EXAMENVRAGEN
GERIATRIE
ANNO 2025
1
, Frailty
1. Bespreek het concept frailty.
Frailty = ouderdomsgebonden kwetsbaarheid en een multidimensioneel syndroom
- Afname in reservecapaciteit door geleidelijke structurele en
functionele achteruitgang in verschillende orgaansystemen
(=progressief en onvermijdelijk) → verminderde weerstand
tegen stressoren
Resultaat:
toegenomen vatbaarheid voor functionele beperkingen en
comorbiditeiten
- Deze kwetsbaarheid is inherent aan het verouderen en treft
het hele organisme
- Onvermijdelijk op bepaalde leeftijd met uiteindelijke
ondermijning van de onafhankelijkheid en overleven van
ouderen
- Die achteruitgang zit vooral in het musculoskeletaal
systeem: sarcopenie: leeftijdsgebonden verlies van
spiermassa, spierkracht en functionaliteit=> ligt aan de
basis v functionele beperkingen
Spierkracht is wel maar spiermassa niet, geassocieerd
met functionele achteruitgang, recidiverend vallen en
mortaliteit
Kliniek: frailty syndroom = combinatie van functieverlies en comorbiditeit → verantw. voor het typisch
geriatrische profiel: dysregulatie van meerdere systemen
- Functionele beperkingen waardoor de onafhankelijkheid in het gedrang komt
o Cave: frailty functieverlies
▪ Niet alle personen die frail zijn, hebben functionele beperkingen en functionele
beperkingen kunnen ook het gevolg zijn van bepaalde aandoeningen
▪ Toegenomen frailty gaat gepaard met functionele beperkingen die op hun beurt
de ouderen nog meer kwetsbaar maken
- Waaier van ziektebeelden waardoor ziekteverwikkelingen en sterfte dreigen
o Cave: frailty comorbiditeit
▪ Frailty kan onafh. van comorbiditeit voorkomen (vb een oude vrouw die nog
thuis woont en zich goed voelt maar die bij de eerste de beste pneumonie in het
rusthuis terechtkomt) en de aanwezigheid van comorbiditeit leidt niet vanzelf
tot frailty
▪ Ze komen wel vaak samen voor en beïnvloeden/ versterken elkaar in een vicieuze
cirkel: verouderen → verhoogde frailty → verhoogde vatbaarheid voor
aandoeningen → maken ouderen nog meer frailty
Niet alle ouderen zijn frail! & niet alle personen worden frail op dezelfde leeftijd, maar de prevalentie neemt
wel toe met de leeftijd en komt vaker voor bij vrouwen (zijn vaker sarcopeen en hebben een lagere vetvrije massa ->
overschrijden sneller de frailty kritieke drempel)
- Er zijn individuele verschillen in reservecapaciteit die overblijft
naarmate orgaanfuncties achteruitgaan → de grootte van die reserves
2
, bepaald mee de mate van kwetsbaarheid
o Ouderen met weinig reserve zullen bij somatisch of
psychosociale storingen (‘stressoren’) meer functionele weerslag
ondervinden en ook meer risico op comorbiditeit en mortaliteit
▪ Pt kan normaal functioneren als er geen stressor is ->
stressor -> orgaanreserve gaat sterk achteruit -> grote
impact op functioneren -> personen met een
verminderde reserve zullen niet meer volledig
herstellen-> verschillende episodes van stressoren
leiden dan sneller tot frailty
Gevolgen frailty:
- Verminderde zelfredzaamheid door beperkingen in ADL (activities of daily living) en IADL
(bellen, rekeningen betalen…) (instrumental activities of daily living), verlies van mobiliteit,
recidiverend vallen en (heup- of wervel) fracturen
- Verhoogde kans op negatieve outcome, hospitalisatie, institutionalisatie en zelfs overlijden
→ Na correctie van demografische variabelen of onderliggende aandoeningen: associaties blijven bestaan!
2. Leg uit waarom heupfractuurpatiënten typisch kwetsbare ouderen zijn.
Frailty = proces van achteruitgang van alle orgaansystemen met centraal het musculoskeletaal systeem
met verlies van spiermassa en spierfunctie en spierkracht (sarcopenie) → ligt aan de
basis vd functionele beperkingen die centraal staan in het fenotype van
de kwetsbare oudere.
