Strafprocesrecht – Samenvatting H1 tot H10
Inhoudstafel
Hoofdstuk I – Inleiding en betrokken organen …………………… pag. 1
Hoofdstuk II – De strafvordering ……………………………………
Hoofdstuk III – De burgerlijke vordering ……………………………
Hoofdstuk IV – Het opsporingsonderzoek ……………………………
Hoofdstuk V – Het gerechtelijk onderzoek ……………………………
Hoofdstuk VI – Einde opsporingsonderzoek en regeling rechtspleging ………
Hoofdstuk VII – De vonnisgerechten ……………………………………
Hoofdstuk VIII – Bewijs …………………………………………………
Hoofdstuk IX – Procedure voor de vonnisgerechten …………………
Hoofdstuk X – De rechtsmiddelen ………………………………………
,Strafprocesrecht – Samenvatting Hoofdstuk I: Organen en Personen
Inleiding op het strafprocesrecht
Het strafprocesrecht regelt hoe een strafzaak in België verloopt: van het
moment dat een misdrijf wordt vastgesteld tot en met de uitvoering van de
straf. Het proces bestaat uit vier hoofdfasen: het opsporingsonderzoek, het
gerechtelijk onderzoek, de behandeling van de zaak door de vonnisrechter en
de uitvoering van de uitspraak. De wetgever heeft deze procedure
opgebouwd met als doel een evenwicht te vinden tussen instrumentaliteit (de
efficiëntie waarmee justitie werkt) en rechtsbescherming (de waarborgen
voor de rechten van de verdachte en andere betrokken partijen).
De belangrijkste rechtsbron is het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit
bestaat uit een ‘voorafgaande titel’ van 32 artikelen en twee boeken:
- Boek I (artikelen 8–136ter) gaat over de gerechtelijke politie en de
magistraten die het onderzoek leiden.
- Boek II (artikelen 137–647) regelt de werking van de hoven en rechtbanken.
Daarnaast bestaan er nog andere relevante wetten, zoals de Wet op het
Politieambt en bijzondere wetten rond mensenrechten en
opsporingsmethoden. Ook hervormingen zoals de Wet Franchimont (1998) en
de Potpourri-wetten hebben het strafprocesrecht grondig aangepast en
gemoderniseerd.
1. De politie
De politie speelt een centrale rol in de opsporing van misdrijven. Er wordt een
onderscheid gemaakt tussen de bestuurlijke politie (die openbare orde
handhaaft) en de gerechtelijke politie (die misdrijven opspoort en
bewijsmateriaal verzamelt).
Sinds de Wet van 7 december 1998 beschikt België over een geïntegreerde
politiedienst met twee niveaus:
- De lokale politie, actief op gemeentelijk niveau;
- De federale politie, bevoegd voor gespecialiseerde en bovenlokale taken.
De politiediensten werken onder de leiding van het Openbaar Ministerie (OM)
of van de onderzoeksrechter, afhankelijk van het soort onderzoek. In acute
situaties zoals heterdaad hebben politieofficieren extra bevoegdheden, zoals
het uitvoeren van een huiszoeking zonder toestemming. In normale
, omstandigheden zijn hun bevoegdheden vastgelegd in het Wetboek van
Strafvordering, de Wet op het Politieambt en bijzondere wetten.
Toezicht op de werking van de politie wordt uitgeoefend door twee
onafhankelijke comités: Comité P (politionele werking) en Comité I
(inlichtingen- en veiligheidsdiensten).
2. Het Openbaar Ministerie (OM)
Het OM bestaat uit magistraten die verantwoordelijk zijn voor het leiden van
het opsporingsonderzoek en voor het instellen van een strafvordering. Ze
worden benoemd door de Koning, na advies van de Hoge Raad voor de
Justitie (art. 153 en 151 Grondwet). Het OM is onafhankelijk in de individuele
beoordeling van dossiers, al oefent de Minister van Justitie hiërarchisch
toezicht uit via richtlijnen van strafrechtelijk beleid.
Er zijn verschillende niveaus van het OM:
- Het parket bij de rechtbank van eerste aanleg, onder leiding van een
procureur des Konings.
- Het parket-generaal bij het hof van beroep, onder leiding van een
procureur-generaal.
- Het federaal parket, bevoegd voor misdrijven die het hele land aanbelangen
(zoals terrorisme of mensenhandel).
- Het parket bij het Hof van Cassatie, dat juridische adviezen geeft in
cassatiezaken.
Het OM heeft vijf fundamentele taken:
1. Het leiden van het opsporingsonderzoek (art. 22 Sv).
2. Het uitoefenen van de strafvordering.
3. Het beslissen om al dan niet te vervolgen (opportuniteitsbeginsel, art.
28quater Sv).
4. Het waken over de correcte toepassing van de strafwet.
5. Het uitvoeren van de strafrechtelijke uitspraken.
Drie kenmerken typeren het OM: functionele en hiërarchische eenheid,
zelfstandigheid in individuele zaken en ondeelbaarheid (elke
parketmagistraat vertegenwoordigt het hele parket).
