.
o Oorlogscontext: idealisme wil oorlog voorkomen door internationale
organisatie en kennis.
o Realistische kritiek: de wereld zoals ze is of zoals ze wenst?
(droomwereld). Zij stellen dat idealisten macht en machtspolitiek
onderschatten. Bovendien stellen ze dat idealisten mogelijkheden
tot samenwerking overschatten. Daarnaast vinden ze het weinig
systematisch en normatief; methodologisch klopt het ook niet.
o Overwinnaar: Realisme.
- Debat 2: 1950/1960: traditionele aanpak vs moderne aanpak
o Traditioneel: Begrijpen, normen/waarden, interpretatie, historische
kennis.
o Modern: Verklaren, hypothesen/data/variabelen, meten/testen,
wetenschappelijke kennis. (meten is weten)
o Het debat zit hem dus in de aanpak/methodologie. Welke
methodologie moeten we gebruiken om de wereld te begrijpen?
Behaviouralisten (economisch en sociaal/politiek-
wetenschappelijke scholing; VS) stellen traditionele methode
in vraag (filosofie, geschiedenis en recht)
Stellen een positivistische werkwijze voor: meten=weten
Moderne aanpakt wint. Blijvende invloed op de manier van
werken.
, - Debat 3: 1960/1970: (Neo)Realisme/Liberalisme vs Neo-marxisme
o Neo-realisme vs neo-liberalisme. Hier zit het debat. Ze zijn dichterbij
elkaar gekomen, maar hebben nog wel tegenstellingen.
o Neo-Marxisme: kapitalisme, onderdrukking en afhankelijkheid. (zij
zijn een losstaande planeet in deze tijd, zij bemoeien zich niet met
de traditionele discussie). Dit zijn losse paradigma’s.
Context van dekolonisatie.
Interparadigma debat: debat tussen losstaande werelden.
Each paradigm construct sits own basic units (concepts) and
questions – and thereby its data, its criteria and not least its
stories about paradigmatic experiments or similar scientific
events. Paradigms are incommensurable (onvergelijkbaar)
because each generates its own criteria of judgement and its
own ‘language’.
- Debat 4: sinds 1985: gevestigde tradities vs post-positivisme
o Gevestigde tradities: (neo)realisme, (neo)liberalisme, international
society, international political, economy
o Post-positivisme: thema’s, methode. (reactie op gevestigde, waarbij
ze vinden dat er foutieve methoden zijn gebruikt en te weinig
aandacht aan sommige thema’s zoals milieu.
o Alternatieve benamingen: explaining/understanding.
o Het dekoloniseren van internationale politiek: een switch naar
globale internationale politiek en dus andere beschavingen meer
centraal stellen. Diversiteit aan visies.
o The rest vs the west. The rest is niet passief, zij kunnen ook norm-
makers zijn. Het westen is tot nu toe te bepalend geweest.
- Kanttekening 1, didactisch hulpmiddel: er was niet echt een debat, maar
het maakt het overzichtelijk/presenteerbaar.
- Kanttekening 2, post-factum explicitering. Werd pas achteraf duidelijk dat
het een debat was(?):
- Kanttekening 3, eenrichtingsverkeer. Debat/dialoog of eenrichtingsverkeer?
- Kanttekening 4, problematisering. Relativering: heen/weergeroep tussen
extremen of problematisering? Meeste zijn vrij mild en problematiseren
slechts enkele concepten.
- Kanttekening 5, (neo-neo)synthese. Debat kan er ook voor zorgen dat men
naar elkaar toegroeit voor een synthese.
- Kanttekening 6. Intra-traditiedebat. Debat is complexer dan kapstok en
kampen. Je kijkt te weinig naar de diversiteit binnen bepaalde stromingen
als realisme, liberalisme etc.
KIJK NAAR DE VOORBEELDVRAGEN IN DE SLIDES
Volgende les: Bril van realisme en liberalisme opzetten: lezen in het zombie-
boekje. (zwart/realisme-wit/liberalisme)
Realisme is in dit boekje Realpolitik. Liberalisme is liberalism.
Realisme is de bril (denken), realpolitik is de bedrijvende vorm (doen)
Leerdoelen:
- Kent de belangrijkste theoretische kaders;
- Kent de belangrijkste concepten, auteurs en werken en kan deze
beschrijven en vergelijken;
- Heeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van deze kaders voor
het duiden van de beleidspraktijk;
- Kan deze kaders toepassen op reële oefeningen of cases.
