Week 1
Voorbereiding HC 1
Lz. Cantor et al.
HoorCollege 1 introductie
Stelling 1; intelligentie is erfelijk bepaald en veranderd nauwelijks gedurende je
leven.
Stelling 2; intelligentie ie svoornamelijk afhankelijk van de omgeving waar in je
opgroeit.
Stelling 1 past bij stabiliteit, determinisme denken. Ben je dom geboren dan heb
je pech, goed onderwijs kan de intelligentie niet verhogen.
Stelling 2 past bij groei denken, levenslang leren. Met inzet en
doorzettingsvermogen kun je ver komen, goed onderwijs is heel belangrijk =
groeidenkers.
Nature vs nurture debar; is het opvoeding of aangeboren.
Nature= aangeboren, heeft te maken met rijping (hersenen, spieren etc),
biologisch, evolutie, genetisch (begon in 19 e eeuw, ’80 en ’90 was het heel
prominent)
Nurture= aangeleerd, omgeving, opvoeding, ervaring, belonen en straffen (’50 en
’60 populair, tegenwoordig nog steeds belangrijk).
1001 dagen;
- Conceptie tot 2 jaar.
- Deze periode is cruciaal voor hersenontwikkeling, ontwikkeling van
cognitieve, emotionele, sociale en fysieke vaardigheden
- Grote plasticiteit
- Grote kansen
- Grote kwetsbaarheid, dingen die in deze periode gebeuren kunnen grote
gevolgen hebben.
- Maar; ook de periode erna is belangrijk (hersenontwikkeling gaat door tot
ca. 25jaar)
Ontwikkeling= de beschrijving, verklaring en beinvloeding van intra- individuele
verandering in gedrag gedurende de levensloop en met interindividuele
verschillen en overeenkomsten in intra-individuele verandering.
a. Hoe verandert een persoon over de levensloop?
b. In hoeverre zijn deze veranderingen vergelijkbaar of verschillend tussen
personen?
c. Regressieve veranderingen (bv verlies van vaardigheden) zijn geen
onderdeel van ontwikkeling. Ook tijdelijke veranderingen die gemakkelijk
ongedaan kunnen worden zijn ook geen ontwikkeling (bijv. iets opslaan in
je geheugen en daarna weer vergeten)
5 kenmerken van ontwikkeling;
,1. Organisatie van processen; eenvoudig > complex. Eerst leren kinderen
losse klanken langzaamaan combineren tot woorden en steeds meer
begrijpen.
2. Volgorde en sequentie; latere vormen van ontwikkeling komen voort uit
eerder vormen, die ingebouwd zijn in het proces. Ontwikkeling verloopt in
stadia (denk aan rups naar vlinder, om te lopen moet het kind eerst leren
staan).
3. Richting; ontwikkeling voltrekt zich in meerder richtingen (bv. Eerder
ontwikkelde vaardigheden kunnen verloren gaan en plaatsmaken voor
nieuwe en meer adaptieve vaardigheden). (van kruipen naar lopen).
4. Epigenese en emergentie; epigenese verwijst naar de wederzijdse
interacties tussen verschillende niveaus van het organisme en de
omgeving. (je hebt een trap nodig om te leren traplopen). Emergentie
verwijst naar het proces waarin de interactie met de omgeving zorgt voor
het ontstaan van nieuwe systeemeigenschappen (deze eigenschappen zijn
niet terug te voeren tot de oorspronkelijke situatie)= kwalitatieve
verandering.( Je kan de vlinder niet terug voeren naar een rups).
a. Dynamic system theory;
In het water of
de loopband is de reflex er omdat daar de spieren ondersteund worden.
Maar op het land lukt het nog niet omdat daar de spieren nog niet sterk
genoeg voor zijn.
b. Gottlieb’s probabilistic epigenises
Epigenese= interactie tussen genen en omgeving
Probabilistisch= niet gedetermineerd, mogelijk of waarschijnlijk
Horizontal and vertical coactions (zie hieronder)
Alle factoren beinvloeden elkaar, continue, maar wisselend(dynamisch).
, Imprinting; de eentjes imprinten zich op de omgeving. Normaal moeder
eend nu got
Genen coderen de eiwitten dat beinvloed gedrag en dat beinvloed
omgeving dan weer.
5. Relatieve permanentie en onomkeerbaarheid; ontwikkeling leidt tot een
min of meer blijvende toestand, terugkeer naar de oorspronkelijke
toestand gebeurt niet (hoewel kortdurende regressies mogelijk zijn, tijdelijk
woorden vergeten).
a. Bijv. een peuter leert nieuwe woorden, maar kan reeds geleerde
woorden tijdelijk weer vergeten zijn, maar de peuter zal nooit
terugkeren naar e toestand waarin het geen woorden kent (ander
ontwikkelingsstoornis)
Keyfindings voorbereidende artikel;
, Kinderen hebben hersenen en dat stelt ze in staat om te exploreren en te leren
van deze exploratie. Ze zijn geen passieve ontvangers maar actieve deelnemers
in hun eigen ontwikkeling. Door hun gedrag lokken ze ander gedrag uit.
