BIOLOGISCHE ANTROPOLOGIE
ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
1. INLEIDING
Biologische antropologie: fysiologisch
- (natuurwetenschappelijke) studie v/d mens vanuit evolutionair oogpunt
2. ANTROPOLOGISCHE EN DIENS SUBVELDEN
4-field approach
1. Culturele antropologie
2. Linguïstische antropologie
3. Archeologische antropologie
4. Biologische antropologie
Cultuur differentieert mensen van andere dieren
Biologie produceert cultuur, maar cultuur kan biologie beïnvloeden
Culturele antropologie: menselijke samenlevingen, vooral in cross-culturele context
- etnologie
- etnografie
Linguïstische antropologie: taal, geschiedenis en gebruik in culturen
- linguïstische vorm: grammaticale regels
- linguïstische functie: waarom spreken wij?
- sociale context van ontwikkeling
- taal = bioculturele parasiet
Archeologie ((pre)historisch): artefacten en materiële cultuur
- razendsnel ontwikkelend gebied: archeogenetica
Biologische antropologie: elke wetenschappen die menselijke soort vanuit evolutionair perspectief
bestudeert
Reikwijdte bio-antropologie
1. Paleoantropologie
2. Skeletale biologie
3. Paleopathologie (paleo + pathos + logos)
4. Forensische antropologie
5. Primatologie
6. Menselijke biologie
7. Biomedische antropologie
8. Moleculaire antropologie
Paleoantropologie: fossiele overblijfselen van voorouderlijke mensachtigen en hun naaste verwanten
(primaten)
- onderzoek: veldwerk
- studie in musea en universitaire labo’s
Skeletale biologie: menselijke skelet en de patronen/processen van menselijke
groei/fysiologie/ontwikkeling
, - Antropometrici: 1e generatie van biologische antropologen
Metingen van menselijk lichaam (gemiddelden, variaties…)
Paleopathologie: ziekten in oude menselijke populaties (bacteriën en virussen)
- menselijke resten in archeologische context
Forensische antropologie: menselijke overblijfselen in legale (forensische) context
- oorlogsmisdrijven (genocide)
- moord: doodsoorzaak en sporenonderzoek
- verkrachting: rape kit
Primatologie: niet-menselijke primaten en anatomie, genetica, gedrag en ecologie
- pioniers: Jane Goodall en Diane Fossey
- niet-menselijke primatenstudies: inzicht in evolutionaire verschillen en gelijkenissen
Menselijke biologie: menselijke groei en ontwikkeling, adaptatie aan extreme
omgevingsomstandigheden en menselijke genetica
- voedingsantropologie
- co-evolutie: studie v/d samenhang tss. dieet, cultuur en evolutie
- variaties tss. individuen en groepen
Biomedische antropologie: effecten van vervuiling, giftige stoffen op menselijke groei
Moleculaire antropologie: genetische benadering van evolutionaire wetenschap
- verschillen tss. (en binnen) mensen en niet-menselijke primaten
3. DE OORSPRONG VAN DE MODERN BIO-ANTROPOLOGIE
‘Nieuwe’ fysische antropologie: gebaseerd op neodarwinistische synthesis van
genetica/anatomie/ecologie/gedrag met evolutietheorie
Paleoantropologie: nieuwe dateertechnieken (archeogenetica)
,BIOLOGISCHE ANTROPOLOGIE
EVOLUTIE, SELECTIE EN ADAPTATIE
1. INLEIDING
Jaren 20 (Roaring Twenties): hevige strijd tussen wetenschap en creationisme
- verbod op lesgeven over evolutietheorie in VS
- The Scopes Trial: proces tegen leerkracht John Scopes die de evolutietheorie onderrichtte
2. DE OORSPRONG VAN HET MODERNE EVOLUTIEDENKEN
Oude Grieken (Aristoteles – ‘great chain of being’): alle levende wezens vormden een onvindbare
ketting
Renaissance (14de-16de eeuw)
- Vesalius en Da Vinci
- Het grote Monogenisme vs Polygenisme debat: ontstond tijdens de ontdekkingen van andere
werelddelen
- debat over evolueerbare in de wereld, zoals oorsprong van de mens (monogenisme: 1
oorsprong/polygenisme: meerdere oorsprongen)
Johan F. Blumenbach (vader antropologie): één menselijke soort
3. DE NATUURLIJKE CLASSIFICATIE VAN ORGANISMEN VOLGENS LINNAEUS
Taxonomie:
- Zweedse geoloog, zoöloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné)
zijn classificatiesysteem helpt bij herkennen van patronen
- ‘Systema Naturae’!
sommige soorten zijn nauwer aan elkaar verwant dan andere soorten!
