2.1 zenuwstelsel (CZS)...................................................................................2
2.2 pathologie zenuwweefsel........................................................................15
2.3 sensoriek en pijn....................................................................................20
2.4 motoriek................................................................................................ 26
2.5 huid en temperatuur...............................................................................34
2.6 afweer................................................................................................... 42
2.7 oncologie............................................................................................... 49
1
,2.1 zenuwstelsel (CZS)
1. Functies van het zenuwstelsel
- Regulatie van weefsels en organen
- Coördinatie van activiteiten van weefsels en organen
- Regulatie en coördinatie van vegetatieve functies
- Coördinatie van contacten met de buitenwereld
- Coördinatie van psychische functies
2. Anatomische en fysiologische indeling van het zenuwstelsel
Anatomische indeling:
- Hersenen + ruggenmerg = centraal zenuwstelsel
- Hersenzenuwen + ruggenmergzenuwen + zenuwen van het
vegetatieve zenuwstelsel = perifeer zenuwstelsel
Hersenen
- Grijze stof aan de buitenkant
- Witte stof aan de binnenkant
Ruggenmerg
- Vlindervormige structuur
- Grijze stof aan de binnenkant
- Witte stof aan de buitenkant
- Er ontspringen 31 ruggenmergzenuwen uit het ruggenmerg
Fysiologische indeling:
Sensorisch en motorisch
Sensorisch:
- Alle prikkels die binnenkomen uit de zintuigen
- Informatie over het interne milieu zoals bloeddruk en temperatuur
Motorisch (acties aansturen):
- Willekeurig/somatisch: alles wat we bewust kunnen aansturen
- Onwillekeurig/autonoom: alles waar we geen bewuste invloed op
hebben (bijvoorbeeld je hartslag)
‘Fight or flight’ Gas/actie = sympaticus
‘Rest and digest Rem/rust = parasympaticus
3. Onderdelen zenuwcel (neuron) + functie
Onderdeel Functie
Cellichaam Bevat de celkern en andere
organellen, verwerkt inkomende
informatie
2
, Dendrieten (een soort antenne) Vangen signalen op van andere
zenuwcellen, geleiden signalen
naar het cellichaam toe
Axon (lang en dun) Voert elektrische impulsen weg
van het cellichaam naar andere
zenuwcellen, spieren of klieren
Myelineschede Isolatie rond het axon, gemaakt
door gliacellen zoals Schwann-
cellen. Verhoogt de snelheid van
impulsgeleiding
Insnoeringen van Ranvier Kleine onderbrekingen van de
myelineschede waar de impuls
‘springt’ van knoop tot koop – dit
versnelt de impulsgeleiding
Synapsknopen (axonuiteinden) Zenden het signaal door naar de
volgende cel via
neurotransmitters
Synaps Signaaloverdracht
4. Wat wordt er bedoeld met witte stof en grijze stof?
Grijze stof: zenuwcellichamen en dendrieten
Witte stof: axonen met myelineschede
5. Wat wordt er verstaan onder impulsgeleiding en
impulsoverdracht? (In hoofdlijnen, gebruik de termen
neurotransmitter en synaps)
In de hersenen zitten heel veel zenuwcellen (oftewel neuronen).
Deze cellen communiceren met elkaar via synapsen, om zo
berichtjes uit te wisselen en prikkels door te geven.
Presynaptische zenuwcel laat blaasjes met neurotransmitters los in
de synapsspleet zodat de volgende zenuwcel (post synaptische
zenuwcel) dit kan ontvangen en hierdoor geprikkeld of geremd
wordt.
Neurotransmitters zijn belangrijke boodschapper stofjes die ervoor
zorgen dat de hersenen hun werk kunnen doen.
Membraanpotentiaal zenuwcellen in rust = -70 mV
Drempelwaarde = -50 mV, maximaal 30 mV
Actiepotentiaal = verschil van 100 mV
6. Hoe het cerebrum onderverdeeld kan worden in hemisferen
en verschillende kwabben
3
, Het cerebrum bestaat uit twee hersenhelften, de linker- en de
rechterhemisfeer. Deze zijn verbonden via het corpus callosum.
Figuur 1
7. De verschillende structuren van het centraal zenuwstelsel
aanwijzen: grote hersenen (cerebrum, basale ganglia =
hersenbalk), tussenhersenen (thalamus, hypothalamus,
hypofyse), hersenstam, kleine hersenen (cerebellum),
ruggenmerg (inclusief cauda equina, dit is de ‘staart’)
Zie figuur 2 (hieronder)
4