WAT IS HOREN?
DEFINITIE HOREN
→ Kunnen horen is het geheel van horen, identificeren, herkennen en
interpreteren van geluiden.
WAT KAN ER FOUTLOPEN?
Problemen in het uitwendig, midden en binnenoor.
Problemen tijdens het versturen van de geluidssignalen in de hersenen.
HOORFUNCTIES
Hardhorendheid
Niet goed kunnen onderscheiden en herkennen van geluid
Niet goed verstaan van spraak in stilte
Niet goed verstaan van spraak in lawaai
Niet goed kunnen richtingshoren
Recruitment
HARDHORENDHEID
= Het niet goed kunnen horen van geluiden
Kleiner wordende hoorspanne of dynamisch bereik
Ouderdomsslechthorenheid (= presbyacousis)
Soorten gehoorverlies
- Geleidingsverlies/conductiefverlies/transimissie verlies (transport van
geluid → er loopt iets mis in de transport van het geluid) (Bv; Uitwendig
oor: oorprop, vreemd voorwerp, eczema …; Midden oor: oorontsteking,
perforatie trommelvlies, probleem bij beentjesketen, …)
- Perceptief gehoorverlies (er loopt iets mis in het binnenoor)
- Gemengd gehoorverlies = geleidingsverlies + perceptief gehoorverlies
NIET GOED KUNNEN ONDERSCHEIDEN EN HERKENNEN VAN GELUIDEN
= Verminderde frequentieselectiviteit
= Verminderede gevoeligheid voor hoge tonen
Men hoort maar men herkent niet de geluiden = verminderd
discriminatievermogen
Oplossing is selectieve versterking → NIET roepen, maar duidelijk spreken
,NIET GOED VERSTAAN VAN SPRAAK IN STILTE
= Klankpatronen worden in de hogere gehoorcentra vergeleken met in het
geheugen opgeslagen klankpatronen
Contextuele informatie is heel belangrijk bij horen.
Vergelijkbaar met een gesprek volgen in een vreemde taal – vermoeiend
om gesprek te volgen.
NIET GOED VERSTAAN VAN SPRAAK IN LAWAAI
= Gehoor is niet in staat om geluiden van verschillende geluidsbronnen te
selecteren (= cocktail-party effect)
Signaal – ruis verhouding
NIET GOED KUNNEN RICHTINGHOREN
= Vermogen om selectief te luisteren naar het geluid/spreker die men wil horen
(de richting waar het geluid van komt).
Gebeurt door verschillen in aankomsttijd, sterkte en klank van een geluid
in de afzonderlijke oren.
Snelle verwerking van deze klankpatronen in hogere hoorcentra in de
hersenen.
Helpt om alert te reageren op geluiden.
RECRUITMENT
= Combinatie van ongevoeligheid voor zachte en harde geluiden.
Versnelde toename van subjectieve geluidssterkte bij toenemende
geluidsintensiteit.
Hinder in het dagdagelijkse leven.
TINNITUS
= Oorsuizen – fluittoon en vaak doorlopend.
DIPLACUSIS
= Eenzelfde geluid wordt in beide oren in een andere toonhoogte waargenomen.
TRAGER HERKENNEN VAN GELUIDEN
= Indien je meer tijd nodig hebt om klankpatronen te herkennen en te verstaan
omdat ze vervormd aan de hogere hoorcentra worden aangeleverd.
, PSYCHOGENE SLECHTHORENDHEID
= Zich gaan afsluiten voor geluid door trauma (geen functioneel gehoorverlies).
DUIZELIGHEID
Het gehoor en evenwicht zijn aan elkaar gelinkt.
ONS GEHOORORGAAN
PROBLEMEN MET DE COCHLEA
Ouderdom
Aangeboren
Trauma
UITWENDIG GEHOORORGAAN
AFWIJKINGEN VAN HET UITWENDIG GEHOORORGAAN
Microtia-anotia
DEFINITIE HOREN
→ Kunnen horen is het geheel van horen, identificeren, herkennen en
interpreteren van geluiden.
