Ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling?
- Gedragstherapie is ontstaan op basis van het Behaviorisme uit de
Jaren ‘20
- Idee was: Psychologie moet zich meer richten op observeerbaar en
daarom meetbaar gedrag: richt zich op observeerbare en meetbare
fenomenen (behaviorisme)
- Conditioneren zou de sleutel zijn tot het begrijpen van allerlei
gedragingen en de mogelijkheden ervan werden als onbegrensd
beschouwd.
- Niet bezig houden met black box: bewustzijn, motivatie, beleving,
etc. Maar met stimulus (wat er gebeurd) en respons (reactie hierop)
- Kwam voort uit de behoefte aan meer wetenschappelijke
onderbouwing van de effectiviteit van therapie in eind jaren ‘50
- Gedragstherapie had op zich zelf weinig effect. Kom zich niet goed
bewijzen tussen alle meningen met cognitieve benadering. Nu bijna
altijd in combinatie met cognitieve therapie.
Grondleggers
- Ivan Pavlov (1849-1936)
- John Watson (1878-1958)
- Burrhus Skinner (1904-1990)
Mensbeeld? Waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen?
-> hoe ontstaan problemen?
Mensbeeld:
Al het gedrag zou te herleiden zijn tot een combinatie van eenvoudige,
aangeleerde gedragselementen. Aangeleerd gedrag (abnormaal of
normaal) kan afgeleerd worden. Dit leerproces zou bij mens en dier niet
verschillen.
3 leerprincipes in de gedragstherapie
1. Klassieke conditionering
Gedrag kan aan- en afgeleerd worden door verschillende situaties aan
elkaar te koppelen.
Pavlov: Oorspronkelijk kwijlden de honden alleen bij het voeren en niet bij
het signaal. Nadat de combinatie van signaal gevolgd door voeren enkele
keren was herhaald begonnen de honden al te kwijlen bij het geven van
het signaal.
Dit principe is ontstaan omdat het belangrijk is om voorspelbaarheid van
de omstandigheden te hebben voor een mens.
Contingentie = voorspelbaarheid
,Watson: In het little albert experiment (1920) laat hij zien dat die
conditionering heel sterk werkt bij pasgeboren kinderen en heel
instrumenteel kan worden toegepast. Hierbij werd bij het zien van een rat
steeds een hard geluid gemaakt waar Albert bang voor was, waardoor hij
uiteindelijk bang werd voor de rat en vervolgens voor alle dieren met een
vacht. Watson heeft aan de hand van dit experiment bewezen dat angst
kan worden aangeleerd:
Ontstaan van fobie: angst voor witte rat
Generalisatie: angst generaliseren naar een andere maar vergelijkbare
stimulus. Albert is niet alleen angstig voor de witte rat maar voor ook voor
ander harige dieren: angst wit konijn.
Discriminatie: angst zal niet voorkomen bij dingen die deels maar niet
heel erg vergelijkbaar zijn met de stimulus om geconditioneerd te worden.
Dingen die te ver van die oorspronkelijke stimulus afstaan, daar zou hij
niet bang voor worden: geen angst voor zwart konijn. Er is dus een grens
tussen generalisatie en discriminatie.
2. Operante conditionering
Ontstaan omdat een groot deel van het gedrag niet te verklaren is met
klassiek conditioneren.
Definitie: een manier van leren waarbij het gevolg van gedrag—beloning
of straf—bepaalt of dit gedrag in frequentie zal toenemen of afnemen: dus
denkt aan negatieve bekrachtiging, positieve bekrachtiging of uitdoving.
Skinner: box. Rat in box duwt op hendel (respons) -> eten (+S+)
extinctie: verdwijnen van de angst.
Intermittent reinforcement: Uitdoving gaat heel snel. De motivatie om
iets te blijven doen verdwijnt heel snel. Maar als je intermittent reïnforced
toepast (nu en dan een beloning ipv altijd) dan blijft het leereffect langer
gehandhaafd en het aangeleerde gedrag zal ook langer voortduren.
Concluderend: Het ontstaan van angst kan worden verklaard door de
klassieke conditionering. Het voortduren van angst kan worden verklaard
door de operante conditionering.