Theoros:
- Zijn de eerste diplomaten uit het oude Griekenland;
- ‘Theoros’ werden uitgestuurd om te observeren/zien/begrijpen/bestuderen
wat er in andere stadstaten gebeurt;
Belangrijke termen in hedendaagse media, die in dit vak behandeld
zullen worden:
- Realisme/Realpolitik (denken de werkelijkheid te snappen, zó werkt het);
- Geopolitiek;
- Liberalisme;
- Ecomodernisme/ecoradicalisme;
- Privilege/hierarchie (kennis, termen en ideologie zijn niet neutraal);
o Menselijk privilege;
o Mannelijk privilege;
o Westers privilige.
Waarom zijn (internationale) theorieën moeilijk?
- Grote diversiteit aan gezichten en inzichten, er is niet maar 1 theorie;
o Er bestaat geen één duidelijk/juist antwoord. Er zijn verschillende
brillen.
- Theoretici als goede verkopers, schrijvers/denkers verkopen hun theorie
als de beste;
- Theorie als keurslijf/belemmerend;
o Theorieën zijn beklemmend, het valt binnen één kader. Beklemmend
keurslijf vs zoektocht naar vrijheid;
o Men kijkt liever naar het unieke van een gebeurtenissen, in plaats
van de generaliseerbaarheid.
Drie studieboeken:
- Handboek: International Relations Theory (K. Jorgensen);
o Grondig maar systematisch. Gebruikt een boommodel. De
aftakkingen zijn achtereenvolgens: Tradities, Stromingen en
theorieën.;
o Brede definitie met veel kaders;
o Aandacht voor grotere plaatje (meta-theorie). Verschillende
invalshoeken:
, Ontologie (studieobjecten), epistemologie (kennis over
studieobjecten) en methodologie (methode die gebruikt wordt
om kennis op te doen);
o Oog voor praktische toepassing;
Er zijn ook non-believers (we kunnen niks met theorie);
Er zijn twijfelaars (ja, maar privileges etc);
En dan nog believers. Theorie helpt bij aanscherpen van
analytische competenties (wat moet ik wel en niet
onderzoeken), handig leidraad bij je onderzoek. Het helpt je
als academicus.
o Kanttekening: Verschillende teksten van verschillende auteurs: niet
iedereen wilt in een hokje geplaatst worden (behalve realisten).
- Vierledig: nut van theorie voor beleidsmakers:
Diagnose;
Voorspelling;
Advies;
Evaluatie.
o Oplossing: Academische wereld moet de hand reiken aan de
beleidswereld:
Nood aan meer heterogene academische wereld;
En dit op alle niveaus.
o Er is dus een kloof tussen beleidsmakers en academici (hierover
komt een examenvraag!!):
Jargon, methodologische onderbouwing, wel of geen plagiaat;
Er zijn nieuwe aanbieders van informatie (think thanks).
o Persoonlijke ervaring: “Embedded capital”.
- Boekje 3: Theories of International Politics and Zombies, Apocalypse
edition (D. Drezner).
o Schrijft in elk hoofdstuk vanuit een andere bril over zombies
(transnationaal veiligheidsprobleem).
,Les 2: Inleiding
Smith (Post-positivisme, kritische blik op positivisme)
- Denkt na over de nut van theorie: Believers, non-believers en twijfelaars.
- Hij ziet een theorie als een bepaalde kleur bril (framing). Het construeert
wat je ziet. Hij geeft een aantal voorbeelden:
o Realisme: Internationale politiek bestaat uit conflicten tussen landen
die aan zichzelf denken;
o Liberalisme: property, political equality;
o Marxisme: haves vs have nots, clash of economic interests;
o Constructivisme;
o Conflict theorieën.
Wereld van debat: Een kapstok (Debat1, Debat2, Debat3, Debat4).
- Meeste auteurs presenteren de ontwikkeling van het studiegebied als een
chronologische opvolging van 4 debatten - > Handboek wijkt hier vanaf:
Jorgensen focust op inter-traditie en intra-traditiedebebatten;
- Debat 1: voor tijdens na wo2: idealisme vs realisme
o Idealisme (liberalisme): Recht, Organisaties, Interdependentie,
Samenwerking, vrede. Oorlog kan voorkomen/ een betere wereld
kan bereikt worden door organisaties en kennis.
o Realisme: Macht, Staat, Veiligheid, Conflict, Oorlog. Gaan ook uit van
vooruitgang en een betere wereld bereiken, maar dan d.m.v.
conflict. Zij geven idealisten ongelijk, omdat er na de 1 e
wereldoorlog ook nog een tweede kwam.
o Oorlogscontext: idealisme wil oorlog voorkomen door internationale
organisatie en kennis.
o Realistische kritiek: de wereld zoals ze is of zoals ze wenst?