WAT KAN ER FOUTLOPEN?
Problemen in het uitwendig, midden en binnenoor.
Problemen tijdens het versturen van de geluidssignalen in de hersenen.
HOORFUNCTIES
Hardhorendheid
Niet goed kunnen onderscheiden en herkennen van geluid
Niet goed verstaan van spraak in stilte
Niet goed verstaan van spraak in lawaai
Niet goed kunnen richtingshoren
Recruitment
HARDHORENDHEID
= Het niet goed kunnen horen van geluiden
Kleiner wordende hoorspanne of dynamisch bereik
Ouderdomsslechthorenheid (= presbyacousis)
Soorten gehoorverlies
- Geleidingsverlies/conductiefverlies/transimissie verlies (transport van
geluid → er loopt iets mis in de transport van het geluid) (Bv; Uitwendig
oor: oorprop, vreemd voorwerp, eczema …; Midden oor: oorontsteking,
perforatie trommelvlies, probleem bij beentjesketen, …)
- Perceptief gehoorverlies (er loopt iets mis in het binnenoor)
- Gemengd gehoorverlies = geleidingsverlies + perceptief gehoorverlies
NIET GOED KUNNEN ONDERSCHEIDEN EN HERKENNEN VAN GELUIDEN
= Verminderde frequentieselectiviteit
= Verminderede gevoeligheid voor hoge tonen
Men hoort maar men herkent niet de geluiden = verminderd
discriminatievermogen
Oplossing is selectieve versterking → NIET roepen, maar duidelijk spreken
,NIET GOED VERSTAAN VAN SPRAAK IN STILTE
= Klankpatronen worden in de hogere gehoorcentra vergeleken met in het
geheugen opgeslagen klankpatronen
Contextuele informatie is heel belangrijk bij horen.
Vergelijkbaar met een gesprek volgen in een vreemde taal – vermoeiend
om gesprek te volgen.
NIET GOED VERSTAAN VAN SPRAAK IN LAWAAI
= Gehoor is niet in staat om geluiden van verschillende geluidsbronnen te
selecteren (= cocktail-party effect)
Signaal – ruis verhouding
NIET GOED KUNNEN RICHTINGHOREN
= Vermogen om selectief te luisteren naar het geluid/spreker die men wil horen
(de richting waar het geluid van komt).
Gebeurt door verschillen in aankomsttijd, sterkte en klank van een geluid
in de afzonderlijke oren.
Snelle verwerking van deze klankpatronen in hogere hoorcentra in de
hersenen.
Helpt om alert te reageren op geluiden.
RECRUITMENT
= Combinatie van ongevoeligheid voor zachte en harde geluiden.
Versnelde toename van subjectieve geluidssterkte bij toenemende
geluidsintensiteit.
Hinder in het dagdagelijkse leven.
TINNITUS
= Oorsuizen – fluittoon en vaak doorlopend.
DIPLACUSIS
= Eenzelfde geluid wordt in beide oren in een andere toonhoogte waargenomen.
TRAGER HERKENNEN VAN GELUIDEN
= Indien je meer tijd nodig hebt om klankpatronen te herkennen en te verstaan
omdat ze vervormd aan de hogere hoorcentra worden aangeleverd.
, PSYCHOGENE SLECHTHORENDHEID
= Zich gaan afsluiten voor geluid door trauma (geen functioneel gehoorverlies).
DUIZELIGHEID
Het gehoor en evenwicht zijn aan elkaar gelinkt.
ONS GEHOORORGAAN
PROBLEMEN MET DE COCHLEA
Ouderdom
Aangeboren
Trauma
UITWENDIG GEHOORORGAAN
AFWIJKINGEN VAN HET UITWENDIG GEHOORORGAAN
Microtia-anotia