3. Model leren (Bandura)
Bandura is de grondlegger van de sociale leertheorie.
Modeling of observationeel leren.
Gedrag gaan vertonen op basis van het voorbeeld van een ander: hogere
vorm van leren wat vooral bij de mens voorkomt.
Terug naar voorbeeld begin college: Little Albert
Als albert nadat het angstig is geworden voor de witte rat ziet dat een kind
heel vrolijk is als het de rat ziet en dit vaker gebeurd dan zal die angst
uitdoven.
,Therapie: Hoe worden gedragsveranderingen tot stand gebracht?
Vergeleken met psychodynamische en cliëntgerichte benaderingen
worden bij gedragstherapie weinig eisen gesteld aan cliënten om voor
behandeling in aanmerking te komen.
Ook niet gericht op persoonlijkheidsverandering maar puur op het
veranderen van probleemgedrag.
Doel:
- verandering van probleemgedrag, aanleren nieuw gedrag in het hier
en nu. Verleden is hierbij nauwelijks van belang.
Therapie:
In het begin wordt het probleem beoordeeld door gedragsobservaties van
anderen omdat de cliënt zelf vaak met een algemene onduidelijke
bewoording kan komen. In deze fase probeert de therapeut ook een
voorlopig psychiatrische diagnose te stellen.
Daarna wordt het probleem gedrag ontleed. Alle kleine
probleemgedragingen worden in kaart gebracht door te kijken naar: in
welke situatie et gedrag voorkomt, wat er aan vooraf ging, wat de
gevolgen zijn wat het gedrag in stand houdt.
hierna wordt er een behandelplan opgesteld waarin de cliënt beslist waar
hij aan wil gaan werken met een concrete en realistische doelstelling.
Ook bespreken hoeveel sessies er nog meer nodig zijn (er zijn altijd
meerdere problemen/klachten).
Het verloop:
1. Kennismaking en inventarisatie van de klachten
2. Concretisering van de klachten
3. Metingen van functie analyse
4. Bepalen van doelstellingen en opstellen van therapieplan
5. Toepsassen van technieken
6. Evaluatie van de effecten
Rol therapeut:
- Actief en sturend; niet meegaand: therapeut kent namelijk het
proces
- Oppervlakkig
- Adviserend
- Vragen stellen
- Gestructureerd: je kan het goed in een protocol beschrijven
waardoor een therapeut deze therapie kan geven a.d.h.v. een boek.
- Opdrachten geven
Interventies:
- aanleren probleemoplossend gedrag
, o operante technieken
o assertiviteitstraining
o sociale-vaardigheidstraining
o bekrachtiging
- afleren ongewenst gedrag (extinctie).
o Blootstellen of exposure: In vitro (in kunstmatige situatie) of in
vivo (in het leven)
o Systematische desensitisatie (geleidelijke gewenning)
o Flooding (overspoelen)
o Exposure met responspreventie: niet mogen reageren zoals de
cliënt altijd reageert
- Het is een kortdurende en effectieve therapie
Sterke zwakke kanten?
Voordelen:
- Concreet, ook passend voor doeners (waarbij andere therapie niet zo
snel zou aanslaan)
- Breed inzetbaar
- Evidence-based
- Kosteneffectief
- Protocollair
- Kortdurend
Nadelen:
- Tabula rasa: is alles te conditioneren? Hoe onbeschreven zijn we
eigenlijk, hoe verklaar je anders autisme, er zit toch ook nurture in
ons?
- Nature versus nurture?
- Alles teruggebracht tot conditionering – geen ‘zelfreflectie’ e.d.
- Relatie tussen S en R? -> niet alles lijkt te verklaren vanuit stimulus
en respons.
- Hoe werkt het? We weten dat exposure werkt maar niet hoe het
werkt. Doel exposure: heel veel positieve ervaringen opdoen totdat
je niet meer angstig bent (habituatie: oefenen tot de angst zakt).
Maar de vraag is, wat maakt dan dat je niet meer angstig bent? ->
Om dit te onderzoeken heb je cognitieve therapie nodig.
- Symptoombestrijding?
- Te Autoritair en te weinig invoelend
- Te optimistisch en simplistisch
- Niet goed onderzocht
- Onvoldoende oog voor therapeutische relatie