Hoorcolleges Staats- en Bestuursrecht
Hoorcollege 1
Wat is staatsrecht?
- Staatrecht is een onderdeel van het publiekrecht.
-> binnen publiekrecht ook internationaal en Europees recht, bestuursrecht (uitvoering van
wetten, executieve functie; fiscaal recht) en strafrecht.
- Staatsrecht is het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de organisatie van de
met gezag beklede organen en de grenzen van hun gezag.
-> het recht dat ziet op inrichting en functioneren van de instellingen van de staat.
- Bronnen van staatsrecht:
-> in Grondwet, het Statuut voor het Koninkrijk, in verdragen, in gewoonterecht,
jurisprudentie.
-> het Statuut regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhoudingen
tussen de staten van het Koninkrijk.
-> de Grondwet regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat. Bijv. art.
81 Gw: wetten in formele zin.
-> als Gw bepaalt dat iets nader geregeld moet worden: organieke wet, zoals provinciewet
en gemeentewet (art. 132 lid Gw).
-> verdragen: EU-verdrag, vluchtelingenverdrag, EVRM, verordeningen en richtlijnen.
-> gewoonterecht: vertrouwensregel.
-> jurisprudentie
- Voorbeeld: artikel 45 Grondwet
-> lid 1: stelt het orgaan in: de ministers vormen tezamen de ministerraad.
-> lid 2: stelt een ambt in en verleent een bevoegdheid: de minister-president is voorzitter
van de ministerraad
-> lid 3: taakomschrijving en bevoegdheid van de ministerraad: de ministerraad
beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van
dat beleid.
Kenmerken van een staat
- Territoriale staat: het stuk land tot aan de grens.
-> omvang maakt niet uit, ook 12 mijl vanaf de kust (vroeger 3 mijl: de afstand van een
kanonskogel)
-> Nederland: bestaat uit het grondgebied van Nederland (Europese deel) + Bonaire, Sint-
Eustatius en Saba (tot 2017 openbaar lichaam: art. 134 GW)
-> Koninkrijk der Nederlanden: Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten (zelfstandige
staten)
- Bevolking: wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of
die op eigen verzoek de nationaliteit hebben gekregen onderdanen.
-> gevoelens onderlinge verbondenheid en gezamenlijke identiteit? dan spreken we ook
wel van een volk of natie.
-> niet noodzakelijk dat bevolking coherent is; binnen veel staten woont een diversiteit aan
bevolkingsgroepen (p. 7).
- Gezag en machtsmiddelen: de Nederlandse staat (en alle andere staten) is soeverein.
-> de soevereiniteit van het parlement verhindert een rechtelijke toetsingsrecht.
-> soevereiniteit kent vier benaderingen:
1. Iedere staat heeft het exclusieve recht om het gezag binnen zijn staat uit te oefenen en
andere staten mogen zich niet bemoeien met binnenlandse aangelegenheden en moeten
zich onthouden van agressie tegen een andere soevereine staat (tenzij sprake is van
verdragsverplichtingen of dwingend volkenrecht)
-> als een staat over de grens gaat in gezagsuitvoering, dan vinden andere landen het
goed om te interveniëren vraag is dan wie dit doet en hoever je daarin gaat (bv. Syrië)
-> waar eindigt de soevereiniteit van de staat, en waar neemt het dwingend volkenrecht
dat over (verantwoordelijkheid bij andere landen)?
2. Welke autoriteit heeft het laatste woord? In Nederland is dat de grondwetgever.
, 3. Soeverein is: geweldsmonopolie, belastingheffing, defensie, buitenlandse betrekkingen,
etc.
-> vaak op centraal niveau geregeld, en aangemerkt als soevereiniteit.
4. Volkssoevereiniteit (p. 10) uiteindelijk zou het volk het laatste woord moeten hebben
(democratische staatsinrichting)
- Erkenning door andere staten: levert internationaal rechtelijke rechten en verplichtingen op
(toetreding VN, NAVO, etc.)
-> erkenning staat verschilt van erkenning regering.
-> politieke aspecten: waarom wordt Taiwan niet erkend (door China), waarom wordt Israël
niet erkend door Syrië?
-> niet ieder volk heeft recht op een eigen staat, zo hebben de Basken (nog) geen eigen
staat, de Friezen ook niet.