(droomwereld). Zij stellen dat idealisten macht en machtspolitiek
onderschatten. Bovendien stellen ze dat idealisten mogelijkheden
tot samenwerking overschatten. Daarnaast vinden ze het weinig
systematisch en normatief; methodologisch klopt het ook niet.
o Overwinnaar: Realisme.
- Debat 2: 1950/1960: traditionele aanpak vs moderne aanpak
o Traditioneel: Begrijpen, normen/waarden, interpretatie, historische
kennis.
o Modern: Verklaren, hypothesen/data/variabelen, meten/testen,
wetenschappelijke kennis. (meten is weten)
o Het debat zit hem dus in de aanpak/methodologie. Welke
methodologie moeten we gebruiken om de wereld te begrijpen?
Behaviouralisten (economisch en sociaal/politiek-
wetenschappelijke scholing; VS) stellen traditionele methode
in vraag (filosofie, geschiedenis en recht)
Stellen een positivistische werkwijze voor: meten=weten
Moderne aanpakt wint. Blijvende invloed op de manier van
werken.
, - Debat 3: 1960/1970: (Neo)Realisme/Liberalisme vs Neo-marxisme
o Neo-realisme vs neo-liberalisme. Hier zit het debat. Ze zijn dichterbij
elkaar gekomen, maar hebben nog wel tegenstellingen.
o Neo-Marxisme: kapitalisme, onderdrukking en afhankelijkheid. (zij
zijn een losstaande planeet in deze tijd, zij bemoeien zich niet met
de traditionele discussie). Dit zijn losse paradigma’s.
Context van dekolonisatie.
Interparadigma debat: debat tussen losstaande werelden.
Each paradigm construct sits own basic units (concepts) and
questions – and thereby its data, its criteria and not least its
stories about paradigmatic experiments or similar scientific
events. Paradigms are incommensurable (onvergelijkbaar)
because each generates its own criteria of judgement and its
own ‘language’.
- Debat 4: sinds 1985: gevestigde tradities vs post-positivisme
o Gevestigde tradities: (neo)realisme, (neo)liberalisme, international
society, international political, economy
o Post-positivisme: thema’s, methode. (reactie op gevestigde, waarbij
ze vinden dat er foutieve methoden zijn gebruikt en te weinig
aandacht aan sommige thema’s zoals milieu.
o Alternatieve benamingen: explaining/understanding.
o Het dekoloniseren van internationale politiek: een switch naar
globale internationale politiek en dus andere beschavingen meer
centraal stellen. Diversiteit aan visies.
o The rest vs the west. The rest is niet passief, zij kunnen ook norm-
makers zijn. Het westen is tot nu toe te bepalend geweest.
- Kanttekening 1, didactisch hulpmiddel: er was niet echt een debat, maar
het maakt het overzichtelijk/presenteerbaar.
- Kanttekening 2, post-factum explicitering. Werd pas achteraf duidelijk dat
het een debat was(?):
- Kanttekening 3, eenrichtingsverkeer. Debat/dialoog of eenrichtingsverkeer?
- Kanttekening 4, problematisering. Relativering: heen/weergeroep tussen
extremen of problematisering? Meeste zijn vrij mild en problematiseren
slechts enkele concepten.
- Kanttekening 5, (neo-neo)synthese. Debat kan er ook voor zorgen dat men
naar elkaar toegroeit voor een synthese.
- Kanttekening 6. Intra-traditiedebat. Debat is complexer dan kapstok en
kampen. Je kijkt te weinig naar de diversiteit binnen bepaalde stromingen
als realisme, liberalisme etc.
KIJK NAAR DE VOORBEELDVRAGEN IN DE SLIDES
Volgende les: Bril van realisme en liberalisme opzetten: lezen in het zombie-
boekje. (zwart/realisme-wit/liberalisme)
Realisme is in dit boekje Realpolitik. Liberalisme is liberalism.
Realisme is de bril (denken), realpolitik is de bedrijvende vorm (doen)