Macro-economie
Hoofdstuk 6: productie, inkomen en bestedingen
6.1 inleiding
Micro- economie:
Gaat na hoe individuen en bedrijven (individuele economische agenten) beslissingen nemen.
Heeft dus vnl betrekking op allocatie- en distributieprobleem.
Macro-economie:
Bekijkt het geaggregeerde niveau en bestudeert vraagstukken die economie als geheel beïnvloeden
Heeft dus vnl betrekking op het stabilisatieprobleem.
-> Verklaring zoeken voor economische aggregaten zoals nationaal product, werkloosheid, inflatie,
saldo betalingsbalans.
Voorbeeld: in België krijg je nog maar voor twee jaar een werkloosheidsuitkering -> zo werkloosheid
proberen beperken
Cijfermateriaal voor macro-economische analyse:
“nationale rekeningen” , “nationale boekhouding”
▪ Registreert de transacties tussen de economische agenten
▪ Cruciaal concept bruto binnenlands product (bbp)
▪ Boekhoudkundige gelijkheid: nationaal product (waarde van de productie)= nationaal
inkomen (gecreëerde inkomens)= bestedingen van het nationaal product
6.2 productie, toegevoegde waarde en factorvergoedingen
eenvoudig voorbeeld: productie van schoenen, elk productieproces bestaat uit ≠ productiefasen
Verschillende productiefasen:
• Bewerken huiden (huidenhandel)
• Leder van maken (leerlooierijen)
• Verwerken tot schoenen (schoenfabriek)
• Aan consumenten verkopen (schoenwinkel) = het finaal goed
➔ In de rest van de stappen wordt een intermediar goed geproduceerd -> wordt nog verder
gebruikt voor productie
➔ In elke fase wordt er waarde toegevoegd aan het product tot we de waarde finaal goed hebben
➔ Som van de toegevoegde waarde = de waarde van het finaal goed
Productie, toegevoegde waarde en factorvergoedingen
Factorvergoeding = soms van de kosten voor de inputs die jij hebt gebruikt
We hebben dus: W = A-M = F
De waarde van de productie (W) =
- de waarde van de finale goederen (verkoopprijs in de winkel);
- de som van de toegevoegde waarden;
- de som van de factorvergoedingen
,6.3 Voorraden
6.4 Soorten factorvergoedingen
Uitsplitsing van de verschillende soorten factorvergoedingen:
- Eigenlijke factorvergoedingen F1 (loonsom, pachtsom, intrestsom) = echte vergoeding die we
moeten betalen voor de input
- Winst π (ook een factorvergoeding, = vergoeding voor producent voor jouw inzet en risico dat je
hebt genomen)
Komen uiteindelijk allemaal bij de gezinnen terecht als inkomen (Y).
We krijgen daarom:
W = A - M = F = F1 + π = Y
6.5 Bruto- versus netto-product
Slijtage van duurzame kapitaalgoederen
= Afschrijvingen of Depreciatie (D) of vervangingsinvesteringen -> worden mee opgenomen
Bruto nationaal product
Bij Bruto houden we ook rekening met vervangingsinvesteringen
bv: bedrijf met 5 vrachtwagens -> je koopt er 5 bij, drie van de vrachtwagens die je al hebt moet je
vervangen dus bestel je 8 nieuwe vrachtwagens -> 5 zijn de nieuwe aankopen en de 3 zijn
vervangingsinvesteringen
Netto nationaal product
Bij netto gaan we gaan rekening houden met die vervangingsinvesteringen
= bruto nationaal product – depreciatie
W – D = F1 + π – D = Y – D netto-inkomen
netto-factorvergoedingen
waarde van de productie =
Productie is er op gericht goederen en diensten voort te brengen om aan behoeften te voldoen.
Waarde van de productie =
- Waarde van de finale goederen en diensten
• Finaal goed = goed in bepaalde periode voortgebracht en niet in dezelfde periode in
volgende productiefase opgegaan.
- Som van de toegevoegde waarde
• Toegevoegde waarde = waarde van de voortgebrachte goederen of diensten
MIN waarde van intermediair verbruik.