-> maar hoe zit dat met Gaza? onderdeel van Palestina, sinds 2012 waarnemend niet-
lidstaat in de VN, 142 landen erkennen Palestina (centraal gezag de facto?)
-> toch constateren dat niet ieder land Palestina erkend als staat
- Erkenning is sterk context gebonden en sterk politiek.
-> tot medio 20e eeuw werden koloniën mondiaal geaccepteerd, dit veranderde sterk vanaf
1950.
-> leidde tot stichting tal van nieuwe staten die erkend werden, maar veelal op basis van
oude koloniale grenzen, niet op basis van homogeniteit.
Grondslagen Nederlandse staat
- Eenheidsstaat versus (con)federale staat
-> federale staat: deelentiteiten hebben eigen bevoegdheden (wetgevend en uitvoerend)
waar het centrale gezag geen inbreuk op mag maken.
-> federale staat: bij strijd tussen deelstaat en het federale recht, gaat het federale recht
voor.
-> federale staat: kent een constitutionele rechter of grondwettelijk hof, dat
competentieverschillen kan beslechten tussen centrale overheid en deelstaten. (p. 19)
-> deze elementen zijn bij een eenheidsstaat afwezig.
- Driedeling: oplopend in mate van binding
1. Statenbond: staten hebben hun zelfstandigheid niet afgestaan aan een federale
regering.
-> statenbond: verdeling bevoegdheden in verdrag.
-> Zwitserland is feitelijk een statenbond en Nederland tijdens de gouden eeuw
eveneens.
2. Bondsstaat: staten hebben hun zelfstandigheid deels afgestaan aan een federale
regeling (VS, Duitsland, België).
-> geen vetorecht t.a.v. wijziging grondwet en t.a.v. onderlinge bevoegdheden
afbakening.
-> staten kunnen niet uittreden (p. 20) binding aan federatie is groter.
-> bondsstaat: verdeling bevoegdheden in grondwet.
3. Eenheidsstaat: concentratie van macht bij een centraal gezag (Frankrijk) alles
centraal gedicteerd.
-> Sint Maarten: Nederlandse deel vrij autonoom, Franse deel volledig aangestuurd
door Parijs.
-> gedecentraliseerde eenheidsstaat: centrale overheid heeft een deel van haar
regelgevende en bestuurlijke taken en bevoegdheden overgedragen aan decentrale
overheden.
-> gedecentraliseerde eenheidsstaat: staatsgezag deels op centraal en deels op
decentraal niveau.
Koninkrijk der Nederlanden
- Koninkrijk der Nederlanden is eigenlijk een statenbond.
-> bestaat uit de volgende 4 zelfstandige staten: Nederland, Curaçao, Sint-Maarten, Aruba
-> Nederland bestaat uit het Europese deel en drie overzeese eilanden: Bonaire, Saba,
Sint-Eustatius (art. 1, lid 2 Statuut).
- Basis: het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (niet Grondwet, dat gaat over
Nederland)
, - Per 10-10-2010 ingrijpend gewijzigd (het land Nederlandse Antillen hield toen op te
bestaan) het Koninkrijk bestaat uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland.
- Autonomie: art. 41 Statuut de landen behartigen zelfstandig hun eigen
aangelegenheden.
-> maar het waarborgen van rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van
bestuur is weer een aangelegenheid van het Koninkrijk (art. 43, Statuut).
-> dit heeft sinds 2010 tot verharding van de verhoudingen gezorgd (p. 411).
- Beperkt aantal onderwerpen is verklaard tot koninkrijksaangelegenheden (defensie,
buitenlandse betrekkingen, Nederlanderschap) (art. 3, Statuut)
- Nederland heeft een Grondwet, de andere landen een staatsregeling (art. 42, Statuut)
-> maar sommige zaken uit staatsregeling mogen pas na goedkeuring van
koninkrijksregering gewijzigd worden (mensenrechten, gouverneur, etc.) (art. 44 Statuut)
-> vormt een beperking van de constitutionele autonomie van de landen.
- Koninkrijksaangelegenheden zijn limitatief opgesomd (art. 3, Statuut).
-> daarnaast wordt samengewerkt op bijv. financieel toezicht, rechtshandhaving, etc.
-> dit vereist echter wel consensus (art. 38 lid 2, Statuut).
