Week 1: Algemeen en totstandkoming
Een verbintenis is ‘een rechtsverhouding tussen twee partijen, krachtens welke een der
partijen, de schuldenaar of debiteur, een op het terrein van het vermogen liggende prestatie
verschuldigd is aan de andere partijen, de schuldeiser of crediteur, die deze van haar te
vordering heeft.’ De verbintenis is dus zowel een vorderingsrecht als schuld: zij heeft een
actieve en een passieve kant.
Art. 6:1 BW bepaalt dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan, indien dit uit de wet
voortvloeit. Er zijn drie manieren waarop uit de wet kan voortvloeien dat een bepaald feit
een verbintenis doet ontstaan:
1. De wet wijst rechtstreeks feiten aan als bron van verbintenissen
2. De wet wijst via het ongeschreven recht bepaalde feiten aan als bronnen van
verbintenissen
3. De wet wijst geen directe bron aan. Het feit doet echter toch een verbintenis
ontstaan, omdat dit past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet
geregelde gevallen
De belangrijkste groep bronnen van verbintenissen die de wet aanwijst zijn de
‘overeenkomst’ (art. 6:213 BW) en de ‘onrechtmatige daad’ (art. 6:162 BW).
In sommige gevallen verwijst de wet naar het ongeschreven recht (redelijkheid en
billijkheid) (art. 6:2 en 6:248 BW).
Een verbintenis kan ook ontstaan indien het past in het systeem van de wet en aansluit bij de
in de wet geregelde gevallen (HR Quint/Te Poel).
Een vorderingsrecht is altijd in rechte afdwingbaar. Art. 3:296 BW geeft hierop een aantal
uitzonderingen: uit de wet, de aard van de rechtshandeling of uit een rechtshandeling volgen
dat veroordeling tot nakoming niet mogelijk is. In deze gevallen is er sprake van een
natuurlijke verbintenis. Een natuurlijke verbintenis is een verbintenis waarvan de nakoming
niet rechtens afdwingbaar is (art. 6:3 lid 1 BW). Je hebt dus wel een vorderingsrecht, maar je
kunt deze niet afdwingen.
Art. 6:3 lid 2 BW geeft gronden waarop een natuurlijke verbintenis kan ontstaan (één van de
twee is voldoende):
- Sub a: wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de
afdwingbaarheid onthoudt
- Sub b: dringende morele verplichting
De wet omschrijft algemene voorwaarden als ‘één of meer bedingen die zijn opgesteld om in
aantal overeenkomsten te worden opgenomen, m.u.v. bedingen die de kern van de prestaties
aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn
geformuleerd’ (art. 6:231 sub a BW).
De wet definieert naast de algemene voorwaarden, ook de gebruiker en de wederpartij in
art. 6:231 sub b en sub c BW:
- Gebruiker: degene die de algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt,
degene die de ander de algemene voorwaarden laat tekenen (vaak de verkoper).
, - Wederpartij: degene die door ondertekening van een geschrift of op andere wijze de
gelding van algemene voorwaarden heft aanvaard (vaak de koper).
Voor het overeenkomen van algemene voorwaarden gelden dezelfde eisen als voor het tot
stand komen van algemene voorwaarden; aanbod & aanvaarding (art. 6:217 jo. 3:33 jo. 3:37
BW).
O.g.v. art. 6:232 BW is een wederpartij ook aan de algemene voorwaarden gebonden als bij
het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud
daarvan niet kende.
Art. 6:233 BW geeft twee gronden waarop in een overeenkomst opgenomen algemene
voorwaarden door de wederpartij kunnen worden vernietigd:
- Sub a beding is onredelijk bezwarend voor de wederpartij (open norm)
o Gezichtspunten: ‘de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze
waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare
belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval’
- Sub b gebruiker heeft wederpartij onredelijke mogelijkheid geboden om kennis te
nemen van de algemene voorwaarden
De lijsten die een wettelijke uitwerking vormen van de open norm ‘onredelijk bezwarend’
zijn alleen van toepassing bij overeenkomsten tussen gebruiker en wederpartij die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De wederpartij moet dus een natuurlijk
persoon zijn (consument):
a. Zwarte lijst (art. 6:236 BW): bedingen die als onredelijk bewarend worden
aangemerkt. Tegenbewijs is niet mogelijk. Ontoelaatbaar
b. Grijze lijst (art. 6:237 BW): bedingen die als onredelijk bezwarend worden
vermoed. Tegenbewijs is wel mogelijk. Verdacht
Er geldt echter reflexwerking voor andersoortige wederpartijen, zoals bedrijven. Wanneer
een niet-consument een beroep doet op de ‘lijsten’, dan is dat een argument dat dat beding
in casu een onredelijk bezwarend karakter draagt (dus niet van rechtswege).
