Basisvaardigheden en -principes van het zwemmen
Begripsbepaling
Het begrip "basisvaardigheden en -principes van het zwemmen" vraagt
om verduidelijking, omdat verwante begrippen zoals zwemmen,
zwemslagen en stuwen soms verkeerd begrepen worden.
Basisvaardigheden in het water
o Bewegingsmogelijkheden om al zwemmend de overkant te
bereiken.
o Ontstaan uit een combinatie van gekopieerde bewegingen uit
het dierenrijk en wetenschappelijke studies.
o Gericht op optimalisatie van stuwing en efficiënt
ademen/bewegen.
o Natuurlijke zwemcapaciteiten van de mens zijn beperkt en
moeten aangeleerd worden.
Zwemmen
o Zelfstandig voortbewegen in water zonder hulpmiddelen.
o Bestaat uit stuwen (bewegingen zonder opgelegde
beperkingen) en gestructureerd zwemmen (bewegingen
volgens regels, zoals in wedstrijdzwemmen).
o Mensen gebruiken verschillende stuwende bewegingen, maar
blijven ondergeschikt aan dieren qua prestaties.
Gestructureerd zwemmen en reglementen
o Wedstrijdzwemmen kent vier officiële zwemslagen: borstcrawl,
rugcrawl, schoolslag en vlinderslag.
o Deze worden door regels gescheiden en leiden tot
verschillende zwemsnelheden.
o Zonder reglementen zou er waarschijnlijk maar één efficiënte
zwemslag overblijven.
o In zwemlessen kan een beweging (zoals een steekvoet bij
schoolslag) functioneel zijn, terwijl deze in competitie
verboden is.
Verschil tussen basisvaardigheden en zwemmen
,basisvaardigheden zijn de fundamenten van bewegen in het water,
terwijl zwemmen de praktische toepassing hiervan is, al dan niet
volgens bepaalde regels.
Situering binnen het zwemonderwijs
Het leren zwemmen verloopt in vier fasen:
1. Algemene watergewenning – Angsten overwinnen en wennen
aan water.
2. Gevorderde watergewenning – Overleven in diep water, oefenen
met drijven en horizontale houdingen.
3. Leren stuwen – Verwerven van basisvaardigheden en -principes om
efficiënter te bewegen in water.
4. Gestructureerd zwemmen – Perfectioneren van schoolslag, crawl,
rugcrawl en vlinderslag.
Brede vs. enge invalshoek in zwemonderwijs
Brede invalshoek
o Gericht op algemene watervaardigheden en kennismaking met
meerdere zwemslagen.
o Vergelijkbaar met balsporten: eerst algemene
bewegingsvaardigheden ontwikkelen voor latere specialisatie.
o Situeren zich vooral in fase 3 (leren stuwen).
Enge invalshoek
o Gericht op het snel aanleren van één populaire zwemslag
(vaak schoolslag).
o Sommige fasen worden overgeslagen of minder behandeld.
o In Vlaanderen vaak opgelegd door scholen en ouders.
De gulden middenweg – een combinatie van beide methodes – wordt
gezien als de meest ideale aanpak.
3. Basisvaardigheden en –principes van het zwemmen
Start van fase 3:
o Kinderen (±6 jaar) hebben watergewenning doorlopen en
kunnen met hulpmiddelen in het diepe zwembad.
o Focus ligt op het ontwikkelen van diverse basisvaardigheden
zonder één zwemslag volledig uit te werken.
, Vijf basisvaardigheden:
o Evenwicht: Balans vinden in het water, afhankelijk van
zwaartepunt en drukpunt.
o Stroomlijnen: Zo gestroomlijnd mogelijk bewegen om
weerstand te minimaliseren.
o Stuwen met benen en armen: Efficiënt gebruik van
ledematen voor voortstuwing.
o Ademen: Controle over ademhaling en inademen op het juiste
moment.
3.1 Evenwicht in water:
o Krachten: Zwaartekracht (zinken) vs. opwaartse kracht
(drijven).
o Soortelijke massa: Meer vet → beter drijfvermogen; meer
spieren → sneller zinken.
o Evenwicht beïnvloeden:
Inademen → verhoogt drijfvermogen.
Arm- en beenbewegingen → veranderen zwaartepunt en
drukpunt.
Hoofdpositie en lichaamsbewegingen beïnvloeden de
stabiliteit.
Actief vs. passief evenwicht:
o Passief: Stil blijven liggen totdat het lichaam zichzelf in
balans brengt.
o Actief: Kleine correctiebewegingen maken om controle te
behouden.
Gebruik van hulpmiddelen:
o Plankjes en drijfgordels beïnvloeden evenwicht en
moeilijkheidsgraad.
o Verticale positie (hoofd boven water) voelt veiliger voor
kinderen, maar is minder efficiënt.
o Een horizontale, gestroomlijnde houding is beter voor de
techniek en snelheid.
3.2 Stroomlijnen