- Art. 43 Statuut: lid 1 stelt dat elk land zorgdraagt voor realisatie mensenrechten,
rechtszekerheid en goed bestuur.
-> maar lid 2 stelt, dat als dat niet goed gaat, het koninkrijk kan ingrijpen.
-> dit gebeurt dan op basis van art. 51, Statuut: wanneer een orgaan niet voorziet, dan kan
een AmvB van rijksbestuur bepalen op welke wijze wordt voorzien. (p. 421)
-> bij Sint Maarten is ingegrepen op goed bestuur.
-> bij Curacao en Aruba is ingegrepen op overheidsfinanciën.
-> 3 april 2017: ingreep op Curacao, waarbij alle bevoegdheden m.b.t. verkiezingen bij de
gouverneur terecht kwamen.
- Bij interventie wordt de ministerraad formeel uitgebreid met een aantal
vertegenwoordigers van die landen, maar kunnen weinig uitvoeren op de besluitvorming
(geen veto)
Organen van het Koninkrijk der Nederlanden
- Vallen samen met de Nederlandse organen, maar worden dan uitgebreid met
vertegenwoordiging.
-> die vertegenwoordiging kan dan participeren in de besluitvorming, maar de
besluitvorming niet tegenhouden.
- Gouverneur: enerzijds vertegenwoordiger van de Koning, anderzijds deel van de
landsregering
-> lastige dubbelrol (als gouverneur een aanwijzing krijgt om kandidaat ministers aan te
houden).
- Raad van ministers van het Koninkrijk: Nederlandse ministerraad, aangevuld met
gevolmachtigde ministers.
-> die laatsten dragen standpunt uit van het betreffende land: eerder ambtenaren die
instructies van hun landsregering opvolgen hebben stemrecht.
-> kunnen ook een soort intern beroep instellen tegen besluitvorming.
- Wetgevende macht: Staten-Generaal; aangevuld met vertegenwoordigers (bijzondere
gedelegeerden)
-> deze kunnen deelnemen, amendementen indienen, maar hebben geen stemrecht.
- Raad van State: ongewijzigd, maar beperkt zich tot advisering (aangevuld met een lid voor
elk van de overzeese landen) (p. 417)
BES-eilanden
- Zijn onderdeel van Nederland; Caribisch Nederland Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
(BES).
-> te vergelijken met gemeenten in Nederland.
- In 2010: 134 GW; openbare lichamen.
- In 2017: nieuw artikel 132a lid 1: andere territoriale openbare lichamen dan provincies en
gemeenten Wet openbare lichamen BES.
- Deze eilanden vallen dus onder het regime van de Nederlandse Grondwet.
- De bestuursinrichting lijkt sterk op die van gemeenten, maar de oude namen zijn
behouden.
, - De provincietaken worden uitgevoerd door de Rijksvertegenwoordiger: belast met de
bevordering van goed bestuur.
-> besluiten tot benoeming van ambtenaren, gezaghebber (burgemeester),
eilandsverordeningen, etc., behoeven zijn goedkeuring.
-> verantwoording aan BZK.
- Ingrijpen op Sint-Eustatius: zorgwekkende bestuurlijke en financiële situatie.
-> in 2018 is besloten de eilandsraad te ontbinden, de eilandgedeputeerden en de
gezaghebber te ontslaan en een regeringscommissaris te benoemen.
Nederland
- Het Nederlandse stelsel is te typeren als:
1. Een democratische rechtsstaat
-> rechtstaat (vier eigenschappen):
1. Trias politica (wetgeving, uitvoering en rechtelijke macht gescheiden)
2. Grondrechten
3. Onafhankelijke rechtspraak
4. Legaliteitsbeginsel (elk publiekrechtelijk optreden van de overheid moet een basis
hebben in wetten).
-> democratisch: wetten zijn democratisch tot stand gekomen en de
vertegenwoordigende organen controleren het bestuur, algemeen kiesrecht (p. 49, BR).
2. Een constitutionele monarchie
-> Koning als staatshoofd, maar gebonden door constitutie (grondwet + ongeschreven
staatsrecht).
3. Een gedecentraliseerde eenheidsstaat
-> verticale machtenspreiding over lagere organen + toezichtconstructies.
Grondrechten en grondwet
- Constitutie: geheel van regels dat een staat vormgeeft en ordent (p. 12).
- Grondwet: document dat regels over de staatsorganisatie en de verhouding tussen staat en
burgers bevat.
