H4: IT-INFRASTRUCTUUR
INLEIDING:
Elke vorm van bedrijfsvoering zal op de een of andere manier onderhevig zijn aan een
vorm van integratie van informatiesystemen. Om deze systemen te ondersteunen
wordt gebruikgemaakt van IT-infrastructuur. In hoofdstuk 1 gaven we aan dat
informatiesystemen gebruikmaken van hulpbronnen. Al die hulpbronnen samen
vormen de IT-infrastructuur van een organisatie.
Een bedrijf kan bijvoorbeeld beslissen om in te zetten op duurzaamheid door het gebruik van papier te
ontmoedigen. Dat is voor het bedrijf een strategische keuze. Om hun duurzame doelstellingen te halen, worden
documenten zoveel mogelijk enkel digitaal ter beschikking gesteld, en wordt gewerkt met een 'shared'
documentensystemen. Er wordt nieuwe software gekocht om die shared documentenomgeving te
ondersteunen. Alle werknemers krijgen tablets ter beschikking ter vervanging van papier.
Om die tablets optimaal te laten functioneren dient het wifinetwerk in het bedrijf versterkt te worden.
In dit voorbeeld zitten heel wat onderdelen van IT-infrastructuur verwerkt die nodig
zijn om de strategische doelen van een bedrijf te verwezenlijken. De nieuw
aangekochte software, de tablets en de uitbreiding van het wifinetwerk zijn stuk voor stuk
onderdeel van de IT-infrastructuur.
WAT IS IT-INFRASTRUCTUUR?
FACTOREN DIE INVLOED HEBBEN OP IT-INFRASTRUCTUUR
Het woord ‘infrastructuur’ komt uit het Latijn en is een samentrekking van twee woorden:
‘infra’ (‘onder’) en ‘structuur’. Infrastructuur betekent: de ‘onderliggende structuur’.
IT-infrastructuur omvat alle technologische ondersteuning van de bedrijfsvoering
en bevindt zich tussen de aangeboden diensten en de strategieën van een organisatie.
Diensten kunnen waarde toevoegen aan klanten, samenwerking met leveranciers
vergemakkelijken, of medewerkers ondersteunen. De IT-infrastructuur bepaalt welke
diensten beschikbaar zijn en hoe ze worden geleverd. Strategische keuzes van de
organisatie sturen de IT-infrastructuur, waarbij beslissingen over informatiesystemen,
beschikbaarheid en inzetbaarheid belangrijk zijn. Kennis van technologische
ontwikkelingen is cruciaal om de mogelijkheden van de IT-infrastructuur te kunnen
inschatten.
Wanneer je bijvoorbeeld denkt in termen van een stad, dan zou je kunnen stellen dat de riolen, gas,
water, elektriciteit... de infrastructuur van de stad vormen. Dat zijn allemaal componenten die
letterlijk onder de (oppervlakte van de) stad liggen.
GELAAGDHEID VAN INFRASTRUCTUUR
IT-infrastructuur bestaat uit verschillende lagen, vergelijkbaar met de
infrastructuur van een stad. Voor gebruikers zijn applicaties zichtbaar, terwijl de
onderliggende servers en netwerken onzichtbaar zijn. Voor IT-systeemmanagers
omvat infrastructuur ook de fysieke gebouwen en elektriciteit. Infrastructuur is
afhankelijk van de persoon en de geleverde dienst. IT-infrastructuur begint waar de
organisatie eigen middelen inzet om een proces te ondersteunen via een
informatiesysteem. Bijvoorbeeld, een organisatie die een server huurt voor een website,
beschouwt de gehuurde server als onderdeel van hun IT-infrastructuur, maar niet het
datacentrum waarin de server zich bevindt.
, H4: IT-INFRASTRUCTUUR
DE BOUWSTENEN VAN IT-INFRASTRUCTUUR?
De IT-infrastructuur is dus de verzameling van alle
middelen die een organisatie ter beschikking heeft
& die een rol spelen bij het ontwikkelen van
informatiesystemen.