4. DE WEG NAAR DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
Bufon: geloofde in veranderbaarheid van het leven en het feit dat hedendaagse levende soorten
nakomelingen zijn vna soorten die vroeger hebben geleefd
Cuvier: geloofde niet in evolueerbaarheid, maar stelde dat oude soorten verdwenen tgv catastrofes en
er daarna nieuwe soorten ontstonden als reactie op die verdwijning van de oude soorten
Lamarck: evolutiedenker die vrij invloedrijk is geweest: maar had foutief idee over biologische evolutie
- organismen in staat om kenmerken te verwerven tijdens levensloop en dat die werden
doorgegeven aan nakomelingen
Disastreuse gevolgen: Sovjet-Unie paste die ideeën letterlijk toe
- gingen ervan uit dat gewassen blootgesteld aan enorm koud weer, nakomelingen zouden
hebben die daartegen bestand zijn maar werkt niet zo en zorgde voor hongersnoden in SU
Uniformitarianism beïnvloedde het evolutiedenken (met name het ‘gradualisme’)
Twee geologen beïnvloedden Darwin:
- James Hutton (1726–1797)
- Charles Lyell (1797–1875)
, Manier van denken met idee dat geologische processen vandaag dezelfde processen zijn die men
vroeger kon waarnemen: grote impact op denken van Darwin
5. DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
Charles Darwin (1809–1882)
- kleinzoon van Erasmus Darwin (1731-1802)
- bekend arts
- botanist en naturalist: inspiratie bij de reizen van Alexander von Humboldt.
- reis met de HMS Beagle (1831–1836)
Adaptaties aan verschillende levensomstandigheden
6. DE ESSENTIE VAN DE EVOLUTIETHEORIE
Darwin's drie observaties en twee deducties (afleidingen):
OBSERVATIE 1: Alle organismen hebben het potentieel voor explosieve groei. (cf. Malthus!)
OBSERVATIE 2: Toch blijven populaties vrij stabiel. Deductie 1: Er moet een zekere strijd zijn om te
overleven.
OBSERVATIE 3: De natuur zit vol van variatie. Deductie 2: Sommige variaties zijn gunstiger dan
andere.
De vijf onderdelen van het Darwiniaans model ter verklaring van de evolutie van het leven op aarde:
1. Evolutie; ‘descent with modification from common ancestry by historical processes that did not
require acts of creation’. De wereld is niet constant maar verandert gestaag en levende wezens
veranderen in de tijd.
2. Gemeenschappelijke afstamming: alle groepen organismen hebben gemeenschappelijke
voorouders.
3. Vermenigvuldiging van de soorten: diversiteit komt voort uit het feit dat soorten zich
vermenigvuldigen, ofwel door op te splitsen in dochtersoorten, ofwel door geografische
afscheiding waardoor nieuwe soorten ontstaan.
4. Gradualisme: evolutie als graduele verandering van populaties. Niet door plotse verschijning van
nieuwe individuen van een nieuw type!
5. Natuurlijke selectie (= zeef): overvloedige productie van genetische variatie in elke nieuwe
generatie. Diegenen die overleven, omdat ze gunstig aan de omgeving aangepast zijn, vormen
de nieuwe generatie!