- Formeel flexibel versus rigide (wijziging aan specifieke waarborgen onderworpen).
-> formele verkiezingen, beide Kamers akkoord met gekwalificeerde meerderheid.
- Materieel flexibel (inhoudelijke interpretatie kan veranderen) versus rigide.
-> hoe interpreteer je de artikelen in de grondrecht?
- Nederlandse grondwet: formeel en materieel rigide (p. 14).
-> flexibiliteit kan slechts binnen de grondwettelijke grenzen aanwezig zijn in het handelen
en in de onderlinge verhoudingen van politieke organen:
- Van monisme naar dualisme in Tweede Kamer.
-> wethouders waren lid van de raad, gedeputeerden lid van provinciale staten (wetgevend
en uitvoerend bij één orgaan).
-> nu veel gebruikelijker dat het parlement de regering aanspreekt (vroeger was dat niet
zo, je ging niet de minister van je eigen partij aanvallen, of van de andere als coalitiepartij)
- Opvattingen rol Eerste Kamer (van controlerend naar medewetgever).
-> oorspronkelijk vooral controlerend (kwaliteit van wetgeving)
-> steeds meer met wetgeving zelf bemoeien (mag eigenlijk niet van grondwet)
-> Eerste Kamer ook steeds politieker (niet alleen techneuten)
- Invulling ministeriële verantwoordelijkheid (hier is de grondwet weinig precies).
-> logisch dat minister verantwoordelijk is voor eigen daden en dat van het ministerie,
maar andere kwestie met ZBO’s.
- Groei belang EU: sterkere rol van de minister-president.
-> MP hield zich niet bezig met buitenland (minister BZ), tegenwoordig zit daar standaard
de minister-president (interne rolverschuiving).
- Naast grondwet ook ongeschreven regels (voorbeelden)
- Vertrouwensregel
-> ongeschreven en onomstreden.
-> een regering of een minister moet het vertrouwen van de Staten-Generaal hebben er
is sprake van vertrouwen zolang het tegendeel niet is gebleken (negatief geformuleerd)
-> ongeregeld is in welke omstandigheden het parlement het vertrouwen mag/moet
opzeggen.
Hoorcollege 1
Wat is staatsrecht?
- Staatrecht is een onderdeel van het publiekrecht.
-> binnen publiekrecht ook internationaal en Europees recht, bestuursrecht (uitvoering van
wetten, executieve functie; fiscaal recht) en strafrecht.
- Staatsrecht is het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de organisatie van de
met gezag beklede organen en de grenzen van hun gezag.
-> het recht dat ziet op inrichting en functioneren van de instellingen van de staat.
- Bronnen van staatsrecht:
-> in Grondwet, het Statuut voor het Koninkrijk, in verdragen, in gewoonterecht,
jurisprudentie.
-> het Statuut regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhoudingen
tussen de staten van het Koninkrijk.
-> de Grondwet regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat. Bijv. art.
81 Gw: wetten in formele zin.
-> als Gw bepaalt dat iets nader geregeld moet worden: organieke wet, zoals provinciewet
en gemeentewet (art. 132 lid Gw).
-> verdragen: EU-verdrag, vluchtelingenverdrag, EVRM, verordeningen en richtlijnen.
-> gewoonterecht: vertrouwensregel.
-> jurisprudentie
- Voorbeeld: artikel 45 Grondwet
-> lid 1: stelt het orgaan in: de ministers vormen tezamen de ministerraad.
-> lid 2: stelt een ambt in en verleent een bevoegdheid: de minister-president is voorzitter
van de ministerraad
-> lid 3: taakomschrijving en bevoegdheid van de ministerraad: de ministerraad
beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van
dat beleid.
Kenmerken van een staat
- Territoriale staat: het stuk land tot aan de grens.
-> omvang maakt niet uit, ook 12 mijl vanaf de kust (vroeger 3 mijl: de afstand van een
kanonskogel)
-> Nederland: bestaat uit het grondgebied van Nederland (Europese deel) + Bonaire, Sint-
Eustatius en Saba (tot 2017 openbaar lichaam: art. 134 GW)
-> Koninkrijk der Nederlanden: Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten (zelfstandige
staten)
- Bevolking: wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of
die op eigen verzoek de nationaliteit hebben gekregen onderdanen.