De betrokkenheid van het musculoskeletaal en niet-musculoskeletaal
systeem in de kwetsbaarheid van oudere blijkt uit het langdurig
verhoogd mortaliteitsrisico van ouderen met een heupfractuur
- Prognose van een heupfractuurpt normaliseert niet na
kwetsbare periode van 6-12 maanden
o Impact heupfractuur:
▪ 80% heeft na 1j nog moeilijkheden met
ADL
▪ >50% kan na 1 jaar niet zonder hulp
stappen
▪ 20% sterft binnen het jaar
o Zelfs na geslaagde heelkunde en intensieve revalidatie
blijft prognose ongunstig & ligt de mortaliteit 3 tot 4 x
hoger dan verwacht na 10-15j
Dit kan niet alleen door het fractuur komen ->
Bewijst dat het om fragiele pt gaat (ook verhoogd
risico op hartfalen etc)
Het is de kwakkelijke gezondheid die tot de breuken voorbestemd ->
een heupbreuk is dus een alarmsignaal dat wijst op meer dan alleen
een brozer skelet
Dit wijst erop dat ouderen met heupfracturen zijn geen ‘gemiddelde ouderen’, maar pt’en met
uitgesproken brede onderliggende kwetsbaarheid:
- Musculoskeletaal: osteoporose & sarcopenie: meer vallen en breuken…
3
, - Niet- musculoskeletaal:
o Onderliggende comorbiditeiten -> meer kans op hartfalen, infectiegevaar…
o Verklaard waarschijnlijk ook het blijvend verhoogd mortaliteitsrisico
→ Belang van niet alleen die osteoporose te behandelen, maar heupfractuur pt hebben nood aan
internistisch-geriatrische nazorg: de onderliggende kwetsbaarheid moet ook worden behandeld! (+ ook aan
fractuurpreventie doen)
3. Hoe wordt frailty operationeel gedefinieerd?
Operationele definitie van het ‘frailty-syndroom’ nodig om in praktijk te onderscheiden wie frail is en om
het effect van interventies te beoordelen.
Twee soorten operationele definities:
A. Fenotype definitie van Fried (beperkt tot de musculoskeletale component van frailty)
o Obv 5 criteria:
1. Niet-intentioneel gewichtsverlies
2. Spierzwakte (checken via handdynamometer)
3. Verminderde wandelsnelheid
4. Gedaald uithoudingsvermogen
5. Verminderde lichamelijke activiteit
o Beoordeling:
▪ Frail = minstens 3/5
▪ Pre-frail of intermediate frail = 1/5 of 2/5
▪ Niet-frail of robust = 0/5
o Nadeel: niet alle mogelijke klinische expressievormen van het frailty-syndroom kunnen
vervat zijn in deze definitie → sarcopenie weegt sterk door:
1. Spierzwakte
2. Gewichtsverlies (ten dele tgv daling spiermassa)
3. Functionele domeinen zoals verminderde wandelsnelheid, verminderd
uithoudingsvermogen en verminderde lichamelijke activiteit
o Voordeel: definitie kan goed klinische eindpunten voorspellen zoals het
risico op vallen, verminderde mobiliteit, functionele achteruitgang, kans op hospitalisatie
en sterfte bij ouderen (de risico’s nemen toe: niet frail < pre frail < frail)
o Er zijn veel varianten op deze definitie
• Andere meetmethode
• Bevatten meer of minder elementen
→ Hebben allemaal een goede voorspellende waarde en volgens eender welke definitie zijn er altijd
verhoogde risico’s als de outcome frail is
B. Frailty index of Rockwood: obv optellen van het aantal tekortkomingen (ook niet musculoskeletale systemen
en niet fysieke domeinen)
➔ adhv globaal geriatrisch bilan (comprehensive geriatric assessment)
- Frailty-idex van Rockwood = drukt verhouding uit van het aantal vastgesteld tov totaal aantal
potentiële tekortkomingen van een persoon onder vorm van een score die de waarschijnlijkheid
