Voorbeeldvragen Toledo
Meerkeuzevragen Topic 1.1: Welvaartstheorema’s
Vraag 1: In tekst T1.1 01 stelt Diana Coyle dat:
A. het eerste welvaartstheorema fout is.
B. de voorwaarden waaronder het eerste welvaartstheorema opgaan, in realiteit steeds minder
opgaan, en daardoor de relevantie van het eerste welvaartstheorema steeds minder groot
wordt.
C. schaalopbrengsten in een gedigitaliseerde, hoog-technologische economie minder groot zijn
dan in een oudere economie die steunde op grote industriële sectoren, zoals staal- of mijn-
industrie, met als gevolg dat onze economie nu dichter het ideaal van een perfect
competitieve economie benadert dan vroeger.
D. het tweede welvaartstheorema het eerste welvaartstheorema overbodig maakt.
Vraag 2: Gebruik de tool van de Edgeworth Box om na te gaan hoe de contractcurve eruit ziet als de
twee individuen dezelfde voorkeuren hebben.
Als beide individuen dezelfde voorkeuren hebben in de Edgeworth Box, dan valt de contractcurve
samen met de diagonaal. Dit komt doordat beiden hetzelfde nut ontlenen aan elke verdeling van
middelen, wat resulteert in een symmetrische verdeling langs die lijn.
Vraag 3: s volgende uitspraak juist of fout?
"Als individuen starten met gelijke endowments, dan leidt de werking van de markt altijd tot een gelijke
verdeling" (Je kan de Tool van de Edgeworth Box gebruiken om dit te checken)
FOUT → Zelfs als individuen starten met gelijke endowments, leidt de markt niet noodzakelijkerwijs tot
een gelijke verdeling omdat voorkeuren en onderhandelingsmacht kunnen verschillen
Vraag 4: Welke van de volgende concepten in de analyse van de producent is analoog aan de
Marginale SubstitutieVoet bij de consument?
A. de Marginale TransformatieVoet (MTV)
B. de Marginale Technische Substitutievoet (MTSV)
C. de Marginale Kost (MK)
D. de Marginale Fysieke Productiviteit van Kapitaal (MFPK)
Vraag 5: Welke van de volgende concepten in de analyse van de producent is analoog aan de
Nutsmogelijkhedencurve bij de consument?
A. de Productiemogelijkhedencurve (PMC)
B. de contractcurve
C. de isoquant
D. het initiële endowment punt
Vraag 6: Als we redeneren in de economie van de EdgeworthBox van een ruil-economie, is volgende
uitspraak juist of fout?
“In het initiële endowment punt kunnen de bereidheden tot betalen van de twee marktdeelnemers
nooit aan elkaar gelijk zijn”.
FOUT → In initiële endowment punt kunnen bereidheden tot betalen van de twee deelnemers aan de
markt wel aan elkaar gelijk zijn, afhankelijk van hun voorkeuren en de endowments die ze ontvangen.
, Meerkeuzevragen Topic 1.2: Publieke goederen (3/5 juist)
Vraag 1: Lees in tekst T1.2 03 van Gareth Hardin “The Tragedy of the commons” aandachtig de
middenkolom op p. 1244, startend met volgende zin: “We can make little progress in working toward
optimum poulation size until we explicitly exorcize the spirit of Adam Smith in the field of practical
demography.” Welke uitspraak is juist over dit tekstgedeelte?
A. Volgens Harding beweert Smith onterecht dat de “onzichtbare hand” altijd werkzaam is.
B. Volgens Harding pleit Adam Smith als één van de eersten voor geboortecontrole.
C. Wat Harding in deze tekst “optimum population” noemt komt mutatits mutandis in onze
economische analyse overeen met wat we het “maatschappelijk” of “sociaal optimum”
noemen, of ook wel: het optimum op de Pareto-grens.
D. Volgens Harding wordt de “Invisible Hand” eerst beschreven in een pamflet uit 1833.
Vraag 2: In tekst T1.2 03 van Gareth Hardin “The Tragedy of the commons” geeft de auteur in de
linkerkolom op p.1245 andere voorbeelden van “Commons”. Welke van de volgende voorbeelden uit
de tekst is geen “Common”?
A. private property.
B. gratis parkeren.
C. Nationale Parken waar de toegang vrij is.
D. oceanen waar vrij gevist kan worden
Vraag 3: Lees in tekst T1.2 03 van Gareth Hardin “The Tragedy of the commons” aandachtig de
middenkolom op p. 1245, en meer in het bijzonder volgende passage: “But the air and waters
surrounding us cannot readily be fenced, and so the tragedy of the commons as a cesspool must be
prevented by different means, by coercive laws or taxing devices that make it cheaper for the polluter
to treat his pollutants than to discharge hem untreated.” Welke uitspraak is juist over dit
tekstgedeelte?
A. de “taxing devices” waar de auteur naar verwijst zouden kunnen geïnterpreteerd worden als
Pigoviaanse belastingen.
B. Harding beweert dat het Coase-theorema van toepassing is op lucht en water.
C. De auteur maakt een redeneerfout door externaliteiten en publieke goederen met elkaar te
verwarren.
D. Harding suggereert dat een belasting die vervuiling kan tegen gaan niet “incentief-compatibel”
mag zijn.
Vraag 4: Welke uitspraak is juist?
A. Er is geen vraag naar een zuiver publiek goed omdat de marginale kosten om een extra
eenheid van het goed te produceren gelijk zijn aan nul.
B. Aangezien consumenten zich gedragen als vrijbuiters bij een zuiver publiek goed, spelen de
voorkeuren van de burgers geen enkele rol bij het bepalen van de optimale hoeveelheid van
het publiek goed.
C. De Samuelson-regel karakteriseert de optimale hoeveelheid van een zuiver publiek goed als
deze hoeveelheid waarbij de marginale resourcekost voor een extra eenheid van het goed
gelijk is aan de som van de marginale bereidheden tot betalen van alle consumenten.
D. De Samuelson-regel voor de optimale hoeveelheid van een zuiver publiek goed stelt dat,
aangezien iedereen dezelfde hoeveelheid van het goed consumeert, iedereen ook evenveel
moet betalen.