-> gevoelens onderlinge verbondenheid en gezamenlijke identiteit? dan spreken we ook
wel van een volk of natie.
-> niet noodzakelijk dat bevolking coherent is; binnen veel staten woont een diversiteit aan
bevolkingsgroepen (p. 7).
- Gezag en machtsmiddelen: de Nederlandse staat (en alle andere staten) is soeverein.
-> de soevereiniteit van het parlement verhindert een rechtelijke toetsingsrecht.
-> soevereiniteit kent vier benaderingen:
1. Iedere staat heeft het exclusieve recht om het gezag binnen zijn staat uit te oefenen en
andere staten mogen zich niet bemoeien met binnenlandse aangelegenheden en moeten
zich onthouden van agressie tegen een andere soevereine staat (tenzij sprake is van
verdragsverplichtingen of dwingend volkenrecht)
-> als een staat over de grens gaat in gezagsuitvoering, dan vinden andere landen het
goed om te interveniëren vraag is dan wie dit doet en hoever je daarin gaat (bv. Syrië)
-> waar eindigt de soevereiniteit van de staat, en waar neemt het dwingend volkenrecht
dat over (verantwoordelijkheid bij andere landen)?
2. Welke autoriteit heeft het laatste woord? In Nederland is dat de grondwetgever.
, 3. Soeverein is: geweldsmonopolie, belastingheffing, defensie, buitenlandse betrekkingen,
etc.
-> vaak op centraal niveau geregeld, en aangemerkt als soevereiniteit.
4. Volkssoevereiniteit (p. 10) uiteindelijk zou het volk het laatste woord moeten hebben
(democratische staatsinrichting)
- Erkenning door andere staten: levert internationaal rechtelijke rechten en verplichtingen op
(toetreding VN, NAVO, etc.)
-> erkenning staat verschilt van erkenning regering.
-> politieke aspecten: waarom wordt Taiwan niet erkend (door China), waarom wordt Israël
niet erkend door Syrië?
-> niet ieder volk heeft recht op een eigen staat, zo hebben de Basken (nog) geen eigen
staat, de Friezen ook niet.
-> maar hoe zit dat met Gaza? onderdeel van Palestina, sinds 2012 waarnemend niet-
lidstaat in de VN, 142 landen erkennen Palestina (centraal gezag de facto?)
-> toch constateren dat niet ieder land Palestina erkend als staat
- Erkenning is sterk context gebonden en sterk politiek.
-> tot medio 20e eeuw werden koloniën mondiaal geaccepteerd, dit veranderde sterk vanaf
1950.
-> leidde tot stichting tal van nieuwe staten die erkend werden, maar veelal op basis van
oude koloniale grenzen, niet op basis van homogeniteit.
Grondslagen Nederlandse staat
- Eenheidsstaat versus (con)federale staat
-> federale staat: deelentiteiten hebben eigen bevoegdheden (wetgevend en uitvoerend)
waar het centrale gezag geen inbreuk op mag maken.
-> federale staat: bij strijd tussen deelstaat en het federale recht, gaat het federale recht
voor.
-> federale staat: kent een constitutionele rechter of grondwettelijk hof, dat
competentieverschillen kan beslechten tussen centrale overheid en deelstaten. (p. 19)
-> deze elementen zijn bij een eenheidsstaat afwezig.
- Driedeling: oplopend in mate van binding
1. Statenbond: staten hebben hun zelfstandigheid niet afgestaan aan een federale
regering.
-> statenbond: verdeling bevoegdheden in verdrag.
-> Zwitserland is feitelijk een statenbond en Nederland tijdens de gouden eeuw
eveneens.
2. Bondsstaat: staten hebben hun zelfstandigheid deels afgestaan aan een federale
regeling (VS, Duitsland, België).
-> geen vetorecht t.a.v. wijziging grondwet en t.a.v. onderlinge bevoegdheden
afbakening.
-> staten kunnen niet uittreden (p. 20) binding aan federatie is groter.
-> bondsstaat: verdeling bevoegdheden in grondwet.
3. Eenheidsstaat: concentratie van macht bij een centraal gezag (Frankrijk) alles
centraal gedicteerd.
-> Sint Maarten: Nederlandse deel vrij autonoom, Franse deel volledig aangestuurd
door Parijs.
