Inleiding
Staatsrecht = constitutioneel recht, GW-elijk recht: Belgische staat
centraal
Het recht dat betrekking heeft od rol & structuur vd organen vd
staat, de instellingen, de functionering ervan, hun bevoegdheden,
verhouding tot elkaar & die tot burgers
3 grote luiken
1) Instellingen vd staat
2) Federalisme
B is door 6 staatshervormingen geëvolueerd ve eenheidsstaat
-> Fed staat (op B, gemeentelijk & gewestelijk niveau)
BDW wil 7e staatshervorming doorvoeren
Elk staatsniveau heeft eigen bevoegdheden: zorgt voor
complexe bevoegdheidsverdeling & moeilijke zoektocht naar
bevoegde instantie
3) Grondrechten: de rechten vd burgers, hoe & onder welke vw² ze
beperkt worden & waar ze afdwingbaar zijn
“België is een (grondwettelijke), meergelaagde, democratische
rechtsstaat in Europa”
ESSENTIE, hele syllabus te koppelen aan deze zin (goede
examenvoorbereiding)
o België
B is een staat: juridische betekenis, land moet aan vw² volden
vooraleer het kwalificeerbaar is als staat
Zorgt ervoor dat B rechtsvwelijkheid heeft: kan toetreden tot
internationale organisaties (VN, EU,..), verdragen sluiten,..
Buitenlandse betrekkingen: kunnen ambassades oprichten in
andere landen
Gewapende macht: hebben leger
o Grondwettelijke
Er zijn ook rechtstaten zonder GW (VK, Israël)
Bevat belangrijkste fundamentele rechten, indeling vd
fundamentele instellingen vd staat & basisregels vd staat: zou
niet makkelijk mogen gewijzigd worden (parlement doet
1
, voorstel & wordt ontbonden, nieuwe gevormd die definitief
beslist,.. artikelen nog vermelden)
Staatsrecht IS GW-elijk recht
GW: materiële & formele betekenis
o Meergelaagde
B is niet 1 bestuursniveau, door 6 staatshervormingen
meergelaagd met 3 niveaus => oorzaak complexe
bevoegdheidsverdeling
Art 41 GW: ook provincies & gemeenten zijn laag (vastgelegd
sinds 1831)
o Democratische
B = democratie
Latijn: Demos (volk) cratos (macht); systeem waarin volk
macht heeft & beslist
Parlement: belangrijkste orgaan, heeft parlementaire
controle (toezicht od regering (die niet rechtstreeks
verkozen zijn))
2 soorten: rechtstreekse (volk beslist uitdrukkelijk, via
referenda: praktisch gezien nu niet meer mogelijk) & indirecte
(volk kiest vwigers voor parlement & maakt wetten in volks
naam)
Legaliteitsbeginsel (?)
o Rechtsstaat
Ook rechtstaat zelf is gebonden ah recht die hij creëert
Hiërarchie vd normen: sommige regels zijn belangrijker dan
andere (bv art 159 GW: KB mag wet niet schenden, KB² staan
‘onder’ wet)
Rechtsbescherming: wnr je vind dat jouw rechten zijn
geschonden door overheidshandelen/UM: kan naar Ger
instantie
Bescherming tegen wetgever: GwH
Bescherming tegen bestuur: RvS
Vereist ook onafhankelijke RM/rechter om klacht te
beoordelen
Fundamentele rechten & vrijheden respecteren
Idee opgekomen id verlichting (was dus niet altijd
vanzelfsprekend (bv LXIV stelde zich boven de wet, “L’état
c’est moi”)
o In Europa
B regeert als staat niet volledig alleen, lid vd EU & RvE (NIET
GEKOPPELD! RvE is ouder & meer leden)
2
, Deel soevereiniteit afgestaan aan supranationale instanties,
geeft sommige verplicht in te voeren wijzigingen die nationaal
recht verandert
Voorbeeld van onverdoofd slachten & religie: ppt inleiding dia 15
Deel I: Krachtlijnen
Krachtlijnen: de belangrijkste elementen van staatsrecht id cursus, later
verder uitgediept
Recht:
o In B: niet recht vd sterkste, maar de sterkte vh recht
o Zorgt voor zelfde opvattingen bij juristen over begrippen (bv aanspr.,
verkrachting,…): heeft eigen begrippenkader
o Coherent system dat onderliggende basiswaarden nastreeft: regels
spreken elkaar niet tegen
o Streeft rv na met correctiemechanismes
o R is afdwingbaar: onderscheid tussen R & moraal nodig
o Moraal: voelt voor jou dwingend, maar geen sancties bij
overtreding (bv als vegetariër vlees eet)
o R ordent & stuurt de maatsch
R zoekt naar een evenwicht tussen rechtszekerheid &
rechtvaardigheid
Summa divisio
= grootste onderverdeling ih recht: Publiekrecht & Privaatrecht
o PbR: tussen overheid & burger V tussen overheden onderling
o Staatsrecht: duidelijk PbR
o PvR: tussen burgers
Onderscheid soms moeilijk te maken
Hoofdstuk I: De Belgische Staat
Staat: ≠ betekenissen:
o Privaatrechtelijk: verhouding tussen p²
o Publiekrechtelijk: land met een staat die gezag uitoefent over
een bevolking
Het ontstaan van België
2 manieren voor staat om te ontstaan:
3
, o Vroeger: gwn naar ongeclaimd stuk land gaan & zeggen dat je staat
creëert
Niet meer mogelijk; alles geclaimd V vastgelegd in verdrag (bv
Zuidpool)
o Alles is al geclaimd, maar toch kunnen nog steeds nieuwe staten
ontstaan:
Dekolonisatie (bv Congo): onafh bij opheffing vd
machtsuitoefening
Secessie: deel ve land scheurt zich los & wordt zelfstandige
staat
Kan bv via volksreferendum
België zo ontstaan, los van VKN
Dismembratio: land valt uit elkaar in nieuwe landen (bv
Joegoeslavië)
≠ secessie: hier verdwijnt land volledig, bij secessie
verdwijnt stuk
Fusie: 2 landen worden 1 land (bv B in 1814 met VKN tot
bufferstaat)
Grote juridische betekenis: nieuw parlement, regering,..
nodig => vaak vooraf gegaan door vele jaren
Pol Gesch
Congres van Wenen 1814: Napoleon verslagen, winnaars maken
toekomstplan voor vrede in Europa via hertekening vd landsgrenzen
o 1815: VKN olv Willem I met eigen GW, als bufferstaat tegen Fr met
veroveringsdrang
o Snel problemen met Z-Nl:
Economisch: Z industrieel & N handeldrijvend
Z-Nl Pol onvwigd: Z-Nl financieel benadeeld doordat schuld N-
Nl in 2 gedeeld wordt
Inmenging in de K, vooral discussie bij onderwijs (N:
protestants, Z:katholiek)
Beknotting persvrijheid
Belangrijkste: taalconflict; Willem I behoudt Nls terwijl Z-Nl
door jarenlange annexatie aan Fr Frans spreekt
o Oprichting vh monsterverbond tussen katholieken & liberalen als
verzet
Onafhankelijkheid was niet oorspronkelijke doel, meer vrijheid
wel
o Stomme van Portici: opera over nationale gevoelens, druppel voor Z-
Nl: komen op straten in opstand met Burgerlijke Wacht
o Voorlopig Bewind verslaat Willems legger, 4 oktober 1830: Belgische
onafh.
4