Niveaus Allen cognitive level screen ACLS
Dit model:
- Geeft handvatten om te kijken naar het dagelijks functioneren van de cliënten
met een hersenletsel.
- Onderscheid 6 niveaus van cognitief functioneren
- Geeft- gekoppeld aan de niveaus – adviezen voor wonen, ADL en tijdbesteding
Het proces van informatieverwerking →
Bij mensen met een hersenletsel gaat er te veel informatie naar het werkgeheugen en
worden ze overprikkeld.
Stel mensen maar 1 vraag tegelijk en geef ze meer tijd om te reageren.
Geef beknopte uitleg.
Executieve controle en responsinhibitie → elementen werkgeheugen
Executieve controle: het denken gebeurt gecontroleerd en doelgericht.
- Bij hersenletsel: denkprocessen verlopen chaotisch, minder structuur, sneller
afgeleid
,Responsinhibitie: het kunnen onderdrukken van automatische reacties
- Bij hersenletsel: als het niet lukt om automatische reacties te onderdrukken kan
dit leiden tot ongewenste situaties. Bijv. de client die zijn jas ziet liggen, aantrekt
en naar buiten gaat.
Het lange termijn geheugen →
- Hier wordt alle informatie over de wereld en jezelf opgeslagen
- Ons werkgeheugen kan info ophalen als we die nodig hebben.
Episodisch geheugen: geheugen voor gebeurtenissen
Semantisch geheugen: kennis van de wereld, logos
Impliciet geheugen=procedureel geheugen: geheugen voor vaardigheden
Cognitieve hiërarchie →
Executief functioneren: gaat over nieuw en complex gedrag
Voorwaarde voor goede cognitieve functies:
- Aandacht
- Geheugen
,Zes functionele niveaus → wat kan iemand eigenlijk?
Niveau 6: geplande acties →
- Geen cognitieve problemen
Niveau 5: explorerende acties →
- Handelingsproblemen: in nieuwe/complexe situaties wordt het lastig om
oplossingen te bedenken
- Woonomgeving: client kan zelfstadig wonen, voor moeilijke taken is begeleiding
nodig
- ADL: routine matige ADL gaat goed
- Leervermogen: client kan nieuwe dingen leren
- Dagbesteding: de meeste activiteiten kan client uitvoeren, tenzij een sterk beroep
doen op executieve functies.
Niveau 4: doelgerichte acties →
- Handelingsbeperkingen: vertrouwde routinematige activiteiten gaan goed (ADL).
Veel problemen met nieuwe/complexe activiteiten.
- Woonomgeving: alleen wonen levert risico’s op. Er is hulp en ondersteuning
nodig. Client heeft baat bij vaste structuur en routines.
- ADL: routine matige ADL gaat goed, wel trager
- Leervermogen: leren verloopt traag. Leren moet in deelstappen met veel
herhaling. Weinig of geen generalisatie
- Dagbesteding: regulier werk wordt lastig. Client heeft een vertrouwde situatie
nodig met vaste routines.
Niveau 3: manuele acties →
- Handelingsbeperkingen: zeer ernstige problemen met executief functioneren en
het werkgeheugen. Zeer eenvoudige vertrouwde activiteiten lukken nog. Verder
veel assistentie nodig. Cliënt handelt niet doelgericht.
, - Woonomgeving: 24 uurs toezicht nodig. Veel aandacht voor veiligheid. Duidelijke
structuur en dagprogramma.
- ADL: client kan enkelvoudige taak uitvoeten (bijv. gezicht wassen) veel
aansturing en controle op resultaat nodig.
- Leervermogen: iets nieuws ;eren lukt alleen als het niet te complex is en
ingeslepen kan worden.
- Dagbesteding: eenvoudige ADL lukt met begeleiding. Client heeft een vaste dag
structuur, neemt zelf geen initiatief.
Niveau 2: houdingsacties →
- Handelingsbeperkingen: client komt nauwelijks tot doelgericht handelen. Enkel
grof motorische bewegingen (staan, lopen, zitten). Veel zorg nodig.
- Woonomgeving: 24 uurs toezicht en zorg nodig
- ADL: volledig zorgbehoevend
- Leervermogen: iets nieuws leren is zeer moeilijk
- Dagbesteding: client kan nauwelijks meedoen aan activiteiten. Accent ligt op
zorg.
Niveau 1: automatische acties →
- Client is bedlegerig en volledig zorgbehoevend. Alleen in staat tot basale reacties
op prikkels.
ACLS →
- Je kunt hiermee het niveau van de cliënt vaststellen
- Hiernaast moet je nog wel een observatie of een extra instrument afnemen om
een duidelijk niveau vast te stellen.