Die IT-infrastructuur bestaat uit verschillende
onderdelen:
Hardware
Software
Diensten
Mensen
Elk onderdeel zelf kan bestaan uit een
HARDWARE:
Met ‘hardware’ bedoelen we alle toestellen die men ter beschikking heeft om de IT-
infrastructuur uit te bouwen. Hardware bestaat uit verschillende bouwstenen.
Een computer is eigenlijk een toestel dat verschillende bouwstenen combineert. Een computer
beschikt over rekenkracht, opslag, een interface (muis, toetsenbord, scherm, poorten zoals een
USB-poort...) en de mogelijkheid om zich te connecteren met een of meerdere netwerken. Maar
daarnaast heeft het ook nood aan functionaliteiten die dienen toegevoegd te worden om te kunnen
werken. Een computer heeft nood aan stroom en zal dus beschikken over een stroompunt en/of
een oplaadbare batterij. Een computer genereert warmte wanneer hij werkt en dient gekoeld te
worden. De meeste computers beschikken over ventilatoren die bedoeld zijn om bepaalde chips te
koelen.
BOUWSTENEN VAN HARDWARE:
REKENKRACHT:
Informatiesystemen hebben nood aan rekenkracht om data om te zetten
naar informatie. Sommige taken die uitgevoerd worden door een informatiesysteem
hebben nood aan heel veel rekenkracht. Denk bijvoorbeeld aan een complexe data-
analyse of een website die heel veel gebruikers tegelijk ondersteunt. Om rekenkracht
te bekomen zal men gebruikmaken van CPU's (Central Processing Units). Een CPU is
de kern van een computer.
CPU's kunnen ook voorzien worden op specifieke onderdelen van een computer. Zo
kunnen bijvoorbeeld schermkaarten gebruikt worden met eigen CPU's om een
computer te creëren om grafisch intensieve toepassingen mogelijk te maken (zoals de
schermkaart van een gamecomputer).
OPSLAG:
Zowel data als informatie dienen te worden bewaard, maar ook programma’s.
Sommige data kan heel grote volumes aan opslag vereisen. Soms is het interessant om
bepaalde data centraal te bewaren. Andere opslag kan gebeuren op lokale
toestellen. Er zijn veel verschillende toestellen die gebruikt kunnen worden om data op
te slaan en de meeste kunnen zowel lokaal als via een netwerk toegankelijk gemaakt
worden. Dergelijke toestellen zijn harde schijven, SSD-RAM, USB-sticks, …. Er is ook
, H4: IT-INFRASTRUCTUUR
nood aan tijdelijke opslag om tijdelijke instructies te kunnen opslaan dit wordt voorzien
via geheugenchips en zit ook in de CPU van een toestel.
NETWERKEN:
Netwerken vormen een belangrijke bouwsteen van hardware. Het internet is hierbij een
heel gekend netwerk, maar organisaties maken soms ook gebruik van andere netwerken.
Om netwerken fysiek mogelijk te maken, gebruikt men heel veel verschillende
hardwareonderdelen,
INPUTDEVICES: gaande van fysieke kabels, wifi-antennes, switches, routers,
connectiepunten...
Dit zijn alle onderdelen die een rol kunnen spelen bij het inbrengen van data in een
systeem, zoals een toetsenbord of een muis. Maar het gaat ook over andere vormen van
data-input. Zo kunnen sensoren een belangrijke rol spelen. Sensoren kunnen vervat zijn
in meetinstrumenten (bv. voor temperatuur, vochtigheid...), maar ook in bijvoorbeeld
scanners. Het omzetten van een feit (iets wat zich heeft voorgedaan) naar data kan
geautomatiseerd worden door gebruik te maken van deze sensoren.
Het sorteren van pakjes bij een koerierdienst kan gebeuren door gebruik te maken van een QR-
code.