-> gedecentraliseerde eenheidsstaat: centrale overheid heeft een deel van haar
regelgevende en bestuurlijke taken en bevoegdheden overgedragen aan decentrale
overheden.
-> gedecentraliseerde eenheidsstaat: staatsgezag deels op centraal en deels op
decentraal niveau.
Koninkrijk der Nederlanden
- Koninkrijk der Nederlanden is eigenlijk een statenbond.
-> bestaat uit de volgende 4 zelfstandige staten: Nederland, Curaçao, Sint-Maarten, Aruba
-> Nederland bestaat uit het Europese deel en drie overzeese eilanden: Bonaire, Saba,
Sint-Eustatius (art. 1, lid 2 Statuut).
- Basis: het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (niet Grondwet, dat gaat over
Nederland)
, - Per 10-10-2010 ingrijpend gewijzigd (het land Nederlandse Antillen hield toen op te
bestaan) het Koninkrijk bestaat uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland.
- Autonomie: art. 41 Statuut de landen behartigen zelfstandig hun eigen
aangelegenheden.
-> maar het waarborgen van rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van
bestuur is weer een aangelegenheid van het Koninkrijk (art. 43, Statuut).
-> dit heeft sinds 2010 tot verharding van de verhoudingen gezorgd (p. 411).
- Beperkt aantal onderwerpen is verklaard tot koninkrijksaangelegenheden (defensie,
buitenlandse betrekkingen, Nederlanderschap) (art. 3, Statuut)
- Nederland heeft een Grondwet, de andere landen een staatsregeling (art. 42, Statuut)
-> maar sommige zaken uit staatsregeling mogen pas na goedkeuring van
koninkrijksregering gewijzigd worden (mensenrechten, gouverneur, etc.) (art. 44 Statuut)
-> vormt een beperking van de constitutionele autonomie van de landen.
- Koninkrijksaangelegenheden zijn limitatief opgesomd (art. 3, Statuut).
-> daarnaast wordt samengewerkt op bijv. financieel toezicht, rechtshandhaving, etc.
-> dit vereist echter wel consensus (art. 38 lid 2, Statuut).
- Art. 43 Statuut: lid 1 stelt dat elk land zorgdraagt voor realisatie mensenrechten,
rechtszekerheid en goed bestuur.
-> maar lid 2 stelt, dat als dat niet goed gaat, het koninkrijk kan ingrijpen.
-> dit gebeurt dan op basis van art. 51, Statuut: wanneer een orgaan niet voorziet, dan kan
een AmvB van rijksbestuur bepalen op welke wijze wordt voorzien. (p. 421)
-> bij Sint Maarten is ingegrepen op goed bestuur.
-> bij Curacao en Aruba is ingegrepen op overheidsfinanciën.
-> 3 april 2017: ingreep op Curacao, waarbij alle bevoegdheden m.b.t. verkiezingen bij de
gouverneur terecht kwamen.
- Bij interventie wordt de ministerraad formeel uitgebreid met een aantal
vertegenwoordigers van die landen, maar kunnen weinig uitvoeren op de besluitvorming
(geen veto)
Organen van het Koninkrijk der Nederlanden
- Vallen samen met de Nederlandse organen, maar worden dan uitgebreid met
vertegenwoordiging.
-> die vertegenwoordiging kan dan participeren in de besluitvorming, maar de
besluitvorming niet tegenhouden.
- Gouverneur: enerzijds vertegenwoordiger van de Koning, anderzijds deel van de
landsregering
-> lastige dubbelrol (als gouverneur een aanwijzing krijgt om kandidaat ministers aan te
houden).
- Raad van ministers van het Koninkrijk: Nederlandse ministerraad, aangevuld met
gevolmachtigde ministers.
-> die laatsten dragen standpunt uit van het betreffende land: eerder ambtenaren die
instructies van hun landsregering opvolgen hebben stemrecht.
-> kunnen ook een soort intern beroep instellen tegen besluitvorming.
- Wetgevende macht: Staten-Generaal; aangevuld met vertegenwoordigers (bijzondere
gedelegeerden)
-> deze kunnen deelnemen, amendementen indienen, maar hebben geen stemrecht.
- Raad van State: ongewijzigd, maar beperkt zich tot advisering (aangevuld met een lid voor
elk van de overzeese landen) (p. 417)
BES-eilanden
- Zijn onderdeel van Nederland; Caribisch Nederland Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
(BES).
