VOORBEELD EXAMENVRAGEN:
FINANCIËLE MARKTEN EN
PRODUCTEN
Vraag: welk van de volgende uitspraken is juist?
a) Een obligatie wordt steeds verhandeld op de geldmarkt
b) Een obligatie wordt steeds verhandeld op de kapitaalmarkt
c) Een obligatie kan zowel op de geld- als op de kapitaalmarkt worden
verhandeld
d) Een obligatie wordt noch op de geld- noch op de kapitaalmarkt verhandeld
Vraag: illustreer aan de hand van een voorbeeld de werking van een ‘marktmaker’
BIE LAAT AANBO VRAA MM
D D G
TIJDSTIP P te 25.1 25.30 400 100 +30
1 hoog 0 0
TIJDSTIP P te 24.7 24.90 200 400 -200 +10
2 laag 0 0
TIJDSTIP P te 24.8 25.00 300 350 -50 +50
3 laag 0
TIJDSTIP 24.8 25.05 310 340 -30 +20
4 5
30 123.5 29 757
Verschil = 366.5
Wel nog 20 aandelen over
Vraag: Eén aandeel KBC noteert tegen een prijs van ongeveer 76 euro ; één aandeel ING
noteert tegen een prijs van ongeveer 16 euro. Kan je op basis van deze info besluiten dat
de beleggers de bank KBC meer waard achten dan de bank ING ? Zo ja, waarom ? Zo
neen, waarom niet ?
Marktwaarde bedrijf ≠ prijs aandeel
Marktwaarde bedrijf = (prijs aandeel) x (aantal aandelen)
Neen, geen info omtrent aantal aandelen KBC en ING
Vraag: aan de basis van de financiële crisis liggen zogenaamde ‘rommelhypotheken’.
Welk van onderstaande kenmerken vormt geen kenmerk van deze ‘rommelhypotheken’?
a) Een hoge quotiteit
b) Een korte looptijd
c) Een variabele rente
d) Een hoge verhouding tussen aflossing en inkomen
1
, Vraag: wanneer is de conversie van een converteerbare obligatie interessant?
a) Als de prijs van het onderliggende aandeel groter is dan de
conversieprijs
b) Als de prijs van het onderliggende aandeel groter is dan de nominale waarde van
de obligatie
c) Als de prijs van het onderliggende aandeel kleiner is dan de conversieprijs
d) Als de prijs van het onderliggende aandeel kleiner is dan de nominale waarde van
de obligatie
Vraag: welk van volgende uitspraken is juist?
a) De waarde van een warrant is altijd kleiner dan de uitoefenwaarde (nooit)
b) De waarde van een warrant is altijd gelijk aan de uitoefenwaarde (enkel op
vervaldag)
c) De waarde van een warrant is altijd groter dan de uitoefenwaarde (niet op
vervaldag)
d) Geen van bovenstaande
Uitoefenwaarde is niet gelijk aan uitoefenprijs
Uitoefenprijs = wat je betaalt als je je warrant zal uitoefenen
Uitoefenwaarden = verschil tussen de actuele marktprijs van het onderliggende
effect en de uitoefenprijs. Geeft aan hoeveel winst de warrant op dat moment zou
opleveren als het direct wordt uitgeoefend
Vraag: stel een obligatie met als coupondatum 25/5 en als transactiedatum 20/7. De
nominale rente bedraagt 6%, de nominale waarde van de obligatie is gelijk aan 1000 euro
en de koers van de obligatie op transactiedatum bedraagt 110%. Hoeveel moet een
belegger betalen bij aankoop van deze obligatie op de vermelde transactiedatum?
a) 1000 euro
b) 1010 euro
c) 1100 euro
d) 1110 euro
Aantal verlopen dagen = 1 + 5 + 30 + 19 + 1 + 4 = 60Verlopen rente = (6% x 1
000) x (60/360) = 10 euro
1: coupondatum
Te betalen bij aankoop
5: dagen in mei
=
30: dagen juni
1 000 x 110% + 10 =
19: dagen juli voor transactiedatum
1 100 + 10 = 1 110
1: transactiedatum euro
Vraag: welk van de volgende uitspraken is juist?
a) Het lopend rendement van een obligatie is steeds kleiner dan het actuarieel
rendement
b) Het lopend rendement van een obligatie is steeds groter dan het actuarieel
rendement
2
FINANCIËLE MARKTEN EN
PRODUCTEN
Vraag: welk van de volgende uitspraken is juist?
