Basiskennis recht examenmatrijs uitgewerkt
Taxonomie: Kennis (45%), Begrip (7%), Toepassen (48%)
Aantal punten/vragen: 1 of 2
Onderdeel: Rechtsregels/Rechtsbronnen (28%)
1.1 De kandidaat benoemt kernmerken van de Nederlandse constitutionele monarchie en
democratische rechtsstaat (Koning staatshoofd, positie Koning in de Grondwet, vrije
verkiezingen, parlementair stelsel, respect voor grondrechten, overheid gebonden aan wet,
onafhankelijke rechters oordelen). K 1
Staatsrecht = beschrijft hoe de Nederlandse staat is georganiseerd
Grondwet : grondrechten, hoe Nederland georganiseerd is
De staat (kenmerken) =
Grondgebied
Burgers
Overheidsgezag soeverein gezag
Staatsvorm van Nederland =
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Drie overheidslagen :
1. Rijksoverheid
2. Provincie
3. Gemeente
Democratische rechtsstaat
Dit is een staat waarin de burgers invloed hebben op de manier waarop Nederland wordt
bestuurd en de macht van de overheid wordt beperkt door de wet.
Vier kenmerken :
1. Legaliteitsbeginsel (Het handelen van de overheid is gebaseerd op een wet en
dat wetten niet met terugwerkende kracht kunnen worden ingevoerd)
2. Onafhankelijke rechters (Dat betekent dat de overheid een rechter niet kan
ontslaan als zij het niet eens is met een uitspraak van de rechter)
3. Scheiding van de machten (Verschillende taken van de overheid verdeeld over
verschillende overheidsinstellingen. Deze verdeling voorkomt dat alle taken
worden uitgevoerd door één overheidsinstelling en verhindert misbruik van de
macht)
4. Grondrechten voor de burgers (Dit zijn de fundamentele vrijheden en rechten
van burgers. Deze grondrechten staan in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Dit zijn
de basisrechten van de burgers)
Regeringsvorm van Nederland =
Constitutionele monarchie
Parlement stelsel (parlement controleert de regering)
Regering : ministers en de koning
Kabinet : ministers en staatssecretarissen
,Koning Willem-Alexander is het staatshoofd van Nederland. Kenmerkend voor het koningschap is dat
deze rol door erfopvolging wordt verkregen. Een ander woord voor koning is monarch. Dit woord
komt uit het Grieks en betekent 'alleenheerser'. Een land met een koning (monarch) als staatshoofd
heet een monarchie.
In Nederland zijn de taken en bevoegdheden van de koning vastgelegd in de Grondwet en is de
macht van de koning beperkt. Een ander woord voor Grondwet is constitutie. De regeringsvorm in
Nederland is daarom een constitutionele monarchie: een monarchie die is gebaseerd op de
Grondwet.
Het landelijk bestuur in Nederland wordt gevormd door de regering. De regering bestaat uit de
ministers en de koning, artikel 42 van de Grondwet. De regering zorgt voor een goede gang van
zaken in het land, maakt daar plannen en wetgeving voor en voert deze uit.
De regering moet hiervoor verantwoording afleggen aan de volksvertegenwoordiging. In Nederland
bestaat de landelijke volksvertegenwoordiging uit de Eerste en Tweede Kamer, ook wel Staten-
Generaal of parlement genoemd. Op deze manier controleert het parlement de regering. Dit heet
het parlementair stelsel. Kenmerkend voor een parlementair stelsel is dat in een conflict tussen de
door de burgers gekozen Tweede en Eerste Kamer en de benoemde regering, de Kamers de sterkste
rechten hebben.
Democratische
rechtsstaat
Staatsvorm
Gedecentraliseerde
eenheidsstraat
Nederland
Constitutionele
monarchie
Regeringsvorm
Parlementair
stelsel
1.2 De kandidaat herkent of een gegeven grondrecht een klassiek of sociaal grondrecht is. K 1
1.3 De kandidaat stelt in een situatie vast welk klassiek of sociaal grondrechtsartikel uit de Grondwet
van toepassing is. T 1
Grondrechten
In hoofdstuk 1 van de Grondwet staan de grondrechten van de burgers van het Koninkrijk der
Nederlanden. Er zijn twee soorten grondrechten:
Klassieke grondrechten
Sociale grondrechten
2
Basiskennis recht examenmatrijs
, In artikel 1 tot en met 17 van de Grondwet (GW) staan de klassieke grondrechten. Dit zijn de
vrijheidsrechten van de burger.