Belangrijke theories over ontwikkeling;
- Evolutiepsychologie; Darwin; gedrag van ouder en kind zijn het product
van een evolutionair proces (nature). Mensen vertonen gelijkenissen met
andere diersoorten (chimpansees)
Vanuit evolutionair perspectief kan je begrijpen waarom ouders op een
bepaalde manier opvoeding
Direct doel opvoeding= kind tot volwassenheid bregen
Ultieme doel= overlevering genetisch materiaal via volgende generaties
Eigenschappen die via natuurlijke selectie ontstaan en de overlevingskans
verhogen;
a. Natuurlijke angst voor hoogte en slangen
b. Uiterlijk baby’s en huilen, zorgneiging voor baby’s
c. Liefde voor de baby
d. Investering in opvoeding
- Attachent theory
Bowlby; baby heeft een natuurlijke neiging tot hechting (nature)
Hechting is de stabiele emotionele relatie tussen kind en verzorger
Ainsworth; kwaliteit van de relatie hangt af van sensitiviteit ouders
(nurture)
- Sociale leertheorie en sociaal cognitieve theorien;
Leertheorie, behaviorisme, watson; gedrag is aangeleerd en kan dus
verander worden door conditionering (nature). Fout gedrag straffen goed
gedrag belonen
Bandura, sociale leertheorie; kinderen ontwikkeling zich via interacties met
hun omgeving, waardoor een gevoel van controle ontstaan (self-efficacy),
imitatie, modeling(ouders is rolmodel)
Vygotsky, sociaal cognitieve theorie; kinderen ontwikkelen zich in een
social-culturele context, met anderen die meer ontwikkeld zijn.
scaffoding(volwassenen bieden taken aan die in de ‘zone van naaste
ontwikkeling’ liggen). En cultureel leren.
- Genetische theorien;
Plomin; de ontwikkeling is het resultaat van een genetische en
omgevingsfactoren (nature and nurture)
Klassiek kwantitatieve methode; hoeveel variantie word verklaard door
genetische factoren (h2) en hoeveel door omgevingsfactoren (gedeelde=
c2 en niet-gedeelde=E)
Nu; gen x omgeving interacties, DNA- methylering
Deze benadering leverde veel kritiek op de pedagogiek
Kritiek op grand theories;
- Evoltutiepsychologie; onderschat de invloed van cultuur
- Hechtingingstheoire; geen verklaring hoe kinderen leren
- Sociale leertheorie; houdt geen rekening met individuele kenmerken en
negeert de actieve rol van individuen
- Gedragsgenetica; overschatting invloed genetische factoren
Voorbereiding HC 1
Lz. Cantor et al.
HoorCollege 1 introductie
Stelling 1; intelligentie is erfelijk bepaald en veranderd nauwelijks gedurende je
leven.
Stelling 2; intelligentie ie svoornamelijk afhankelijk van de omgeving waar in je
opgroeit.
Stelling 1 past bij stabiliteit, determinisme denken. Ben je dom geboren dan heb
je pech, goed onderwijs kan de intelligentie niet verhogen.
Stelling 2 past bij groei denken, levenslang leren. Met inzet en
doorzettingsvermogen kun je ver komen, goed onderwijs is heel belangrijk =
groeidenkers.
Nature vs nurture debar; is het opvoeding of aangeboren.
Nature= aangeboren, heeft te maken met rijping (hersenen, spieren etc),
biologisch, evolutie, genetisch (begon in 19 e eeuw, ’80 en ’90 was het heel
prominent)
Nurture= aangeleerd, omgeving, opvoeding, ervaring, belonen en straffen (’50 en
’60 populair, tegenwoordig nog steeds belangrijk).
1001 dagen;
- Conceptie tot 2 jaar.
- Deze periode is cruciaal voor hersenontwikkeling, ontwikkeling van
cognitieve, emotionele, sociale en fysieke vaardigheden
- Grote plasticiteit
- Grote kansen
- Grote kwetsbaarheid, dingen die in deze periode gebeuren kunnen grote
gevolgen hebben.
- Maar; ook de periode erna is belangrijk (hersenontwikkeling gaat door tot
ca. 25jaar)
Ontwikkeling= de beschrijving, verklaring en beinvloeding van intra- individuele
verandering in gedrag gedurende de levensloop en met interindividuele
verschillen en overeenkomsten in intra-individuele verandering.
a. Hoe verandert een persoon over de levensloop?
b. In hoeverre zijn deze veranderingen vergelijkbaar of verschillend tussen
personen?
c. Regressieve veranderingen (bv verlies van vaardigheden) zijn geen
onderdeel van ontwikkeling. Ook tijdelijke veranderingen die gemakkelijk
ongedaan kunnen worden zijn ook geen ontwikkeling (bijv. iets opslaan in
je geheugen en daarna weer vergeten)
5 kenmerken van ontwikkeling;
,1. Organisatie van processen; eenvoudig > complex. Eerst leren kinderen
losse klanken langzaamaan combineren tot woorden en steeds meer
begrijpen.