Basis voor de natuurlijke selectie:
1. Het kenmerk moet geërfd worden (‘genetische transmissie’)
2. Het kenmerk moet variatie vertonen tussen individuen
3. De omgeving moet een zekere druk uitoefenen op het kenmerk, men spreekt van selectiedruk
- Fitness
- Populatie
- Mutatie
ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
1. INLEIDING
Biologische antropologie: fysiologisch
- (natuurwetenschappelijke) studie v/d mens vanuit evolutionair oogpunt
2. ANTROPOLOGISCHE EN DIENS SUBVELDEN
4-field approach
1. Culturele antropologie
2. Linguïstische antropologie
3. Archeologische antropologie
4. Biologische antropologie
Cultuur differentieert mensen van andere dieren
Biologie produceert cultuur, maar cultuur kan biologie beïnvloeden
Culturele antropologie: menselijke samenlevingen, vooral in cross-culturele context
- etnologie
- etnografie
Linguïstische antropologie: taal, geschiedenis en gebruik in culturen
- linguïstische vorm: grammaticale regels
- linguïstische functie: waarom spreken wij?
- sociale context van ontwikkeling
- taal = bioculturele parasiet
Archeologie ((pre)historisch): artefacten en materiële cultuur
- razendsnel ontwikkelend gebied: archeogenetica
Biologische antropologie: elke wetenschappen die menselijke soort vanuit evolutionair perspectief
bestudeert
Reikwijdte bio-antropologie
1. Paleoantropologie
2. Skeletale biologie
3. Paleopathologie (paleo + pathos + logos)
4. Forensische antropologie
5. Primatologie
6. Menselijke biologie
7. Biomedische antropologie
8. Moleculaire antropologie
Paleoantropologie: fossiele overblijfselen van voorouderlijke mensachtigen en hun naaste verwanten
(primaten)
- onderzoek: veldwerk
- studie in musea en universitaire labo’s
Skeletale biologie: menselijke skelet en de patronen/processen van menselijke
groei/fysiologie/ontwikkeling
, - Antropometrici: 1e generatie van biologische antropologen
Metingen van menselijk lichaam (gemiddelden, variaties…)
Paleopathologie: ziekten in oude menselijke populaties (bacteriën en virussen)
- menselijke resten in archeologische context
Forensische antropologie: menselijke overblijfselen in legale (forensische) context
- oorlogsmisdrijven (genocide)
- moord: doodsoorzaak en sporenonderzoek
- verkrachting: rape kit
Primatologie: niet-menselijke primaten en anatomie, genetica, gedrag en ecologie
- pioniers: Jane Goodall en Diane Fossey
- niet-menselijke primatenstudies: inzicht in evolutionaire verschillen en gelijkenissen
Menselijke biologie: menselijke groei en ontwikkeling, adaptatie aan extreme
omgevingsomstandigheden en menselijke genetica
- voedingsantropologie
- co-evolutie: studie v/d samenhang tss. dieet, cultuur en evolutie
- variaties tss. individuen en groepen
Biomedische antropologie: effecten van vervuiling, giftige stoffen op menselijke groei
Moleculaire antropologie: genetische benadering van evolutionaire wetenschap
- verschillen tss. (en binnen) mensen en niet-menselijke primaten
3. DE OORSPRONG VAN DE MODERN BIO-ANTROPOLOGIE
‘Nieuwe’ fysische antropologie: gebaseerd op neodarwinistische synthesis van
genetica/anatomie/ecologie/gedrag met evolutietheorie
Paleoantropologie: nieuwe dateertechnieken (archeogenetica)
,BIOLOGISCHE ANTROPOLOGIE
EVOLUTIE, SELECTIE EN ADAPTATIE
1. INLEIDING
Jaren 20 (Roaring Twenties): hevige strijd tussen wetenschap en creationisme
- verbod op lesgeven over evolutietheorie in VS
- The Scopes Trial: proces tegen leerkracht John Scopes die de evolutietheorie onderrichtte
2. DE OORSPRONG VAN HET MODERNE EVOLUTIEDENKEN
Oude Grieken (Aristoteles – ‘great chain of being’): alle levende wezens vormden een onvindbare
ketting
Renaissance (14de-16de eeuw)
- Vesalius en Da Vinci
- Het grote Monogenisme vs Polygenisme debat: ontstond tijdens de ontdekkingen van andere
werelddelen
- debat over evolueerbare in de wereld, zoals oorsprong van de mens (monogenisme: 1
oorsprong/polygenisme: meerdere oorsprongen)
Johan F. Blumenbach (vader antropologie): één menselijke soort
3. DE NATUURLIJKE CLASSIFICATIE VAN ORGANISMEN VOLGENS LINNAEUS
Taxonomie:
- Zweedse geoloog, zoöloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné)
zijn classificatiesysteem helpt bij herkennen van patronen
- ‘Systema Naturae’!
sommige soorten zijn nauwer aan elkaar verwant dan andere soorten!
