HS 4: virologie
1) Inleiding
1875
o Begin bacteriologie
o Pathogenen isoleren door filtratie (filter van Chamberlan hield bacteriën
tegen)
1885
o Louis Pasteur
o “virus = infecterend deeltje dat niet met de microscoop waar te nemen
is”
1886
o Mayer
o Tabakmozaïek (= ziekte tabaksplant) wordt veroorzaakt door sap van
geïnfecteerde bladeren
1892
o Ivanovski
o Het infecterende agens is wel filtreerbaar en niet vastgehouden door
filter
Besluit
o Het agens is kleiner dan alle gekende micro organismen & is niet
zichtbaar met de microscoop
1897
o Loeffler – Frosch
o Idem voor verwekker van mond & klauwzeer & niet kweekbaar op
synthetische voedingsbodem
1900
o Reed
o Ontdekt 1e menselijke virus veroorzaakt gele koorts: overgedragen
door muggen
Virus
o Filtreerbaar
o Submicroscopisch
o Infecterend
o Veroorzaakt talrijke ziekten
1915
o Twort: bacteriofagen
1935
o Elektronenmicroscoop
Wat is een virus?
Infectieuze, genetische elementen die zich uitsluitend in een levende,
gevoelige gastcel laten repliceren
Buiten de gastcel: ‘virions’
Virus bezit:
o 1 type nucleïnezuur
o Proteïnemantel
Virus is metabolisch inert: geen ATP productie
Bezit geen ribosomen
, ‘virus’ = gif (Latijn)
Groeit niet op voedingsbodem
Niet te bestrijden met antibiotica
3 groepen onderscheiden
o Plantaardige virussen
o Dierlijke virussen
o Microbiële virussen
Dierlijke virussen
Pathogene virussen: hepatitis B, herpes, varicella-zoster virus (windpokken),
HIV, covid-19,…
Teratogene virussen: brengen schade aan aan foetus als vrouw in contact
komt
o CMV
o Rubella: rode hond
Kweek in labo
o Celculturen (primaire en getransformeerde dierlijke eukaryote cellijnen)
o Kippeneieren (geëmbryoneerd)
o Proefdieren, weefsels
celculturen
gekweekt op oppervlak van soort
fles
mooie laag vormen over oppervlak
Morfologie – structuur
Capside: eiwitmantel rond genetisch materiaal (bestaande uit capsomeren)
Nucleocapside: eiwitmantel + genetisch materiaal
naakte virussen
Envelop: lipoproteïnen, glycoproteïnen, celmembraan
omhulde virussen
Kijken naar vorm: afhankelijk van capside/envelop
Bolvormig: vb: herpes, mazelen, influenza
o Helicoïdaal of polyhedraal met enveloppe
Staafvormig: vb: tabaksmozaïk, rabiës, ebola
o Naakt helicoïdaal
Polyhedraal: vb: adenovirus, polyoomavirus
o Naakt polyhedraal
Complexe vormen
o Vb: bacteriofagen
Polyhedraal
eiwitmantel die uit vlakjes bestaat
Naakt: geen enveloppe rond kapsel
Adenovirussen: verkoudheid
Polyomavirus
Poliomyelitisvirus: kinderverlamming
1) Inleiding
1875
o Begin bacteriologie
o Pathogenen isoleren door filtratie (filter van Chamberlan hield bacteriën
tegen)
1885
o Louis Pasteur
o “virus = infecterend deeltje dat niet met de microscoop waar te nemen
is”
1886
o Mayer
o Tabakmozaïek (= ziekte tabaksplant) wordt veroorzaakt door sap van
geïnfecteerde bladeren
1892
o Ivanovski
o Het infecterende agens is wel filtreerbaar en niet vastgehouden door
filter
Besluit
o Het agens is kleiner dan alle gekende micro organismen & is niet
zichtbaar met de microscoop
1897
o Loeffler – Frosch
o Idem voor verwekker van mond & klauwzeer & niet kweekbaar op
synthetische voedingsbodem
1900
o Reed
o Ontdekt 1e menselijke virus veroorzaakt gele koorts: overgedragen
door muggen
Virus
o Filtreerbaar
o Submicroscopisch
o Infecterend
o Veroorzaakt talrijke ziekten
1915
o Twort: bacteriofagen
1935
o Elektronenmicroscoop
Wat is een virus?
Infectieuze, genetische elementen die zich uitsluitend in een levende,
gevoelige gastcel laten repliceren
Buiten de gastcel: ‘virions’
Virus bezit:
o 1 type nucleïnezuur
o Proteïnemantel
Virus is metabolisch inert: geen ATP productie
Bezit geen ribosomen
, ‘virus’ = gif (Latijn)
Groeit niet op voedingsbodem
Niet te bestrijden met antibiotica
3 groepen onderscheiden
o Plantaardige virussen
o Dierlijke virussen
o Microbiële virussen
Dierlijke virussen
Pathogene virussen: hepatitis B, herpes, varicella-zoster virus (windpokken),
HIV, covid-19,…
Teratogene virussen: brengen schade aan aan foetus als vrouw in contact
komt
o CMV
o Rubella: rode hond
Kweek in labo
o Celculturen (primaire en getransformeerde dierlijke eukaryote cellijnen)
o Kippeneieren (geëmbryoneerd)
o Proefdieren, weefsels
celculturen
gekweekt op oppervlak van soort
fles
mooie laag vormen over oppervlak
Morfologie – structuur
Capside: eiwitmantel rond genetisch materiaal (bestaande uit capsomeren)
Nucleocapside: eiwitmantel + genetisch materiaal
naakte virussen
Envelop: lipoproteïnen, glycoproteïnen, celmembraan
omhulde virussen
Kijken naar vorm: afhankelijk van capside/envelop
Bolvormig: vb: herpes, mazelen, influenza
o Helicoïdaal of polyhedraal met enveloppe
Staafvormig: vb: tabaksmozaïk, rabiës, ebola
o Naakt helicoïdaal
Polyhedraal: vb: adenovirus, polyoomavirus
o Naakt polyhedraal
Complexe vormen
o Vb: bacteriofagen
Polyhedraal
eiwitmantel die uit vlakjes bestaat
Naakt: geen enveloppe rond kapsel
Adenovirussen: verkoudheid
Polyomavirus
Poliomyelitisvirus: kinderverlamming