Klassieke grondrechten bescherming tegen inmenging van de overheid
Bijv.
Gelijke behandeling en discriminatieverbod, artikel 1 van de Grondwet
Kiesrecht, artikel 4 van de Grondwet
Vrijheid van godsdienst, artikel 6 van de Grondwet
Vrijheid van meningsuiting, artikel 7 van de Grondwet
Vrijheid van vergadering en betoging, artikel 9 van de Grondwet
Recht op privacy, artikel 10 van de Grondwet
Vrijheidsontneming, artikel 15 van de Grondwet
In artikel 18 tot en met 23 van de Grondwet staan de sociale grondrechten. Deze rechten bieden
geen vrijheidsrecht of gelijkheidsrecht, maar geven de opdracht aan de overheid om zaken te
regelen.
Sociale grondrechten overheid moet zorgen voor de burger
Bijv.
Zorgen voor werkgelegenheid, artikel 19 van de Grondwet
Zorgen voor welvaart en sociale zekerheid, artikel 20 van de Grondwet
Zorgen voor goede volksgezondheid en woongelegenheid, artikel 22 van de Grondwet
1.4 De kandidaat herkent het verschil tussen rechtsregels en andere regels. K 1
Het verschil tussen gewone regels en rechtsregels is dat rechtsregels zijn gemaakt door de overheid
en de regels voor iedereen in Nederland gelden. Bij het overtreden of het niet opvolgen van een
rechtsregel beslist de rechter wat er gebeurt.
Drie kenmerken rechtsregels =
Gemaakt door de overheid
Algemeen geldend
Rechter beslist
Rechtsregels worden daarom ook wel overheidsregels genoemd. De rechtsregels staan in allerlei
wetten en regelingen en vormen samen het Nederlandse recht.
De rechtsregels zorgen voor =
Een georganiseerde samenleving
Een rechtvaardige oplossing bij conflicten en bij overtreding van regels
Geen rechtskracht = regels uit moraal, godsdienst en fatsoen
3
Basiskennis recht examenmatrijs
Taxonomie: Kennis (45%), Begrip (7%), Toepassen (48%)
Aantal punten/vragen: 1 of 2
Onderdeel: Rechtsregels/Rechtsbronnen (28%)
1.1 De kandidaat benoemt kernmerken van de Nederlandse constitutionele monarchie en
democratische rechtsstaat (Koning staatshoofd, positie Koning in de Grondwet, vrije
verkiezingen, parlementair stelsel, respect voor grondrechten, overheid gebonden aan wet,
onafhankelijke rechters oordelen). K 1
Staatsrecht = beschrijft hoe de Nederlandse staat is georganiseerd
Grondwet : grondrechten, hoe Nederland georganiseerd is
De staat (kenmerken) =
Grondgebied
Burgers
Overheidsgezag soeverein gezag
Staatsvorm van Nederland =
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Drie overheidslagen :
1. Rijksoverheid
2. Provincie
3. Gemeente
Democratische rechtsstaat
Dit is een staat waarin de burgers invloed hebben op de manier waarop Nederland wordt
bestuurd en de macht van de overheid wordt beperkt door de wet.
Vier kenmerken :
1. Legaliteitsbeginsel (Het handelen van de overheid is gebaseerd op een wet en
dat wetten niet met terugwerkende kracht kunnen worden ingevoerd)
2. Onafhankelijke rechters (Dat betekent dat de overheid een rechter niet kan
ontslaan als zij het niet eens is met een uitspraak van de rechter)
3. Scheiding van de machten (Verschillende taken van de overheid verdeeld over
verschillende overheidsinstellingen. Deze verdeling voorkomt dat alle taken
worden uitgevoerd door één overheidsinstelling en verhindert misbruik van de
macht)
4. Grondrechten voor de burgers (Dit zijn de fundamentele vrijheden en rechten
van burgers. Deze grondrechten staan in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Dit zijn
de basisrechten van de burgers)
Regeringsvorm van Nederland =
Constitutionele monarchie
Parlement stelsel (parlement controleert de regering)
Regering : ministers en de koning
Kabinet : ministers en staatssecretarissen
,Koning Willem-Alexander is het staatshoofd van Nederland. Kenmerkend voor het koningschap is dat
deze rol door erfopvolging wordt verkregen. Een ander woord voor koning is monarch. Dit woord
komt uit het Grieks en betekent 'alleenheerser'. Een land met een koning (monarch) als staatshoofd
heet een monarchie.