4. DE WEG NAAR DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
Bufon: geloofde in veranderbaarheid van het leven en het feit dat hedendaagse levende soorten
nakomelingen zijn vna soorten die vroeger hebben geleefd
Cuvier: geloofde niet in evolueerbaarheid, maar stelde dat oude soorten verdwenen tgv catastrofes en
er daarna nieuwe soorten ontstonden als reactie op die verdwijning van de oude soorten
Lamarck: evolutiedenker die vrij invloedrijk is geweest: maar had foutief idee over biologische evolutie
- organismen in staat om kenmerken te verwerven tijdens levensloop en dat die werden
doorgegeven aan nakomelingen
Disastreuse gevolgen: Sovjet-Unie paste die ideeën letterlijk toe
- gingen ervan uit dat gewassen blootgesteld aan enorm koud weer, nakomelingen zouden
hebben die daartegen bestand zijn maar werkt niet zo en zorgde voor hongersnoden in SU
Uniformitarianism beïnvloedde het evolutiedenken (met name het ‘gradualisme’)
Twee geologen beïnvloedden Darwin:
- James Hutton (1726–1797)
- Charles Lyell (1797–1875)
, Manier van denken met idee dat geologische processen vandaag dezelfde processen zijn die men
vroeger kon waarnemen: grote impact op denken van Darwin
5. DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
Charles Darwin (1809–1882)
- kleinzoon van Erasmus Darwin (1731-1802)
- bekend arts
- botanist en naturalist: inspiratie bij de reizen van Alexander von Humboldt.
- reis met de HMS Beagle (1831–1836)
Adaptaties aan verschillende levensomstandigheden
6. DE ESSENTIE VAN DE EVOLUTIETHEORIE
Darwin's drie observaties en twee deducties (afleidingen):
OBSERVATIE 1: Alle organismen hebben het potentieel voor explosieve groei. (cf. Malthus!)
OBSERVATIE 2: Toch blijven populaties vrij stabiel. Deductie 1: Er moet een zekere strijd zijn om te
overleven.
OBSERVATIE 3: De natuur zit vol van variatie. Deductie 2: Sommige variaties zijn gunstiger dan
andere.
De vijf onderdelen van het Darwiniaans model ter verklaring van de evolutie van het leven op aarde:
1. Evolutie; ‘descent with modification from common ancestry by historical processes that did not
require acts of creation’. De wereld is niet constant maar verandert gestaag en levende wezens
veranderen in de tijd.
2. Gemeenschappelijke afstamming: alle groepen organismen hebben gemeenschappelijke
voorouders.
3. Vermenigvuldiging van de soorten: diversiteit komt voort uit het feit dat soorten zich
vermenigvuldigen, ofwel door op te splitsen in dochtersoorten, ofwel door geografische
afscheiding waardoor nieuwe soorten ontstaan.
4. Gradualisme: evolutie als graduele verandering van populaties. Niet door plotse verschijning van
nieuwe individuen van een nieuw type!
5. Natuurlijke selectie (= zeef): overvloedige productie van genetische variatie in elke nieuwe
generatie. Diegenen die overleven, omdat ze gunstig aan de omgeving aangepast zijn, vormen
de nieuwe generatie!
Basis voor de natuurlijke selectie:
1. Het kenmerk moet geërfd worden (‘genetische transmissie’)
2. Het kenmerk moet variatie vertonen tussen individuen
3. De omgeving moet een zekere druk uitoefenen op het kenmerk, men spreekt van selectiedruk
- Fitness
- Populatie
- Mutatie