Les 1
Psychologie: Wetenschap waarbij gedrag wordt bestudeerd
Evidence-based: kritisch en op basis van wetenschappelijke argumenten
handelen ≠ intuïtief denken
Gedrag: reactie op een bepaalde stimulus
Overt: anderen kunnen dit observeren bv weglopen van een hond
Covert: gesloten gedrag bv gedachten/gevoelend
2 taken bij studie van gedrag:
Benoemen van gedrag: welk gedrag wordt gesteld en hoe vaak?
Verklaren van gedrag: gedrag linken aan bepaalde oorzaak:
o 3 Domeinen:
Omgevingsfactoren: wat er in de omgeving gebeurt/
aanwezig is.
Mentale processen: informatieverwerking in het hoofd
Biologische processen: fysiologische en genetische basis
van gedrag:
Hersenactiviteit: Specifieke gebieden in de
hersenen die betrokken zijn bij bepaalde
gedragingen (bijv. de amygdala voor angst).
Neurotransmitters: Chemische stoffen zoals
dopamine, die beloning en plezier beïnvloeden.
Genetica: Erfelijkheid speelt een rol in aanleg
voor bepaalde gedragingen of eigenschappen.
Hormonen: Bijvoorbeeld cortisol bij stress of
testosteron bij agressie.
De 3 domeinen zijn niet in conflict met elkaar, elk gedrag
valt te verklaren vanuit elk van de 3 domeinen.
Herbenoemen van gedrag: is geen verklaring, het is een
cirkelredenering bv Hij is x, omdat y. hij is y, omdat x
o 3 doelen:
Heuristisch nut: Gedrag verklaren om het te begrijpen en
te plaatsen.
Het gaat om een eenvoudige, intuïtieve uitleg
(heuristiek).
, De verklaring hoeft niet volledig of exact accuraat
te zijn, maar biedt houvast om gedrag te kunnen
vatten.
Predictief nut: Gedrag verklaren om toekomstig gedrag
te kunnen voorspellen.
Op basis van verklaringen en patronen inschatten
hoe iemand in een vergelijkbare situatie zal
reageren.
Dit helpt bij het anticiperen op gedrag.
Impact nut: Gedrag verklaren om het te beïnvloeden of
te veranderen.
Inzicht in oorzaken wordt gebruikt om interventies
te ontwerpen.
Doel is om gewenst gedrag te bevorderen of
ongewenst gedrag te verminderen.
Toepassing in onderzoeksprojecten:
Gedrag observeren en beschrijven.
Een theorie bouwen om gedrag te begrijpen
(heuristisch nut).
Hypotheses toetsen om gedrag te voorspellen
(predictief nut).
Interventies ontwikkelen en testen om gedrag te
beïnvloeden (impact nut).
Behaviorisme versus cognitieve
psychologie:
Behaviorisme:
o Richt zich op observeerbaar
gedrag en vermijdt mentale processen.
o Gedrag wordt verklaard door omgevingsstimuli en reacties.
Systematische observatie en manipulatie
o Belangrijke concepten: klassieke conditionering (bijv. Pavlov)
en operante conditionering (bijv. Skinner).
o Doel: universele gedragswetten formuleren.
Cognitieve psychologie:
o Bestudeert mentale processen
zoals geheugen, aandacht en
probleemoplossing.
o Beschouwt de mens als een actieve informatieverwerker.
o Onderzoekt hoe informatie wordt waargenomen, verwerkt en
opgeslagen.
, o Maakt gebruik van moderne technologie, zoals hersenscans,
om cognitieve processen te analyseren.
Operationele definities
Concrete en meetbare omschrijvingen van abstracte concepten,
zoals "stress" gemeten aan de hand van hartslag.
Gesofisticeerd behaviorisme
Een verfijnde benadering van behaviorisme, met erkenning voor
biologische en cognitieve factoren die gedrag beïnvloeden.
KB1: overtuigingen
Mentale representaties of schema’s die ons gedrag en denken
sturen.
Confirmatiebias
De neiging om informatie te zoeken die bestaande overtuigingen
bevestigt, terwijl tegenstrijdige informatie wordt genegeerd.
Onderzoeksmethoden
Literatuurstudie
Systematische analyse van bestaande wetenschappelijke bronnen
om een onderzoeksvraag te onderbouwen.
Naturalistische observatie
Gedrag observeren in een natuurlijke omgeving zonder interventie
van de onderzoeker.
Random toewijzing
Willekeurige verdeling van deelnemers over experimentele condities
om bias te minimaliseren.
Vragenlijst, opiniepeiling
Instrumenten om zelfgerapporteerde gegevens te verzamelen over
attitudes, overtuigingen of gedrag.
Gestructureerd / Ongestructureerd interview
o Gestructureerd: Vaste vragen en volgorde, zorgt voor
vergelijkbaarheid.
o Ongestructureerd: Flexibele, open vragen voor diepgaande
inzichten.
Gestandaardiseerde tests
Instrumenten met vastgestelde normen om prestaties of
eigenschappen objectief te meten.
, Gevalsstudie
Diepgaand onderzoek naar één individueel geval, fenomeen of
situatie.(kwalitatief)
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek
o Kwalitatief: Diepgaande, beschrijvende data.
o Kwantitatief: Numerieke, statistische data.
Experiment
Methode waarbij een onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd
om het effect op een afhankelijke variabele te meten.
Kernconcepten
Reactieve gedragingen en sociale wenselijkheid
Reacties van deelnemers worden beïnvloed door het bewustzijn dat
ze geobserveerd worden.
Representatieve steekproef
Een steekproef die de populatie waarheidsgetrouw weerspiegelt,
essentieel voor generaliseerbare resultaten.
Implicit bias
Onbewuste vooroordelen die beslissingen en gedrag beïnvloeden.
Variabele
Een eigenschap die kan variëren binnen een experiment, zoals
leeftijd of stemming.
Correlatiecoëfficiënt (r)
Een getal dat de sterkte en richting van een verband tussen twee
variabelen weergeeft. (-1<r<1)
o Correlatie
Positief: Beide variabelen stijgen samen.
Negati ef: Eén variabele stijgt, terwijl de andere
daalt.
Nul: Geen verband tussen de variabelen.
Causale relaties
Verband waarbij de ene variabele direct verantwoordelijk is voor
veranderingen in de andere.
(On)afhankelijke Variabele
o Onafhankelijk: Wordt gemanipuleerd.