-> te vergelijken met gemeenten in Nederland.
- In 2010: 134 GW; openbare lichamen.
- In 2017: nieuw artikel 132a lid 1: andere territoriale openbare lichamen dan provincies en
gemeenten Wet openbare lichamen BES.
- Deze eilanden vallen dus onder het regime van de Nederlandse Grondwet.
- De bestuursinrichting lijkt sterk op die van gemeenten, maar de oude namen zijn
behouden.
, - De provincietaken worden uitgevoerd door de Rijksvertegenwoordiger: belast met de
bevordering van goed bestuur.
-> besluiten tot benoeming van ambtenaren, gezaghebber (burgemeester),
eilandsverordeningen, etc., behoeven zijn goedkeuring.
-> verantwoording aan BZK.
- Ingrijpen op Sint-Eustatius: zorgwekkende bestuurlijke en financiële situatie.
-> in 2018 is besloten de eilandsraad te ontbinden, de eilandgedeputeerden en de
gezaghebber te ontslaan en een regeringscommissaris te benoemen.
Nederland
- Het Nederlandse stelsel is te typeren als:
1. Een democratische rechtsstaat
-> rechtstaat (vier eigenschappen):
1. Trias politica (wetgeving, uitvoering en rechtelijke macht gescheiden)
2. Grondrechten
3. Onafhankelijke rechtspraak
4. Legaliteitsbeginsel (elk publiekrechtelijk optreden van de overheid moet een basis
hebben in wetten).
-> democratisch: wetten zijn democratisch tot stand gekomen en de
vertegenwoordigende organen controleren het bestuur, algemeen kiesrecht (p. 49, BR).
2. Een constitutionele monarchie
-> Koning als staatshoofd, maar gebonden door constitutie (grondwet + ongeschreven
staatsrecht).
3. Een gedecentraliseerde eenheidsstaat
-> verticale machtenspreiding over lagere organen + toezichtconstructies.
Grondrechten en grondwet
- Constitutie: geheel van regels dat een staat vormgeeft en ordent (p. 12).
- Grondwet: document dat regels over de staatsorganisatie en de verhouding tussen staat en
burgers bevat.
- Formeel flexibel versus rigide (wijziging aan specifieke waarborgen onderworpen).
-> formele verkiezingen, beide Kamers akkoord met gekwalificeerde meerderheid.
- Materieel flexibel (inhoudelijke interpretatie kan veranderen) versus rigide.
-> hoe interpreteer je de artikelen in de grondrecht?
- Nederlandse grondwet: formeel en materieel rigide (p. 14).
-> flexibiliteit kan slechts binnen de grondwettelijke grenzen aanwezig zijn in het handelen
en in de onderlinge verhoudingen van politieke organen:
- Van monisme naar dualisme in Tweede Kamer.
-> wethouders waren lid van de raad, gedeputeerden lid van provinciale staten (wetgevend
en uitvoerend bij één orgaan).
-> nu veel gebruikelijker dat het parlement de regering aanspreekt (vroeger was dat niet
zo, je ging niet de minister van je eigen partij aanvallen, of van de andere als coalitiepartij)
- Opvattingen rol Eerste Kamer (van controlerend naar medewetgever).
-> oorspronkelijk vooral controlerend (kwaliteit van wetgeving)
-> steeds meer met wetgeving zelf bemoeien (mag eigenlijk niet van grondwet)
-> Eerste Kamer ook steeds politieker (niet alleen techneuten)
- Invulling ministeriële verantwoordelijkheid (hier is de grondwet weinig precies).
-> logisch dat minister verantwoordelijk is voor eigen daden en dat van het ministerie,
maar andere kwestie met ZBO’s.
- Groei belang EU: sterkere rol van de minister-president.
-> MP hield zich niet bezig met buitenland (minister BZ), tegenwoordig zit daar standaard
de minister-president (interne rolverschuiving).
- Naast grondwet ook ongeschreven regels (voorbeelden)
- Vertrouwensregel
-> ongeschreven en onomstreden.
-> een regering of een minister moet het vertrouwen van de Staten-Generaal hebben er
is sprake van vertrouwen zolang het tegendeel niet is gebleken (negatief geformuleerd)
-> ongeregeld is in welke omstandigheden het parlement het vertrouwen mag/moet
opzeggen.