In Nederland zijn de taken en bevoegdheden van de koning vastgelegd in de Grondwet en is de
macht van de koning beperkt. Een ander woord voor Grondwet is constitutie. De regeringsvorm in
Nederland is daarom een constitutionele monarchie: een monarchie die is gebaseerd op de
Grondwet.
Het landelijk bestuur in Nederland wordt gevormd door de regering. De regering bestaat uit de
ministers en de koning, artikel 42 van de Grondwet. De regering zorgt voor een goede gang van
zaken in het land, maakt daar plannen en wetgeving voor en voert deze uit.
De regering moet hiervoor verantwoording afleggen aan de volksvertegenwoordiging. In Nederland
bestaat de landelijke volksvertegenwoordiging uit de Eerste en Tweede Kamer, ook wel Staten-
Generaal of parlement genoemd. Op deze manier controleert het parlement de regering. Dit heet
het parlementair stelsel. Kenmerkend voor een parlementair stelsel is dat in een conflict tussen de
door de burgers gekozen Tweede en Eerste Kamer en de benoemde regering, de Kamers de sterkste
rechten hebben.
Democratische
rechtsstaat
Staatsvorm
Gedecentraliseerde
eenheidsstraat
Nederland
Constitutionele
monarchie
Regeringsvorm
Parlementair
stelsel
1.2 De kandidaat herkent of een gegeven grondrecht een klassiek of sociaal grondrecht is. K 1
1.3 De kandidaat stelt in een situatie vast welk klassiek of sociaal grondrechtsartikel uit de Grondwet
van toepassing is. T 1
Grondrechten
In hoofdstuk 1 van de Grondwet staan de grondrechten van de burgers van het Koninkrijk der
Nederlanden. Er zijn twee soorten grondrechten:
Klassieke grondrechten
Sociale grondrechten
2
Basiskennis recht examenmatrijs
, In artikel 1 tot en met 17 van de Grondwet (GW) staan de klassieke grondrechten. Dit zijn de
vrijheidsrechten van de burger.
Klassieke grondrechten bescherming tegen inmenging van de overheid
Bijv.
Gelijke behandeling en discriminatieverbod, artikel 1 van de Grondwet
Kiesrecht, artikel 4 van de Grondwet
Vrijheid van godsdienst, artikel 6 van de Grondwet
Vrijheid van meningsuiting, artikel 7 van de Grondwet
Vrijheid van vergadering en betoging, artikel 9 van de Grondwet
Recht op privacy, artikel 10 van de Grondwet
Vrijheidsontneming, artikel 15 van de Grondwet
In artikel 18 tot en met 23 van de Grondwet staan de sociale grondrechten. Deze rechten bieden
geen vrijheidsrecht of gelijkheidsrecht, maar geven de opdracht aan de overheid om zaken te
regelen.
Sociale grondrechten overheid moet zorgen voor de burger
Bijv.
Zorgen voor werkgelegenheid, artikel 19 van de Grondwet
Zorgen voor welvaart en sociale zekerheid, artikel 20 van de Grondwet
Zorgen voor goede volksgezondheid en woongelegenheid, artikel 22 van de Grondwet
1.4 De kandidaat herkent het verschil tussen rechtsregels en andere regels. K 1
Het verschil tussen gewone regels en rechtsregels is dat rechtsregels zijn gemaakt door de overheid
en de regels voor iedereen in Nederland gelden. Bij het overtreden of het niet opvolgen van een
rechtsregel beslist de rechter wat er gebeurt.
Drie kenmerken rechtsregels =
Gemaakt door de overheid
Algemeen geldend
Rechter beslist
Rechtsregels worden daarom ook wel overheidsregels genoemd. De rechtsregels staan in allerlei
wetten en regelingen en vormen samen het Nederlandse recht.
De rechtsregels zorgen voor =
Een georganiseerde samenleving
Een rechtvaardige oplossing bij conflicten en bij overtreding van regels
Geen rechtskracht = regels uit moraal, godsdienst en fatsoen
3
Basiskennis recht examenmatrijs