- Som van de factorvergoedingen (het inkomen)
• Factorvergoeding = vergoeding van productiefactor (loonsom, intrestsom, pachtsom,
winst)
6.6 Fundamentele gelijkheid tussen product, inkomen en bestedingen
waarde van de productie (nationaal product W)
= daarbij gecreëerde inkomens (nationaal inkomen Y)
= omvang van de bestedingen (besteding inkomen= C+Iep+G+X-Z) -> alle inkomsten worden besteed
C= consumptie gezinnen
Iep = investeringen bedrijven
G= overheidsbestedingen (uitgave door overheid)
X= export, Z = import
, export = productie die naar Buitenland gaat, zit in onze productie
Import = productie die wij halen vanuit het Buitenland, zitten niet in onze producten moeten eraf
gerekend worden
Ex ante investeringen = de gewilde/gewenste investeringen
Ex post (EP) investeringen = de gerealiseerde investeringen
➔ Onderscheid gaan wij niet echt maken
Bovendien geldt ook altijd:
Y≡C+S+T
≡ -> identiteit = gelijkheid die per definitie opgaat
S = sparen
T = netto belastingen
Voorbeeld: ja gaat werken, eerste loon -> stuk gaat daar automatisch af voor de belastingen -> rest
van het inkomen ga je gebruiken voor consumptie, de overschot ga je sparen
➔ Geldt ook voor de overheid
Voor de eenvoud: G, X en Z even buiten beschouwing
We veronderstellen een gesloten economie (= zonder
buitenland) en zonder overheid
-> Als er geen overheid is zijn er ook geen netto
belastingen
Dus: besteding inkomen = C + Iep
En dus ook: Y ≡ C+ S
(later wordt het model dan uitgebreid)
6.7 Macro-economische identiteiten voor een gesloten economie zonder overheid
Sparen = investering -> geldt op spaarrekening, blijft daar niet liggen, bank gaat geld gebruiken, gaan
u geld gebruiken om leningen te geven aan andere
Hoofdstuk 6: productie, inkomen en bestedingen
6.1 inleiding
Micro- economie:
Gaat na hoe individuen en bedrijven (individuele economische agenten) beslissingen nemen.
Heeft dus vnl betrekking op allocatie- en distributieprobleem.
Macro-economie:
Bekijkt het geaggregeerde niveau en bestudeert vraagstukken die economie als geheel beïnvloeden
Heeft dus vnl betrekking op het stabilisatieprobleem.
-> Verklaring zoeken voor economische aggregaten zoals nationaal product, werkloosheid, inflatie,
saldo betalingsbalans.
Voorbeeld: in België krijg je nog maar voor twee jaar een werkloosheidsuitkering -> zo werkloosheid
proberen beperken
Cijfermateriaal voor macro-economische analyse:
“nationale rekeningen” , “nationale boekhouding”
▪ Registreert de transacties tussen de economische agenten
▪ Cruciaal concept bruto binnenlands product (bbp)
▪ Boekhoudkundige gelijkheid: nationaal product (waarde van de productie)= nationaal
inkomen (gecreëerde inkomens)= bestedingen van het nationaal product
6.2 productie, toegevoegde waarde en factorvergoedingen
eenvoudig voorbeeld: productie van schoenen, elk productieproces bestaat uit ≠ productiefasen
Verschillende productiefasen:
• Bewerken huiden (huidenhandel)
• Leder van maken (leerlooierijen)
• Verwerken tot schoenen (schoenfabriek)
• Aan consumenten verkopen (schoenwinkel) = het finaal goed
➔ In de rest van de stappen wordt een intermediar goed geproduceerd -> wordt nog verder
gebruikt voor productie
➔ In elke fase wordt er waarde toegevoegd aan het product tot we de waarde finaal goed hebben
➔ Som van de toegevoegde waarde = de waarde van het finaal goed
Productie, toegevoegde waarde en factorvergoedingen
Factorvergoeding = soms van de kosten voor de inputs die jij hebt gebruikt
We hebben dus: W = A-M = F
De waarde van de productie (W) =
- de waarde van de finale goederen (verkoopprijs in de winkel);
- de som van de toegevoegde waarden;
- de som van de factorvergoedingen
,6.3 Voorraden
6.4 Soorten factorvergoedingen
Uitsplitsing van de verschillende soorten factorvergoedingen:
- Eigenlijke factorvergoedingen F1 (loonsom, pachtsom, intrestsom) = echte vergoeding die we
moeten betalen voor de input
- Winst π (ook een factorvergoeding, = vergoeding voor producent voor jouw inzet en risico dat je
hebt genomen)
Komen uiteindelijk allemaal bij de gezinnen terecht als inkomen (Y).