Soms is het ook zo dat een toetsenbord of een muis niet de beste manier is om data toe
te voegen tot een systeem.
Door alle producten via een barcode te scannen worden de prijzen (en andere info) ingevoerd in
het Kassasysteem in een grootwarenhuis.
OUTPUTDEVICES:
Dit zijn alle toestellen die gebruikt kunnen worden om informatie onder een
specifieke vorm beschikbaar te stellen aan eindgebruikers. Het kan bijvoorbeeld
gaan over een monitor, VR-bril, een printer, een 3D-printer, een luidspreker...
Wanneer je een bericht ontvangt op je gsm, dan krijg je meestal een signaal (bv. een geluid en/of
trilling). Het outputdevice dat dat signaal geeft, is een onderdeel van je gsm. Het scherm is een
ander outputdevice, dat je gebruikt om het bericht te lezen.
TOESTELLEN
Hardware wordt meestal beschikbaar gesteld als een toestel (of als een virtueel toestel;
meer uitleg over virtualisatie in hoofdstuk 4.3.1), dat verschillende onderdelen
combineert om zo een inzetbaar geheel te vormen.
De belangrijkste van dergelijke toestellen worden hieronder beschreven.
END-USER DEVICES
Dit zijn toestellen die rechtstreeks door de eindgebruiker gebruikt wordt. Het gaat
over stand-alone computers, laptops, tablets, smartphones...
Er zijn heel veel verschillende manieren waarop bedrijven kunnen omgaan met deze end-
user devices. Zo zouden bedrijven bijvoorbeeld werknemers kunnen toelaten om hun
eigen toestellen te gebruiken binnen de bedrijfsomgeving (bv. een smartphone).
4 STRATEGIEËN VOOR END-USER DEVICES:
Bring your own device (BYOD): werknemers brengen hun eigen toestellen mee
naar het werk en hebben vrije keuze welke ze gebruiken. Deze toestellen kunnen
zowel voor werkdoeleinden als privédoeleinden door elkaar gebruikt worden.
INLEIDING:
Elke vorm van bedrijfsvoering zal op de een of andere manier onderhevig zijn aan een
vorm van integratie van informatiesystemen. Om deze systemen te ondersteunen
wordt gebruikgemaakt van IT-infrastructuur. In hoofdstuk 1 gaven we aan dat
informatiesystemen gebruikmaken van hulpbronnen. Al die hulpbronnen samen
vormen de IT-infrastructuur van een organisatie.
Een bedrijf kan bijvoorbeeld beslissen om in te zetten op duurzaamheid door het gebruik van papier te
ontmoedigen. Dat is voor het bedrijf een strategische keuze. Om hun duurzame doelstellingen te halen, worden
documenten zoveel mogelijk enkel digitaal ter beschikking gesteld, en wordt gewerkt met een 'shared'
documentensystemen. Er wordt nieuwe software gekocht om die shared documentenomgeving te
ondersteunen. Alle werknemers krijgen tablets ter beschikking ter vervanging van papier.
Om die tablets optimaal te laten functioneren dient het wifinetwerk in het bedrijf versterkt te worden.
In dit voorbeeld zitten heel wat onderdelen van IT-infrastructuur verwerkt die nodig
zijn om de strategische doelen van een bedrijf te verwezenlijken. De nieuw
aangekochte software, de tablets en de uitbreiding van het wifinetwerk zijn stuk voor stuk
onderdeel van de IT-infrastructuur.
WAT IS IT-INFRASTRUCTUUR?
FACTOREN DIE INVLOED HEBBEN OP IT-INFRASTRUCTUUR
Het woord ‘infrastructuur’ komt uit het Latijn en is een samentrekking van twee woorden:
‘infra’ (‘onder’) en ‘structuur’. Infrastructuur betekent: de ‘onderliggende structuur’.
IT-infrastructuur omvat alle technologische ondersteuning van de bedrijfsvoering
en bevindt zich tussen de aangeboden diensten en de strategieën van een organisatie.