aangeeft dat deze persoon frail is
o Frail: FI > of = 0.35
o Pre frail: FI= 0.2-0.35
4
GERIATRIE
ANNO 2025
1
, Frailty
1. Bespreek het concept frailty.
Frailty = ouderdomsgebonden kwetsbaarheid en een multidimensioneel syndroom
- Afname in reservecapaciteit door geleidelijke structurele en
functionele achteruitgang in verschillende orgaansystemen
(=progressief en onvermijdelijk) → verminderde weerstand
tegen stressoren
Resultaat:
toegenomen vatbaarheid voor functionele beperkingen en
comorbiditeiten
- Deze kwetsbaarheid is inherent aan het verouderen en treft
het hele organisme
- Onvermijdelijk op bepaalde leeftijd met uiteindelijke
ondermijning van de onafhankelijkheid en overleven van
ouderen
- Die achteruitgang zit vooral in het musculoskeletaal
systeem: sarcopenie: leeftijdsgebonden verlies van
spiermassa, spierkracht en functionaliteit=> ligt aan de
basis v functionele beperkingen
Spierkracht is wel maar spiermassa niet, geassocieerd
met functionele achteruitgang, recidiverend vallen en
mortaliteit
Kliniek: frailty syndroom = combinatie van functieverlies en comorbiditeit → verantw. voor het typisch
geriatrische profiel: dysregulatie van meerdere systemen
- Functionele beperkingen waardoor de onafhankelijkheid in het gedrang komt
o Cave: frailty functieverlies
▪ Niet alle personen die frail zijn, hebben functionele beperkingen en functionele
beperkingen kunnen ook het gevolg zijn van bepaalde aandoeningen
▪ Toegenomen frailty gaat gepaard met functionele beperkingen die op hun beurt
de ouderen nog meer kwetsbaar maken
- Waaier van ziektebeelden waardoor ziekteverwikkelingen en sterfte dreigen
o Cave: frailty comorbiditeit
▪ Frailty kan onafh. van comorbiditeit voorkomen (vb een oude vrouw die nog
thuis woont en zich goed voelt maar die bij de eerste de beste pneumonie in het
rusthuis terechtkomt) en de aanwezigheid van comorbiditeit leidt niet vanzelf
tot frailty
▪ Ze komen wel vaak samen voor en beïnvloeden/ versterken elkaar in een vicieuze
cirkel: verouderen → verhoogde frailty → verhoogde vatbaarheid voor
aandoeningen → maken ouderen nog meer frailty
Niet alle ouderen zijn frail! & niet alle personen worden frail op dezelfde leeftijd, maar de prevalentie neemt
wel toe met de leeftijd en komt vaker voor bij vrouwen (zijn vaker sarcopeen en hebben een lagere vetvrije massa ->
overschrijden sneller de frailty kritieke drempel)
- Er zijn individuele verschillen in reservecapaciteit die overblijft
naarmate orgaanfuncties achteruitgaan → de grootte van die reserves
2
, bepaald mee de mate van kwetsbaarheid
o Ouderen met weinig reserve zullen bij somatisch of
psychosociale storingen (‘stressoren’) meer functionele weerslag
ondervinden en ook meer risico op comorbiditeit en mortaliteit
▪ Pt kan normaal functioneren als er geen stressor is ->
stressor -> orgaanreserve gaat sterk achteruit -> grote
impact op functioneren -> personen met een
verminderde reserve zullen niet meer volledig
herstellen-> verschillende episodes van stressoren
leiden dan sneller tot frailty
Gevolgen frailty:
- Verminderde zelfredzaamheid door beperkingen in ADL (activities of daily living) en IADL
(bellen, rekeningen betalen…) (instrumental activities of daily living), verlies van mobiliteit,
recidiverend vallen en (heup- of wervel) fracturen
- Verhoogde kans op negatieve outcome, hospitalisatie, institutionalisatie en zelfs overlijden
→ Na correctie van demografische variabelen of onderliggende aandoeningen: associaties blijven bestaan!
2. Leg uit waarom heupfractuurpatiënten typisch kwetsbare ouderen zijn.
Frailty = proces van achteruitgang van alle orgaansystemen met centraal het musculoskeletaal systeem
met verlies van spiermassa en spierfunctie en spierkracht (sarcopenie) → ligt aan de
basis vd functionele beperkingen die centraal staan in het fenotype van
de kwetsbare oudere.
