Hoofdstuk 1: Histologische technieken
Doel
• Cellen en weefsels observeerbaar maken onder de microscoop.
Stappen histologische techniek
• Fixeren (meestal in formaline 4%)
• Inbedden (vaak in paraffine)
• Snijden (dunne coupes: ±3 µm)
• Kleuren (contrast verhogen)
• Analyseren (interpretatie van het beeld)
Belangrijk concept
• 3D → 2D:
o Snede door een buisvormige structuur (bv. darm) ziet er anders uit
afhankelijk van de snijrichting.
Lichtmicroscopie
• Drie-lenssysteem: condensor – objectief – oculair
• Maximale vergroting: 1000x
• Resolutie (scherpte): ± 250 nm = 0,25 µm = 0,00025 mm
• Coupes moeten dun zijn (±3 µm) om licht door te laten
• Wit licht = spectrum van golflengtes
• Contrast is laag → kleurstoffen nodig
Kleuring
• HE-kleuring = Haematoxyline-Eosine (→ histochemie: zuur-base reacties)
Haematoxyline
• Basisch
• Reageert met anionische (zure, - geladen) celcomponenten
• Kleurt blauw-paars (basofiel)
• Voorbeeld: kern (DNA)
Eosine
• Zuur
, • Reageert met kationische (basische, + geladen) celcomponenten
• Kleurt roze (acidofiel / eosinofiel)
• Voorbeeld: eiwitten in cytoplasma
Coupe
• 2D-beeld van 3D-structuur
• Kan ongekleurd of gekleurde HE-coupe zijn
Specifieke celtypes
• Fibroblasten = bindweefselcellen (vaak te zien in celkweek)
Cytologie vs. Histologie
• Cytologie = studie van individuele cellen
• Histologie = studie van weefsels (samenstelling van meerdere cellen)
Enzymhistochemie / -cytochemie
• Gebaseerd op actieve enzymen in de cel
• Reageert met substraat → gekleurde reactieproducten
Voorbeelden van kleuringen
• PAS-kleuring (Periodic Acid Schiff)
o Detectie van glycogeenstapeling
• Alcianblauw
o Kleurt
glycosaminoglycanen/proteoglycanen
o Komt voor in slijm (mucus)
• Nijlrood / Sudanzwart
o Kleuren lipiden → opsporing van vetstapeling
• Perls-reactie (Pruisisch blauw)
o Aankleuring van ijzerstapeling
• Grocott-zilverkleuring
o Toont zouten en ionen
Immunohistochemie
• Aankleuring met antilichamen
• Antilichaam bindt specifiek aan doelwit-eiwit
, • Vaak zichtbaar gemaakt met kleurreactie of fluorescentie
Fluorescentiemicroscopie
• Gebaseerd op excitatielicht (kortere golflengte) → emissielicht (langere
golflengte)
• Voorbeeld:
o Blauw excitatielicht → groen emissielicht
o Blauw (DAPI) = kern
o Groen = F-actine elementen
Elektronenmicroscopie (EM)
• Geen kleur → werkt met versnelde elektronen (golflengte buiten zichtbaar
spectrum)
• Hoge resolutie: oplossend vermogen = 3 nm
• Coupe: ultradun → 70 nm = 0,000070 mm
• Coupes worden gesneden met glas- of diamantmes
• Inbedden in hars of plastiek
De cel – basisstructuren
• N = kern
• CM = celmembraan
• MV = microvilli
• Kernporiën = openingen in het kernmembraan
• M = mitochondriën
• G = Golgi-complex
Hoofdstuk 2: De cel
Algemene info
• Het lichaam bestaat uit 10.000 miljard cellen
• 1 miljard cellen in een weefsel ter grootte van een suikerklontje
• Elke dag sterven 100 miljard cellen en ontstaan er evenveel nieuwe
• Kanker kan ontstaan als het fout loopt in 1 enkele cel
Definitie van de cel
• = Kleinste georganiseerde levende eenheid binnen een organisme
, • Beschikt over een uitgebreid metabolisme
• Kan min of meer zelfstandig functioneren in een fysiologische omgeving
• Heeft het vermogen tot:
o Beweging
o Groei
o Delen via mitose
• Kan door specialisatie bijdragen aan de functie van een orgaan
Cytomorfologie
= Beschrijving van de subcellulaire structuren (organellen) en hun functies
Algemene celverrichtingen
• Proliferatie = celdeling
• Metabolisme = energieomzetting
• Beweging
• Celdood (geprogrammeerd: apoptose)
Specifieke functies
• Contractie (bv. spiercellen)
• Secretie (bv. kliercellen)
• Geleiding (bv. zenuwcellen)
Wat zie je met welke microscoop?
Lichtmicroscopie (LM)
• Celmembraan
• Kern
• Cytoplasma
Elektronenmicroscopie (EM)
• Celmembraan
• Kern (K)
• Cytoplasma
• Mitochondriën (M)
• Cytomembraansysteem: