1. Wat is een verzuilde samenleving?
Een samenleving in Nederland die bestaat uit 4 verschillende stromingen (zuilen).
Iedere stroming had daarbij eigen organisaties op alle terreinen van het
maatschappelijk leven: politiek, vakvereniging, onderwijs, gezondheidszorg, media,
jeugdbeweging en sport.
2. Wat zijn (voor iedere zuil) de bijbehorende partijen en media in Nederland?
Liberalen: VVD, Telegraaf, AVRO
Socialisten: PVDA, Parool, VARA
Katholieken: KVP, Volkskrant, KRO
Protestanten: ARP/CHU/SCP/GPV, Trouw, NCRV/EO/VPRO
3. Wat bedoelen we met het begrip wederopbouw?
Na WOII opnieuw opbouwen van een land, voor economisch in Nederland, deels
nieuwe gebouwen.
4. Welke rol speelde het Marshallplan bij de Nederlandse wederopbouw?
Het Marshallplan was een Amerikaans aanbod dat hielp met geld en goederen voor
de Nederlandse wederopbouw. Het Marshallplan was een tactiek om het
communisme in te dammen (Na WOII was de bevolking erg arm dus communisme
aantrekkelijk want alles delen, maar door marshallhulp en de economische groei is
communisme niet meer aantrekkelijk)
5. Wat betekent het begrip geleide loonpolitiek?
Dat het kabinet bepaalde hoe hard de lonen mochten stijgen. Lonen werden beperkt,
waardoor Nederlandse producten goedkoop bleven → betere concurrentiepositie
tegenover de rest van de wereld & loste grotendeels de werkloosheid in Nederland
op om bedrijven voor hetzelfde geld meer mensen konden aannemen. (Eindigde in
jaren 60)
6. Hoe versterkte de loonpolitiek de Nederlandse economie?
Nederlandse producten bleven goedkoop, waardoor de concurrentiepositie van
Nederland goed was tegenover andere landen. De Nederlandse economie werd door
de geleide loonpolitiek beschermt. Ook hebben meer mensen een baan, dus minder
werkloosheid.
7. Hoe maakte de economisch groei de verzorgingsstaat mogelijk?
Een verzorgingsstaat is enorm duur, maar omdat er economische groei plaatsvond
was het mogelijk om verschillende uitbreidingen van de sociale zekerheid te
realiseren. Economische groei → meer banen → meer belastinggeld → de overheid
kon meer uitkeringen betalen.
8. Wat betekenen de begrippen sociale partners en poldermodel?
Sociale partners zijn werkgevers en vakbonden waarmee de overheid nauw
samenwerkte tijdens de uitbreiding van de verzorgingsstaat. Het poldermodel gaat
om het voeren van overleg, gericht op een overeenstemming.
, 9. Welke maatschappelijke veranderingen waren het gevolg waren van de
stijgende welvaart?
Nederland wordt een consumptiemaatschappij, men gaat meer eten en drinken en
de mobiliteit neemt toe. Ook kwam er meer commerciële media op. Deze
veranderingen leidden tot jongerenculturen.
10.Wat betekent het begrip ontzuiling?
Het verdwijnen van de vier stromingen, die door elkaar gingen lopen. De oorzaak
daarvan is de welvaart en de media. Jongeren hadden meer geld en vrije tijd om
zichzelf te ontwikkelen.
11.Wat droeg dit bij aan de veranderende Nederlandse samenleving?
Mensen worden veel individualistischer, ze dachten meer aan zichzelf ipv hun zuil.
12.Wat betekent het begrip babyboom en welke gevolgen had dit voor de
samenleving?
De babyboom is een geboortegolf in de naoorlogse jaren toen er uitzonderlijk veel
kinderen geboren werden. De bevolking groeide hierdoor hard en in de jaren 1960
waren er daarom ook relatief veel jongeren, die meer vrije tijd en geld hadden dan
ouderen en ook langer onderwijs volgden → zorgde voor een generatieconflict.
Hierdoor ontstond een aparte jongerencultuur, waarbij jongeren eigen leefstijlen
ontwikkelden met eigen smaken en consumptieartikelen.
13.Leg uit: nozems, provo’s en hippies; waar stonden deze bewegingen voor en
wat wilden ze bereiken.
Nozems: stoer geklede jongeren met vetkuiven en brommers die vanaf omstreeks
1955 in hun vrije tijd op straat samenkwamen. Ze hielden van popmuziek zoals
Amerikaanse rock-’n-roll. Geen politieke agenda. Wilden zich vooral afzetten tegen
hun ouders.
Provo’s: keerden zich met provocerende en speelse acties tegen de bestaande
gezagsverhoudingen. Zij bespotten het gezag van oudere generaties en eisen meer
inspraak vanaf 1965. Wilden meer jongeren in de politiek → D66.
Hippies: Zetten zich vanaf 1967 op vredelievende en alternatieve manieren af tegen
de consumptiemaatschappij en de heersende opvattingen.
14.Hoe veranderde de positie van de vrouw na WO2?
1919: Aan het eind van de eerste feministische golf werd het vrouwenkiesrecht
ingevoerd.
Na 1945: Confessionelen gingen geleidelijk anders denken over de verhoudingen
tussen man en vrouw.
1956: De wettelijke handelingsonbekwaamheid van vrouwen eindigde, waardoor
mannen en vrouwen voortaan gelijke rechten en plichten hadden. In de praktijk
waren vrouwen echter nog niet geheel zelfstandig met gelijke kansen.
Een samenleving in Nederland die bestaat uit 4 verschillende stromingen (zuilen).
Iedere stroming had daarbij eigen organisaties op alle terreinen van het
maatschappelijk leven: politiek, vakvereniging, onderwijs, gezondheidszorg, media,
jeugdbeweging en sport.
2. Wat zijn (voor iedere zuil) de bijbehorende partijen en media in Nederland?
Liberalen: VVD, Telegraaf, AVRO
Socialisten: PVDA, Parool, VARA
Katholieken: KVP, Volkskrant, KRO
Protestanten: ARP/CHU/SCP/GPV, Trouw, NCRV/EO/VPRO
3. Wat bedoelen we met het begrip wederopbouw?
Na WOII opnieuw opbouwen van een land, voor economisch in Nederland, deels
nieuwe gebouwen.
4. Welke rol speelde het Marshallplan bij de Nederlandse wederopbouw?
Het Marshallplan was een Amerikaans aanbod dat hielp met geld en goederen voor
de Nederlandse wederopbouw. Het Marshallplan was een tactiek om het
communisme in te dammen (Na WOII was de bevolking erg arm dus communisme
aantrekkelijk want alles delen, maar door marshallhulp en de economische groei is
communisme niet meer aantrekkelijk)
5. Wat betekent het begrip geleide loonpolitiek?
Dat het kabinet bepaalde hoe hard de lonen mochten stijgen. Lonen werden beperkt,
waardoor Nederlandse producten goedkoop bleven → betere concurrentiepositie
tegenover de rest van de wereld & loste grotendeels de werkloosheid in Nederland
op om bedrijven voor hetzelfde geld meer mensen konden aannemen. (Eindigde in
jaren 60)
6. Hoe versterkte de loonpolitiek de Nederlandse economie?
Nederlandse producten bleven goedkoop, waardoor de concurrentiepositie van
Nederland goed was tegenover andere landen. De Nederlandse economie werd door
de geleide loonpolitiek beschermt. Ook hebben meer mensen een baan, dus minder
werkloosheid.
7. Hoe maakte de economisch groei de verzorgingsstaat mogelijk?
Een verzorgingsstaat is enorm duur, maar omdat er economische groei plaatsvond
was het mogelijk om verschillende uitbreidingen van de sociale zekerheid te
realiseren. Economische groei → meer banen → meer belastinggeld → de overheid
kon meer uitkeringen betalen.
8. Wat betekenen de begrippen sociale partners en poldermodel?
Sociale partners zijn werkgevers en vakbonden waarmee de overheid nauw
samenwerkte tijdens de uitbreiding van de verzorgingsstaat. Het poldermodel gaat
om het voeren van overleg, gericht op een overeenstemming.
, 9. Welke maatschappelijke veranderingen waren het gevolg waren van de
stijgende welvaart?
Nederland wordt een consumptiemaatschappij, men gaat meer eten en drinken en
de mobiliteit neemt toe. Ook kwam er meer commerciële media op. Deze
veranderingen leidden tot jongerenculturen.
10.Wat betekent het begrip ontzuiling?
Het verdwijnen van de vier stromingen, die door elkaar gingen lopen. De oorzaak
daarvan is de welvaart en de media. Jongeren hadden meer geld en vrije tijd om
zichzelf te ontwikkelen.
11.Wat droeg dit bij aan de veranderende Nederlandse samenleving?
Mensen worden veel individualistischer, ze dachten meer aan zichzelf ipv hun zuil.
12.Wat betekent het begrip babyboom en welke gevolgen had dit voor de
samenleving?
De babyboom is een geboortegolf in de naoorlogse jaren toen er uitzonderlijk veel
kinderen geboren werden. De bevolking groeide hierdoor hard en in de jaren 1960
waren er daarom ook relatief veel jongeren, die meer vrije tijd en geld hadden dan
ouderen en ook langer onderwijs volgden → zorgde voor een generatieconflict.
Hierdoor ontstond een aparte jongerencultuur, waarbij jongeren eigen leefstijlen
ontwikkelden met eigen smaken en consumptieartikelen.
13.Leg uit: nozems, provo’s en hippies; waar stonden deze bewegingen voor en
wat wilden ze bereiken.
Nozems: stoer geklede jongeren met vetkuiven en brommers die vanaf omstreeks
1955 in hun vrije tijd op straat samenkwamen. Ze hielden van popmuziek zoals
Amerikaanse rock-’n-roll. Geen politieke agenda. Wilden zich vooral afzetten tegen
hun ouders.
Provo’s: keerden zich met provocerende en speelse acties tegen de bestaande
gezagsverhoudingen. Zij bespotten het gezag van oudere generaties en eisen meer
inspraak vanaf 1965. Wilden meer jongeren in de politiek → D66.
Hippies: Zetten zich vanaf 1967 op vredelievende en alternatieve manieren af tegen
de consumptiemaatschappij en de heersende opvattingen.
14.Hoe veranderde de positie van de vrouw na WO2?
1919: Aan het eind van de eerste feministische golf werd het vrouwenkiesrecht
ingevoerd.
Na 1945: Confessionelen gingen geleidelijk anders denken over de verhoudingen
tussen man en vrouw.
1956: De wettelijke handelingsonbekwaamheid van vrouwen eindigde, waardoor
mannen en vrouwen voortaan gelijke rechten en plichten hadden. In de praktijk
waren vrouwen echter nog niet geheel zelfstandig met gelijke kansen.