Hoofdstuk 8: voeding en spijsvertering
Monofagen: dieet beperkt tot 1 mogelijke voedingsbron → uiterst gespecialiseerd
spijsverteringsstelsel
Polyfagen: gevarieerde voedselkeuze → spijsverteringsstelsel moet extra uitgerust zijn
1 Bemachtigen van voedsel
1.1 Aquatische voedingswijze
Voeding opnemen onder water: riskeren dat hun prooi verder voor zich uit duwen → aanpassingen
1.1.1 Filteren
Werkwijze:
Nemen zowel water op als prooi
Voor ingestie word geheel gefilterd: water verlaat mond & prooi blijft gevangen
Prooien die veel kleiner zijn dan zichzelf
Passieve filtering
Meest eenvoudige vorm
Wie: larven van prik
werkwijze
o Tijdens voortbewegen & ademen beweegt water over kieuwen
o Zeven filtreren water & voedzame partikels blijven kleven in mucus
o Mucus afgevoerd naar maagdarmstelsel
Pompmechanismen
Water actief over filters bewegen
Wie: walvishaaien, haringen & kikkervisjes
Werkwijze
o 1: pompen door contracties van keelmusculatuur water actief over kieuwbogen
o 2: tong → water overheen fijne lamellen op rand van bek
Filtreren met de mond wijd open
Wie: reuzenhaai & baleinwalvissen
Werkwijze
o Mond wijd open → grote hoeveelheid water naar binnen dat wordt gefilterd
o Water kan passief mond verlaten/ actief door tong naar buiten worden geduwd
Baleinen = dicht opeen ingeplante hoornige platen opgebouwd uit 2 uitwendige lamellen waartussen
talrijke holle, hoornige buisjes worden vastgehouden
→ breed nabij aanhechting & versmalt zodat buisjes als haren van een borstel komen te liggen
1.1.2 Happen & vastklemmen
Werkwijze:
Prooien omklemmen of vastklemmen met kaken
Prooien relatief groot en macroscopisch waarneembaar
Kaken uitgerust met hoornige randen/ tanden (driehoekig of kegelvormig)
Wijze om prooien te vangen
Prooien aanzuigen
o Mond matig geopend
o Ademhaling via kieuwen stilgelegd
, Uithalen naar prooien & pakken op snelheid
o Mondholte nauw geopend & uitgerekt in functie van omvang prooi
o Aanpassen van mondholte → langgerekte snuit waar prooi precies inpast
(niet veel extra water opgenomen)
Combinatie van beide (zeeschildpad)
o halen snel uit door voorwaartse beweging kop
o aanzuigen prooi → nier vooruit geduwd door beweging kop
gebruik maken van protractiele kaken: naar voor bewegen van kaken
o prooi sneller opgeslokt & mondholte uitgebreid → automatisch sterker zuigen
1.2 bemachtigen van voedsel aan land
prooi bemachtigen komt aan op snelheid (relatief)
kop is zeer licht & kan dus snel bewogen worden
1.1.3 intrinsieke hulpmiddelen
bemachtigen van prooien door andere lichaamsonderdelen dan de mond
tong
= bijzonder hulpmiddel → oorspronkelijk als hulpmiddel om voedsel door te slikken
Soorten systemen
katapultmechanismen om tong te projecteren
o tong vastgehecht aan binnenzijde kin
o rust: naar achter omgeklapt in mondholte
o tongspieren opspannen → tong compact in kinhoek getrokken → spieren trekken kin
naar beneden → volume toename van deze spieren → tong fors naar boven drukken
over kinrand
o krachtige beweging in minder dan 0.05 sec
tongbeen uitgerust met lang, hoornig uitsteeksel dat spits naar voren loopt
o tong uitgerust met pezige schede in middellijn
o voorzijde tong een gespecialiseerde spier → contractie: tong schiet weg v tongbeen
o tong even langs als totale lichaamslengte naar buiten in minder dan 0.04sec
caudale uiteinden tongbeen ver naar achter in nek & mediaan uitsteeksel naar voren gericht
o contractie spieren rond caudale uiteinden → tongbeen & tong naar voren
gekatapulteerd
fijne lange tong in spierige schede verpakt
o tong & schede rijken ver naar caudaal & hechten op xyphoïd
o contractie van spieren vd schede → tong snel & ver naar buiten gebracht
1.1.4 extrinsieke hulpmiddelen
gebruik van werktuigen om voedsel te bemachtigen
enkele voorbeelden
chimpansee: twijgen om in fijne openingen te pulken
Darwinvinken: stekels van cactussen om in fijne openingen te pulken
Stenen om o.a. eieren te breken
2 Mechanische verwerking van voedsel
2.1 Alternatieven voor kauwen
1) Voedsel verkleinen voor ze het opnemen
Voedsel kapotscheuren met bek