Diensten kunnen waarde toevoegen aan klanten, samenwerking met leveranciers
vergemakkelijken, of medewerkers ondersteunen. De IT-infrastructuur bepaalt welke
diensten beschikbaar zijn en hoe ze worden geleverd. Strategische keuzes van de
organisatie sturen de IT-infrastructuur, waarbij beslissingen over informatiesystemen,
beschikbaarheid en inzetbaarheid belangrijk zijn. Kennis van technologische
ontwikkelingen is cruciaal om de mogelijkheden van de IT-infrastructuur te kunnen
inschatten.
Wanneer je bijvoorbeeld denkt in termen van een stad, dan zou je kunnen stellen dat de riolen, gas,
water, elektriciteit... de infrastructuur van de stad vormen. Dat zijn allemaal componenten die
letterlijk onder de (oppervlakte van de) stad liggen.
GELAAGDHEID VAN INFRASTRUCTUUR
IT-infrastructuur bestaat uit verschillende lagen, vergelijkbaar met de
infrastructuur van een stad. Voor gebruikers zijn applicaties zichtbaar, terwijl de
onderliggende servers en netwerken onzichtbaar zijn. Voor IT-systeemmanagers
omvat infrastructuur ook de fysieke gebouwen en elektriciteit. Infrastructuur is
afhankelijk van de persoon en de geleverde dienst. IT-infrastructuur begint waar de
organisatie eigen middelen inzet om een proces te ondersteunen via een
informatiesysteem. Bijvoorbeeld, een organisatie die een server huurt voor een website,
beschouwt de gehuurde server als onderdeel van hun IT-infrastructuur, maar niet het
datacentrum waarin de server zich bevindt.
, H4: IT-INFRASTRUCTUUR
DE BOUWSTENEN VAN IT-INFRASTRUCTUUR?
De IT-infrastructuur is dus de verzameling van alle
middelen die een organisatie ter beschikking heeft
& die een rol spelen bij het ontwikkelen van
informatiesystemen.
Die IT-infrastructuur bestaat uit verschillende
onderdelen:
Hardware
Software
Diensten
Mensen
Elk onderdeel zelf kan bestaan uit een
HARDWARE:
Met ‘hardware’ bedoelen we alle toestellen die men ter beschikking heeft om de IT-
infrastructuur uit te bouwen. Hardware bestaat uit verschillende bouwstenen.
Een computer is eigenlijk een toestel dat verschillende bouwstenen combineert. Een computer
beschikt over rekenkracht, opslag, een interface (muis, toetsenbord, scherm, poorten zoals een
USB-poort...) en de mogelijkheid om zich te connecteren met een of meerdere netwerken. Maar
daarnaast heeft het ook nood aan functionaliteiten die dienen toegevoegd te worden om te kunnen
werken. Een computer heeft nood aan stroom en zal dus beschikken over een stroompunt en/of
een oplaadbare batterij. Een computer genereert warmte wanneer hij werkt en dient gekoeld te
worden. De meeste computers beschikken over ventilatoren die bedoeld zijn om bepaalde chips te
koelen.
BOUWSTENEN VAN HARDWARE:
REKENKRACHT:
Informatiesystemen hebben nood aan rekenkracht om data om te zetten
naar informatie. Sommige taken die uitgevoerd worden door een informatiesysteem
hebben nood aan heel veel rekenkracht. Denk bijvoorbeeld aan een complexe data-
analyse of een website die heel veel gebruikers tegelijk ondersteunt. Om rekenkracht
te bekomen zal men gebruikmaken van CPU's (Central Processing Units). Een CPU is
de kern van een computer.
CPU's kunnen ook voorzien worden op specifieke onderdelen van een computer. Zo
kunnen bijvoorbeeld schermkaarten gebruikt worden met eigen CPU's om een
computer te creëren om grafisch intensieve toepassingen mogelijk te maken (zoals de
schermkaart van een gamecomputer).