De betrokkenheid van het musculoskeletaal en niet-musculoskeletaal
systeem in de kwetsbaarheid van oudere blijkt uit het langdurig
verhoogd mortaliteitsrisico van ouderen met een heupfractuur
- Prognose van een heupfractuurpt normaliseert niet na
kwetsbare periode van 6-12 maanden
o Impact heupfractuur:
▪ 80% heeft na 1j nog moeilijkheden met
ADL
▪ >50% kan na 1 jaar niet zonder hulp
stappen
▪ 20% sterft binnen het jaar
o Zelfs na geslaagde heelkunde en intensieve revalidatie
blijft prognose ongunstig & ligt de mortaliteit 3 tot 4 x
hoger dan verwacht na 10-15j
Dit kan niet alleen door het fractuur komen ->
Bewijst dat het om fragiele pt gaat (ook verhoogd
risico op hartfalen etc)
Het is de kwakkelijke gezondheid die tot de breuken voorbestemd ->
een heupbreuk is dus een alarmsignaal dat wijst op meer dan alleen
een brozer skelet
Dit wijst erop dat ouderen met heupfracturen zijn geen ‘gemiddelde ouderen’, maar pt’en met
uitgesproken brede onderliggende kwetsbaarheid:
- Musculoskeletaal: osteoporose & sarcopenie: meer vallen en breuken…
3
, - Niet- musculoskeletaal:
o Onderliggende comorbiditeiten -> meer kans op hartfalen, infectiegevaar…
o Verklaard waarschijnlijk ook het blijvend verhoogd mortaliteitsrisico
→ Belang van niet alleen die osteoporose te behandelen, maar heupfractuur pt hebben nood aan
internistisch-geriatrische nazorg: de onderliggende kwetsbaarheid moet ook worden behandeld! (+ ook aan
fractuurpreventie doen)
3. Hoe wordt frailty operationeel gedefinieerd?
Operationele definitie van het ‘frailty-syndroom’ nodig om in praktijk te onderscheiden wie frail is en om
het effect van interventies te beoordelen.
Twee soorten operationele definities:
A. Fenotype definitie van Fried (beperkt tot de musculoskeletale component van frailty)
o Obv 5 criteria:
1. Niet-intentioneel gewichtsverlies
2. Spierzwakte (checken via handdynamometer)
3. Verminderde wandelsnelheid
4. Gedaald uithoudingsvermogen
5. Verminderde lichamelijke activiteit
o Beoordeling:
▪ Frail = minstens 3/5
▪ Pre-frail of intermediate frail = 1/5 of 2/5
▪ Niet-frail of robust = 0/5
o Nadeel: niet alle mogelijke klinische expressievormen van het frailty-syndroom kunnen
vervat zijn in deze definitie → sarcopenie weegt sterk door:
1. Spierzwakte
2. Gewichtsverlies (ten dele tgv daling spiermassa)
3. Functionele domeinen zoals verminderde wandelsnelheid, verminderd
uithoudingsvermogen en verminderde lichamelijke activiteit
o Voordeel: definitie kan goed klinische eindpunten voorspellen zoals het
risico op vallen, verminderde mobiliteit, functionele achteruitgang, kans op hospitalisatie
en sterfte bij ouderen (de risico’s nemen toe: niet frail < pre frail < frail)
o Er zijn veel varianten op deze definitie
• Andere meetmethode
• Bevatten meer of minder elementen
→ Hebben allemaal een goede voorspellende waarde en volgens eender welke definitie zijn er altijd
verhoogde risico’s als de outcome frail is
B. Frailty index of Rockwood: obv optellen van het aantal tekortkomingen (ook niet musculoskeletale systemen
en niet fysieke domeinen)
➔ adhv globaal geriatrisch bilan (comprehensive geriatric assessment)
- Frailty-idex van Rockwood = drukt verhouding uit van het aantal vastgesteld tov totaal aantal
potentiële tekortkomingen van een persoon onder vorm van een score die de waarschijnlijkheid
aangeeft dat deze persoon frail is
o Frail: FI > of = 0.35
o Pre frail: FI= 0.2-0.35
4