2. Volgorde en sequentie; latere vormen van ontwikkeling komen voort uit
eerder vormen, die ingebouwd zijn in het proces. Ontwikkeling verloopt in
stadia (denk aan rups naar vlinder, om te lopen moet het kind eerst leren
staan).
3. Richting; ontwikkeling voltrekt zich in meerder richtingen (bv. Eerder
ontwikkelde vaardigheden kunnen verloren gaan en plaatsmaken voor
nieuwe en meer adaptieve vaardigheden). (van kruipen naar lopen).
4. Epigenese en emergentie; epigenese verwijst naar de wederzijdse
interacties tussen verschillende niveaus van het organisme en de
omgeving. (je hebt een trap nodig om te leren traplopen). Emergentie
verwijst naar het proces waarin de interactie met de omgeving zorgt voor
het ontstaan van nieuwe systeemeigenschappen (deze eigenschappen zijn
niet terug te voeren tot de oorspronkelijke situatie)= kwalitatieve
verandering.( Je kan de vlinder niet terug voeren naar een rups).
a. Dynamic system theory;
In het water of
de loopband is de reflex er omdat daar de spieren ondersteund worden.
Maar op het land lukt het nog niet omdat daar de spieren nog niet sterk
genoeg voor zijn.
b. Gottlieb’s probabilistic epigenises
Epigenese= interactie tussen genen en omgeving
Probabilistisch= niet gedetermineerd, mogelijk of waarschijnlijk
Horizontal and vertical coactions (zie hieronder)
Alle factoren beinvloeden elkaar, continue, maar wisselend(dynamisch).
, Imprinting; de eentjes imprinten zich op de omgeving. Normaal moeder
eend nu got
Genen coderen de eiwitten dat beinvloed gedrag en dat beinvloed
omgeving dan weer.
5. Relatieve permanentie en onomkeerbaarheid; ontwikkeling leidt tot een
min of meer blijvende toestand, terugkeer naar de oorspronkelijke
toestand gebeurt niet (hoewel kortdurende regressies mogelijk zijn, tijdelijk
woorden vergeten).
a. Bijv. een peuter leert nieuwe woorden, maar kan reeds geleerde
woorden tijdelijk weer vergeten zijn, maar de peuter zal nooit
terugkeren naar e toestand waarin het geen woorden kent (ander
ontwikkelingsstoornis)
Keyfindings voorbereidende artikel;
, Kinderen hebben hersenen en dat stelt ze in staat om te exploreren en te leren
van deze exploratie. Ze zijn geen passieve ontvangers maar actieve deelnemers
in hun eigen ontwikkeling. Door hun gedrag lokken ze ander gedrag uit.
Belangrijke theories over ontwikkeling;
- Evolutiepsychologie; Darwin; gedrag van ouder en kind zijn het product
van een evolutionair proces (nature). Mensen vertonen gelijkenissen met
andere diersoorten (chimpansees)
Vanuit evolutionair perspectief kan je begrijpen waarom ouders op een
bepaalde manier opvoeding
Direct doel opvoeding= kind tot volwassenheid bregen
Ultieme doel= overlevering genetisch materiaal via volgende generaties
Eigenschappen die via natuurlijke selectie ontstaan en de overlevingskans
verhogen;
a. Natuurlijke angst voor hoogte en slangen
b. Uiterlijk baby’s en huilen, zorgneiging voor baby’s
c. Liefde voor de baby
d. Investering in opvoeding
- Attachent theory
Bowlby; baby heeft een natuurlijke neiging tot hechting (nature)
Hechting is de stabiele emotionele relatie tussen kind en verzorger
Ainsworth; kwaliteit van de relatie hangt af van sensitiviteit ouders
(nurture)
- Sociale leertheorie en sociaal cognitieve theorien;
Leertheorie, behaviorisme, watson; gedrag is aangeleerd en kan dus
verander worden door conditionering (nature). Fout gedrag straffen goed
gedrag belonen
Bandura, sociale leertheorie; kinderen ontwikkeling zich via interacties met
hun omgeving, waardoor een gevoel van controle ontstaan (self-efficacy),
imitatie, modeling(ouders is rolmodel)
Vygotsky, sociaal cognitieve theorie; kinderen ontwikkelen zich in een
social-culturele context, met anderen die meer ontwikkeld zijn.
scaffoding(volwassenen bieden taken aan die in de ‘zone van naaste
ontwikkeling’ liggen). En cultureel leren.
- Genetische theorien;
Plomin; de ontwikkeling is het resultaat van een genetische en
omgevingsfactoren (nature and nurture)
Klassiek kwantitatieve methode; hoeveel variantie word verklaard door
genetische factoren (h2) en hoeveel door omgevingsfactoren (gedeelde=
c2 en niet-gedeelde=E)
Nu; gen x omgeving interacties, DNA- methylering
Deze benadering leverde veel kritiek op de pedagogiek
Kritiek op grand theories;
- Evoltutiepsychologie; onderschat de invloed van cultuur
- Hechtingingstheoire; geen verklaring hoe kinderen leren
- Sociale leertheorie; houdt geen rekening met individuele kenmerken en
negeert de actieve rol van individuen
- Gedragsgenetica; overschatting invloed genetische factoren