, 2) Keeltanden achter in de oropharyngeale ruimte
Effect van molensteen om opgenomen voedsel te pletten en malen
3) Enzymatische vertering voorbij mondholte
Prooi in 1 geheel inslikken → beschikken over een zeer bewegelijke schedel
4) Krachtige spiermaag
Nemen grind & stenen op in maag die voedsel helpen pletten
2.2 Kauwen
1.1.5 Het gebit
Soorten tanden
Acrodont: de tanden staan bovenop ingeplant (straalvinnige vissen)
Pleurodont: tanden leunen tegen een labiale kam van het kraakbeen (slangen, leguanen)
Thecodont: tanden diep verankerd in tandkas (krokodillen & zoogdieren)
Soorten gebitten
Homodont: alle tanden hebben dezelfde vorm (niet-zoogdieren)
Heterodont: verschillende tandtypes toegespitst op een specifieke functie
o Vooraan op kaak: snijtanden/ incisivi (3 per kwadrant)
o 1 forse hoektand/ caninus
o Kiezen
Valse kiezen/ premolaren (4 per kwadrant)
→ zowel in melkgebit als volwassen gebit
Ware kiezen/ molaren (3 per kwadrant)
Duur van gebit
Diphyodont: tanden worden eenmaal gewisseld behalve molaren (zoogdieren)
o Melktanden = dentes decidui
o Definitieve tanden = dentes permanentes
Monophyodont: wisselen tanden nooit (tandwalvissen)
o Sommige dieren lijken monophyodont → wisselen tanden in prenatale ontwikkeling
Polyphyodont: tanden kunnen continue vervangen worden (meeste niet-zoogdieren)
o Enkel acrodonten tanden kunnen niet vervangen worden
1.1.6 Basisvorm van de kies bij zoogdieren
Kiezen= complex gevormde tanden
Onderdelen
Conus/ conide: een punt van de kies
o Basisvorm: 3 belangrijke coni(den) → driehoekig gerangschikt
Onderste rij: punt driehoek naar wang
Bovenste rij: punt driehoek naar gehemelte
Onderste kiezen achteraan uitgebreid met lage, ondiepe uitgeholde plaat
Zoogdieren: scharend gebit → protoconus bovenste molaren zitten tussen 2 opeenvolgende
protoconiden van de onderste molaren
2.3 Specifieke adaptaties naargelang het type voedsel
1.1.7 Carnivoren
Carnivoren= dieren die andere dieren opeten → geadapteerd om zacht maar toch stevig en taai
voedsel te verwerken
Monofagen: dieet beperkt tot 1 mogelijke voedingsbron → uiterst gespecialiseerd
spijsverteringsstelsel
Polyfagen: gevarieerde voedselkeuze → spijsverteringsstelsel moet extra uitgerust zijn
1 Bemachtigen van voedsel
1.1 Aquatische voedingswijze
Voeding opnemen onder water: riskeren dat hun prooi verder voor zich uit duwen → aanpassingen
1.1.1 Filteren
Werkwijze:
Nemen zowel water op als prooi
Voor ingestie word geheel gefilterd: water verlaat mond & prooi blijft gevangen
Prooien die veel kleiner zijn dan zichzelf
Passieve filtering
Meest eenvoudige vorm
Wie: larven van prik
werkwijze
o Tijdens voortbewegen & ademen beweegt water over kieuwen
o Zeven filtreren water & voedzame partikels blijven kleven in mucus
o Mucus afgevoerd naar maagdarmstelsel
Pompmechanismen
Water actief over filters bewegen
Wie: walvishaaien, haringen & kikkervisjes
Werkwijze
o 1: pompen door contracties van keelmusculatuur water actief over kieuwbogen
o 2: tong → water overheen fijne lamellen op rand van bek
Filtreren met de mond wijd open
Wie: reuzenhaai & baleinwalvissen
Werkwijze
o Mond wijd open → grote hoeveelheid water naar binnen dat wordt gefilterd
o Water kan passief mond verlaten/ actief door tong naar buiten worden geduwd
Baleinen = dicht opeen ingeplante hoornige platen opgebouwd uit 2 uitwendige lamellen waartussen
talrijke holle, hoornige buisjes worden vastgehouden
→ breed nabij aanhechting & versmalt zodat buisjes als haren van een borstel komen te liggen
1.1.2 Happen & vastklemmen
Werkwijze:
Prooien omklemmen of vastklemmen met kaken
Prooien relatief groot en macroscopisch waarneembaar
Kaken uitgerust met hoornige randen/ tanden (driehoekig of kegelvormig)
Wijze om prooien te vangen
Prooien aanzuigen
o Mond matig geopend
o Ademhaling via kieuwen stilgelegd
, Uithalen naar prooien & pakken op snelheid
o Mondholte nauw geopend & uitgerekt in functie van omvang prooi
o Aanpassen van mondholte → langgerekte snuit waar prooi precies inpast
(niet veel extra water opgenomen)