We krijgen daarom:
W = A - M = F = F1 + π = Y
6.5 Bruto- versus netto-product
Slijtage van duurzame kapitaalgoederen
= Afschrijvingen of Depreciatie (D) of vervangingsinvesteringen -> worden mee opgenomen
Bruto nationaal product
Bij Bruto houden we ook rekening met vervangingsinvesteringen
bv: bedrijf met 5 vrachtwagens -> je koopt er 5 bij, drie van de vrachtwagens die je al hebt moet je
vervangen dus bestel je 8 nieuwe vrachtwagens -> 5 zijn de nieuwe aankopen en de 3 zijn
vervangingsinvesteringen
Netto nationaal product
Bij netto gaan we gaan rekening houden met die vervangingsinvesteringen
= bruto nationaal product – depreciatie
W – D = F1 + π – D = Y – D netto-inkomen
netto-factorvergoedingen
waarde van de productie =
Productie is er op gericht goederen en diensten voort te brengen om aan behoeften te voldoen.
Waarde van de productie =
- Waarde van de finale goederen en diensten
• Finaal goed = goed in bepaalde periode voortgebracht en niet in dezelfde periode in
volgende productiefase opgegaan.
- Som van de toegevoegde waarde
• Toegevoegde waarde = waarde van de voortgebrachte goederen of diensten
MIN waarde van intermediair verbruik.
- Som van de factorvergoedingen (het inkomen)
• Factorvergoeding = vergoeding van productiefactor (loonsom, intrestsom, pachtsom,
winst)
6.6 Fundamentele gelijkheid tussen product, inkomen en bestedingen
waarde van de productie (nationaal product W)
= daarbij gecreëerde inkomens (nationaal inkomen Y)
= omvang van de bestedingen (besteding inkomen= C+Iep+G+X-Z) -> alle inkomsten worden besteed
C= consumptie gezinnen
Iep = investeringen bedrijven
G= overheidsbestedingen (uitgave door overheid)
X= export, Z = import
, export = productie die naar Buitenland gaat, zit in onze productie
Import = productie die wij halen vanuit het Buitenland, zitten niet in onze producten moeten eraf
gerekend worden
Ex ante investeringen = de gewilde/gewenste investeringen
Ex post (EP) investeringen = de gerealiseerde investeringen
➔ Onderscheid gaan wij niet echt maken
Bovendien geldt ook altijd:
Y≡C+S+T
≡ -> identiteit = gelijkheid die per definitie opgaat
S = sparen
T = netto belastingen
Voorbeeld: ja gaat werken, eerste loon -> stuk gaat daar automatisch af voor de belastingen -> rest
van het inkomen ga je gebruiken voor consumptie, de overschot ga je sparen
➔ Geldt ook voor de overheid
Voor de eenvoud: G, X en Z even buiten beschouwing
We veronderstellen een gesloten economie (= zonder
buitenland) en zonder overheid
-> Als er geen overheid is zijn er ook geen netto
belastingen
Dus: besteding inkomen = C + Iep
En dus ook: Y ≡ C+ S
(later wordt het model dan uitgebreid)
6.7 Macro-economische identiteiten voor een gesloten economie zonder overheid
Sparen = investering -> geldt op spaarrekening, blijft daar niet liggen, bank gaat geld gebruiken, gaan
u geld gebruiken om leningen te geven aan andere