Art. 6:234 BW noemt verschillende manieren om te voldoen aan de basisnorm (art. 6:233
sub b BW, informatieplicht):
1. Uitgangspunt is terhandstelling: ieder feitelijke aanlevering van tekst van de
voorwaarden; dient vóór of bij het sluiten van overeenkomst plaats te vinden.
2. Mededelen dat en waar de voorwaarden kunnen worden ingezien; en dat de
gebruiker deze kosteloos zal verzenden op verzoek (beide vóór totstandkoming van
overeenkomt).
De elektronische terhandstelling wordt geregeld in art. 6:234 lid 2 en 3 BW. Als de
overeenkomst elektronisch wordt gesloten, mag de gebruiker de algemene voorwaarden
langs elektronische weg ter beschikking stellen. De elektronische terbeschikkingstelling moet
zodanig zijn dat:
1. Voor de wederpartij duidelijk is welke voorwaarden van toepassing zijn
2. De wederpartij eenvoudig van de voorwaarden kan kennisnemen
, 3. De voorwaarden door de wederpartij worden opgeslagen en voor haar toegankelijk
zijn t.b.v. latere kennisneming
Als de overeenkomst fysiek tot stand is gekomen, dan is voor elektronische
terbeschikkingstelling de uitdrukkelijke toestemming van de wederpartij vereist (art. 6:234
lid 3 BW).
Indien een beding de toets van art. 6:233 sub a en/of b BW niet kan doorstaan, is het beding
in beginsel vernietigbaar (niet van rechtswege nietig). Het beroep op de vernietigingsgrond
geschiedt door een buitengerechtelijke verklaring of door een verlangen of verweer in
rechte (art. 3:49-51 BW).
HR Baris/Riezenkamp
Degene die handelt met een ander over een contract, moet voorkomen dat hij deze sluit
onder invloed van een onjuiste veronderstelling van zaken; hij heeft dus een
onderzoeksplicht.
HR Quint/Te Poel
Er staat niet meer dat een verbintenis uit de wet moet ontstaan, maar dat de verbintenis
hieruit moet voortvloeien. Indien de wet geen regeling voor het geval kent moet een
oplossing worden gezocht die past in het stelsel van de wet en die aansluit bij wel in de wet
geregelde gevallen (art. 6:1 BW).
HR Plas/Valburg
De vraag over het moment waarop een onderhandeling nog kan worden afgebroken, dient
beantwoord te worden a.d.h.v. het stadium waarin de ‘overeenkomst’ verkeert:
1. Eerste stadium: men mag onderhandelingen afbreken
2. Tweede stadium: men mag onderhandelingen afbreken, mits de afbreker
schadevergoeding betaalt voor de gemaakte kosten van de ander
3. Derde stadium: man kan onderhandelingen niet afbreken. De wederpartij kan nu zelfs
nakoming vorderen of kiezen voor schadevergoeding. Een vergoeding van de
gederfde winst kan nu ook op zijn plaats zijn.
HR Geurtzen/Kampstaal
- Een algemene voorwaarde die niet ter hand is gesteld, kan toch van toepassing zijn
als de wederpartij deze al kende of geacht kon worden deze te kennen op basis van
een eerdere contractuele relatie. Dit vormt een uitzondering op het algemene
vereiste van terhandstelling uit art. 6:233 sub b BW. Als iemand al bekend is met
bepaalde algemene voorwaarden uit eerdere transacties, kan hij zich later niet
beroepen op het ontbreken van een terhandstelling.
- Een eenvoudige exoneratie-clausule (zoals een bord) die duidelijk aan klanten wordt
gepresenteerd, is een geldige uitvoering van de eis uit art. 6:233 sub b BW. De
gebruiker voldoet daarmee aan zijn plicht om de algemene voorwaarden ter hand te
stellen.
HR CBB/JPO
De maatstaf die gebruikt moet worden voor de schadevergoedingsplicht als een partij de
onderhandelingen afbreekt, houdt in dat de onderhandelende partijen vrij zijn