Combinatie van beide (zeeschildpad)
o halen snel uit door voorwaartse beweging kop
o aanzuigen prooi → nier vooruit geduwd door beweging kop
gebruik maken van protractiele kaken: naar voor bewegen van kaken
o prooi sneller opgeslokt & mondholte uitgebreid → automatisch sterker zuigen
1.2 bemachtigen van voedsel aan land
prooi bemachtigen komt aan op snelheid (relatief)
kop is zeer licht & kan dus snel bewogen worden
1.1.3 intrinsieke hulpmiddelen
bemachtigen van prooien door andere lichaamsonderdelen dan de mond
tong
= bijzonder hulpmiddel → oorspronkelijk als hulpmiddel om voedsel door te slikken
Soorten systemen
katapultmechanismen om tong te projecteren
o tong vastgehecht aan binnenzijde kin
o rust: naar achter omgeklapt in mondholte
o tongspieren opspannen → tong compact in kinhoek getrokken → spieren trekken kin
naar beneden → volume toename van deze spieren → tong fors naar boven drukken
over kinrand
o krachtige beweging in minder dan 0.05 sec
tongbeen uitgerust met lang, hoornig uitsteeksel dat spits naar voren loopt
o tong uitgerust met pezige schede in middellijn
o voorzijde tong een gespecialiseerde spier → contractie: tong schiet weg v tongbeen
o tong even langs als totale lichaamslengte naar buiten in minder dan 0.04sec
caudale uiteinden tongbeen ver naar achter in nek & mediaan uitsteeksel naar voren gericht
o contractie spieren rond caudale uiteinden → tongbeen & tong naar voren
gekatapulteerd
fijne lange tong in spierige schede verpakt
o tong & schede rijken ver naar caudaal & hechten op xyphoïd
o contractie van spieren vd schede → tong snel & ver naar buiten gebracht
1.1.4 extrinsieke hulpmiddelen
gebruik van werktuigen om voedsel te bemachtigen
enkele voorbeelden
chimpansee: twijgen om in fijne openingen te pulken
Darwinvinken: stekels van cactussen om in fijne openingen te pulken
Stenen om o.a. eieren te breken
2 Mechanische verwerking van voedsel
2.1 Alternatieven voor kauwen
1) Voedsel verkleinen voor ze het opnemen
Voedsel kapotscheuren met bek
, 2) Keeltanden achter in de oropharyngeale ruimte
Effect van molensteen om opgenomen voedsel te pletten en malen
3) Enzymatische vertering voorbij mondholte
Prooi in 1 geheel inslikken → beschikken over een zeer bewegelijke schedel
4) Krachtige spiermaag
Nemen grind & stenen op in maag die voedsel helpen pletten
2.2 Kauwen
1.1.5 Het gebit
Soorten tanden
Acrodont: de tanden staan bovenop ingeplant (straalvinnige vissen)
Pleurodont: tanden leunen tegen een labiale kam van het kraakbeen (slangen, leguanen)
Thecodont: tanden diep verankerd in tandkas (krokodillen & zoogdieren)
Soorten gebitten
Homodont: alle tanden hebben dezelfde vorm (niet-zoogdieren)
Heterodont: verschillende tandtypes toegespitst op een specifieke functie
o Vooraan op kaak: snijtanden/ incisivi (3 per kwadrant)
o 1 forse hoektand/ caninus
o Kiezen
Valse kiezen/ premolaren (4 per kwadrant)
→ zowel in melkgebit als volwassen gebit
Ware kiezen/ molaren (3 per kwadrant)
Duur van gebit
Diphyodont: tanden worden eenmaal gewisseld behalve molaren (zoogdieren)
o Melktanden = dentes decidui
o Definitieve tanden = dentes permanentes
Monophyodont: wisselen tanden nooit (tandwalvissen)
o Sommige dieren lijken monophyodont → wisselen tanden in prenatale ontwikkeling
Polyphyodont: tanden kunnen continue vervangen worden (meeste niet-zoogdieren)
o Enkel acrodonten tanden kunnen niet vervangen worden
1.1.6 Basisvorm van de kies bij zoogdieren
Kiezen= complex gevormde tanden
Onderdelen
Conus/ conide: een punt van de kies
o Basisvorm: 3 belangrijke coni(den) → driehoekig gerangschikt
Onderste rij: punt driehoek naar wang
Bovenste rij: punt driehoek naar gehemelte
Onderste kiezen achteraan uitgebreid met lage, ondiepe uitgeholde plaat
Zoogdieren: scharend gebit → protoconus bovenste molaren zitten tussen 2 opeenvolgende
protoconiden van de onderste molaren
2.3 Specifieke adaptaties naargelang het type voedsel
1.1.7 Carnivoren
Carnivoren= dieren die andere dieren opeten → geadapteerd om zacht maar toch stevig en taai
voedsel te verwerken