3. De onderzoeksrechter
Inhoudstafel
Hoofdstuk I – Inleiding en betrokken organen …………………… pag. 1
Hoofdstuk II – De strafvordering ……………………………………
Hoofdstuk III – De burgerlijke vordering ……………………………
Hoofdstuk IV – Het opsporingsonderzoek ……………………………
Hoofdstuk V – Het gerechtelijk onderzoek ……………………………
Hoofdstuk VI – Einde opsporingsonderzoek en regeling rechtspleging ………
Hoofdstuk VII – De vonnisgerechten ……………………………………
Hoofdstuk VIII – Bewijs …………………………………………………
Hoofdstuk IX – Procedure voor de vonnisgerechten …………………
Hoofdstuk X – De rechtsmiddelen ………………………………………
,Strafprocesrecht – Samenvatting Hoofdstuk I: Organen en Personen
Inleiding op het strafprocesrecht
Het strafprocesrecht regelt hoe een strafzaak in België verloopt: van het
moment dat een misdrijf wordt vastgesteld tot en met de uitvoering van de
straf. Het proces bestaat uit vier hoofdfasen: het opsporingsonderzoek, het
gerechtelijk onderzoek, de behandeling van de zaak door de vonnisrechter en
de uitvoering van de uitspraak. De wetgever heeft deze procedure
opgebouwd met als doel een evenwicht te vinden tussen instrumentaliteit (de
efficiëntie waarmee justitie werkt) en rechtsbescherming (de waarborgen
voor de rechten van de verdachte en andere betrokken partijen).
De belangrijkste rechtsbron is het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit
bestaat uit een ‘voorafgaande titel’ van 32 artikelen en twee boeken:
- Boek I (artikelen 8–136ter) gaat over de gerechtelijke politie en de
magistraten die het onderzoek leiden.
- Boek II (artikelen 137–647) regelt de werking van de hoven en rechtbanken.
Daarnaast bestaan er nog andere relevante wetten, zoals de Wet op het
Politieambt en bijzondere wetten rond mensenrechten en
opsporingsmethoden. Ook hervormingen zoals de Wet Franchimont (1998) en
de Potpourri-wetten hebben het strafprocesrecht grondig aangepast en
gemoderniseerd.
1. De politie
De politie speelt een centrale rol in de opsporing van misdrijven. Er wordt een
onderscheid gemaakt tussen de bestuurlijke politie (die openbare orde
handhaaft) en de gerechtelijke politie (die misdrijven opspoort en
bewijsmateriaal verzamelt).
Sinds de Wet van 7 december 1998 beschikt België over een geïntegreerde
politiedienst met twee niveaus:
- De lokale politie, actief op gemeentelijk niveau;
- De federale politie, bevoegd voor gespecialiseerde en bovenlokale taken.
De politiediensten werken onder de leiding van het Openbaar Ministerie (OM)
of van de onderzoeksrechter, afhankelijk van het soort onderzoek. In acute
situaties zoals heterdaad hebben politieofficieren extra bevoegdheden, zoals
het uitvoeren van een huiszoeking zonder toestemming. In normale
, omstandigheden zijn hun bevoegdheden vastgelegd in het Wetboek van
Strafvordering, de Wet op het Politieambt en bijzondere wetten.
Toezicht op de werking van de politie wordt uitgeoefend door twee
onafhankelijke comités: Comité P (politionele werking) en Comité I
(inlichtingen- en veiligheidsdiensten).
2. Het Openbaar Ministerie (OM)
Het OM bestaat uit magistraten die verantwoordelijk zijn voor het leiden van
het opsporingsonderzoek en voor het instellen van een strafvordering. Ze
worden benoemd door de Koning, na advies van de Hoge Raad voor de
Justitie (art. 153 en 151 Grondwet). Het OM is onafhankelijk in de individuele
beoordeling van dossiers, al oefent de Minister van Justitie hiërarchisch
toezicht uit via richtlijnen van strafrechtelijk beleid.
Er zijn verschillende niveaus van het OM:
- Het parket bij de rechtbank van eerste aanleg, onder leiding van een
procureur des Konings.
- Het parket-generaal bij het hof van beroep, onder leiding van een
procureur-generaal.
- Het federaal parket, bevoegd voor misdrijven die het hele land aanbelangen
(zoals terrorisme of mensenhandel).
- Het parket bij het Hof van Cassatie, dat juridische adviezen geeft in
cassatiezaken.
Het OM heeft vijf fundamentele taken:
1. Het leiden van het opsporingsonderzoek (art. 22 Sv).
2. Het uitoefenen van de strafvordering.
3. Het beslissen om al dan niet te vervolgen (opportuniteitsbeginsel, art.
28quater Sv).
4. Het waken over de correcte toepassing van de strafwet.
5. Het uitvoeren van de strafrechtelijke uitspraken.
Drie kenmerken typeren het OM: functionele en hiërarchische eenheid,
zelfstandigheid in individuele zaken en ondeelbaarheid (elke
parketmagistraat vertegenwoordigt het hele parket).
3. De onderzoeksrechter