OPSLAG:
Zowel data als informatie dienen te worden bewaard, maar ook programma’s.
Sommige data kan heel grote volumes aan opslag vereisen. Soms is het interessant om
bepaalde data centraal te bewaren. Andere opslag kan gebeuren op lokale
toestellen. Er zijn veel verschillende toestellen die gebruikt kunnen worden om data op
te slaan en de meeste kunnen zowel lokaal als via een netwerk toegankelijk gemaakt
worden. Dergelijke toestellen zijn harde schijven, SSD-RAM, USB-sticks, …. Er is ook
, H4: IT-INFRASTRUCTUUR
nood aan tijdelijke opslag om tijdelijke instructies te kunnen opslaan dit wordt voorzien
via geheugenchips en zit ook in de CPU van een toestel.
NETWERKEN:
Netwerken vormen een belangrijke bouwsteen van hardware. Het internet is hierbij een
heel gekend netwerk, maar organisaties maken soms ook gebruik van andere netwerken.
Om netwerken fysiek mogelijk te maken, gebruikt men heel veel verschillende
hardwareonderdelen,
INPUTDEVICES: gaande van fysieke kabels, wifi-antennes, switches, routers,
connectiepunten...
Dit zijn alle onderdelen die een rol kunnen spelen bij het inbrengen van data in een
systeem, zoals een toetsenbord of een muis. Maar het gaat ook over andere vormen van
data-input. Zo kunnen sensoren een belangrijke rol spelen. Sensoren kunnen vervat zijn
in meetinstrumenten (bv. voor temperatuur, vochtigheid...), maar ook in bijvoorbeeld
scanners. Het omzetten van een feit (iets wat zich heeft voorgedaan) naar data kan
geautomatiseerd worden door gebruik te maken van deze sensoren.
Het sorteren van pakjes bij een koerierdienst kan gebeuren door gebruik te maken van een QR-
code.
Soms is het ook zo dat een toetsenbord of een muis niet de beste manier is om data toe
te voegen tot een systeem.
Door alle producten via een barcode te scannen worden de prijzen (en andere info) ingevoerd in
het Kassasysteem in een grootwarenhuis.
OUTPUTDEVICES:
Dit zijn alle toestellen die gebruikt kunnen worden om informatie onder een
specifieke vorm beschikbaar te stellen aan eindgebruikers. Het kan bijvoorbeeld
gaan over een monitor, VR-bril, een printer, een 3D-printer, een luidspreker...
Wanneer je een bericht ontvangt op je gsm, dan krijg je meestal een signaal (bv. een geluid en/of
trilling). Het outputdevice dat dat signaal geeft, is een onderdeel van je gsm. Het scherm is een
ander outputdevice, dat je gebruikt om het bericht te lezen.
TOESTELLEN
Hardware wordt meestal beschikbaar gesteld als een toestel (of als een virtueel toestel;
meer uitleg over virtualisatie in hoofdstuk 4.3.1), dat verschillende onderdelen
combineert om zo een inzetbaar geheel te vormen.
De belangrijkste van dergelijke toestellen worden hieronder beschreven.
END-USER DEVICES
Dit zijn toestellen die rechtstreeks door de eindgebruiker gebruikt wordt. Het gaat
over stand-alone computers, laptops, tablets, smartphones...
Er zijn heel veel verschillende manieren waarop bedrijven kunnen omgaan met deze end-
user devices. Zo zouden bedrijven bijvoorbeeld werknemers kunnen toelaten om hun
eigen toestellen te gebruiken binnen de bedrijfsomgeving (bv. een smartphone).
4 STRATEGIEËN VOOR END-USER DEVICES:
Bring your own device (BYOD): werknemers brengen hun eigen toestellen mee
naar het werk en hebben vrije keuze welke ze gebruiken. Deze toestellen kunnen
zowel voor werkdoeleinden als privédoeleinden door elkaar gebruikt worden.