a) Een obligatie wordt steeds verhandeld op de geldmarkt
b) Een obligatie wordt steeds verhandeld op de kapitaalmarkt
c) Een obligatie kan zowel op de geld- als op de kapitaalmarkt worden
verhandeld
d) Een obligatie wordt noch op de geld- noch op de kapitaalmarkt verhandeld
Vraag: illustreer aan de hand van een voorbeeld de werking van een ‘marktmaker’
BIE LAAT AANBO VRAA MM
D D G
TIJDSTIP P te 25.1 25.30 400 100 +30
1 hoog 0 0
TIJDSTIP P te 24.7 24.90 200 400 -200 +10
2 laag 0 0
TIJDSTIP P te 24.8 25.00 300 350 -50 +50
3 laag 0
TIJDSTIP 24.8 25.05 310 340 -30 +20
4 5
30 123.5 29 757
Verschil = 366.5
Wel nog 20 aandelen over
Vraag: Eén aandeel KBC noteert tegen een prijs van ongeveer 76 euro ; één aandeel ING
noteert tegen een prijs van ongeveer 16 euro. Kan je op basis van deze info besluiten dat
de beleggers de bank KBC meer waard achten dan de bank ING ? Zo ja, waarom ? Zo
neen, waarom niet ?
Marktwaarde bedrijf ≠ prijs aandeel
Marktwaarde bedrijf = (prijs aandeel) x (aantal aandelen)
Neen, geen info omtrent aantal aandelen KBC en ING
Vraag: aan de basis van de financiële crisis liggen zogenaamde ‘rommelhypotheken’.
Welk van onderstaande kenmerken vormt geen kenmerk van deze ‘rommelhypotheken’?
a) Een hoge quotiteit
b) Een korte looptijd
c) Een variabele rente
d) Een hoge verhouding tussen aflossing en inkomen
1
, Vraag: wanneer is de conversie van een converteerbare obligatie interessant?
a) Als de prijs van het onderliggende aandeel groter is dan de
conversieprijs
b) Als de prijs van het onderliggende aandeel groter is dan de nominale waarde van
de obligatie
c) Als de prijs van het onderliggende aandeel kleiner is dan de conversieprijs
d) Als de prijs van het onderliggende aandeel kleiner is dan de nominale waarde van
de obligatie
Vraag: welk van volgende uitspraken is juist?
a) De waarde van een warrant is altijd kleiner dan de uitoefenwaarde (nooit)
b) De waarde van een warrant is altijd gelijk aan de uitoefenwaarde (enkel op
vervaldag)
c) De waarde van een warrant is altijd groter dan de uitoefenwaarde (niet op
vervaldag)
d) Geen van bovenstaande
Uitoefenwaarde is niet gelijk aan uitoefenprijs
Uitoefenprijs = wat je betaalt als je je warrant zal uitoefenen
Uitoefenwaarden = verschil tussen de actuele marktprijs van het onderliggende
effect en de uitoefenprijs. Geeft aan hoeveel winst de warrant op dat moment zou
opleveren als het direct wordt uitgeoefend
Vraag: stel een obligatie met als coupondatum 25/5 en als transactiedatum 20/7. De
nominale rente bedraagt 6%, de nominale waarde van de obligatie is gelijk aan 1000 euro
en de koers van de obligatie op transactiedatum bedraagt 110%. Hoeveel moet een
belegger betalen bij aankoop van deze obligatie op de vermelde transactiedatum?
a) 1000 euro
b) 1010 euro
c) 1100 euro
d) 1110 euro
Aantal verlopen dagen = 1 + 5 + 30 + 19 + 1 + 4 = 60Verlopen rente = (6% x 1
000) x (60/360) = 10 euro
1: coupondatum
Te betalen bij aankoop
5: dagen in mei
=
30: dagen juni
1 000 x 110% + 10 =
19: dagen juli voor transactiedatum
1 100 + 10 = 1 110
1: transactiedatum euro
Vraag: welk van de volgende uitspraken is juist?
a) Het lopend rendement van een obligatie is steeds kleiner dan het actuarieel
rendement
b) Het lopend rendement van een obligatie is steeds groter dan het actuarieel
rendement
2