VENNOOTSCHAPSBELASTING
TOEPASSINGSGEBIED
1. DE ONDERWORPEN ENTITEITEN
De vennootschapsbelasting is een directe belasting die behoort tot de inkomstenbelastingen.
Aan de vennootschapsbelasting zijn binnenlandse vennootschappen onderworpen (art. 179 WIB92).
Een “binnenlandsFe vennootschap” is een rechtspersoon die zich bezighoudt met het voeren van
verrichtingen van winstgevende aard en waarvan de voornaamste inrichting of zetel van bestuur zich
in België bevindt.
In tegenstelling tot het W.V.V. gaat men in het fiscaal recht uit van de werkelijke zetelleer.
Er dient voldaan te zijn aan 3 voorwaarden om onderworpen te zijn aan de
vennootschapsbelasting in België:
1) Men dient een rechtspersoon te zijn
Hiervoor volgt het fiscaal recht de kwalificatie van het W.V.V.
Rechtspersonen: BV, CV, NV, VOF, Comm. V., Europese vennootschap, etc.
Let op: het ontbreken van een winstoogmerk bij een VZW betekent NIET noodzakelijk dat ze
automatisch is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. Aanzienlijke inkomsten uit commerciële
activiteiten en de opbouw van reserves via deze activiteiten zijn 2 sterke indicatoren voor de
toepassing van de vennootschapsbelasting op een VZW.
Let op: een maatschap is fiscaal transparant en bijgevolg NIET onderworpen aan
vennootschapsbelasting. Elke “maat” betaalt zelf inkomstenbelasting over zijn eigen deel van de
beloning of winst.
2) De fiscale woonplaats dient zich te bevinden in België
Voornaamste inrichting of zetel van bestuur (synoniemen)
De voornaamste inrichting vormt de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap
Een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt behoudens tegenbewijs,
vermoed daar ook haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur te hebben
Het tegendeel wordt enkel aanvaard indien er aangetoond kan worden dat de fiscale
woonplaats van de vennootschap in een andere staat dan België is gevestigd volgens de
fiscale wetgeving van de andere staat (art. 2, §1, 5°, b WIB92)
De vaststelling van de fiscale woonplaats is in elk geval een feitenkwestie, waarbij de volgende
elementen een rol kunnen spelen:
- De plaats waar de boekhouding wordt gevoerd
- De plaats waar de A.V. worden gehouden
- De plaats waar het bestuursorgaan gewoonlijk bijeenkomt
- De plaats waar de belangrijkste beslissingen worden genomen
- De plaats waar de meerderheid van de bestuurders woont
- De plaats waarop de briefwisseling gebeurd
3) De onderneming verricht activiteiten van winstgevende aard
Het verrichten van handels-, nijverheids-, ambachts- of landbouwactiviteiten
2. DE UITGESLOTEN ENTITEITEN
,Sommige rechtspersonen zijn op basis van art. 180 t.e.m. 182 WIB92 uitgesloten van de
vennootschapsbelasting:
1) De publieke rechtspersonen (art. 180 WIB92)
Bijvoorbeeld: ziekenhuizen, instellingen voor oorlogsslachtoffers, mindervaliden,
bejaarden, Infrabel, de Delcredere, etc.
2) De VZW’s en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven (art. 181 WIB92)
Om niet als een verrichting van winstgevende aard te worden beschouwd, moeten de
verrichtingen (art. 182, 3° WIB92):
1) Een bijkomstig karakter vertonen
of
2) Niet volgens nijverheid – of handelsmethoden worden uitgevoerd
Volgens de rechtspraak volstaat het dat aan één van de twee criteria voldaan is om niet aan de
vennootschapsbelasting onderworpen te zijn.
Zodra een VZW zich organiseert & functioneert als een commerciële onderneming, zal de fiscus haar
ook willen belasten als een commerciële onderneming.
Het feit dat een VZW geen vermogensrechtelijke voordelen mag uitkeren aan haar leden is fiscaal niet
van doorslaggevend belang.
DE BEPALING VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
,De belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting wordt bepaald door op het boekhoudkundig
resultaat een aantal “bewerkingen” toe te passen.
De volgorde van deze bewerkingen wordt bepaald in art. 207/1 t.e.m. art. 207/9 WIB92.
Het belastbaar resultaat (de 1ste bewerking):
- De mutatie in de belastbare reserves (+ of -)
- De verworpen uitgaven (+)
- De uitgekeerde dividenden (+)
Vervolgens worden de bestanddelen waarop het aftrekverbod van toepassing is verwijderd.
Dit zijn de bestanddelen van het resultaat van de 1ste bewerking waarop geen van de fiscale aftrekken
kunnen worden toegepast, en dus steeds deel zullen uitmaken van de uiteindelijk belastbare grondslag.
In de volgende fase gaat men de diverse fiscale aftrekken toepassen, in de verplichte volgorde zoals
bepaald in art. 207, 3de lid WIB92.
De achterliggende gedachte van deze volgorde is dat eerst de aftrekken van het huidige jaar in aftrek
worden gebracht en daarna pas de overgedragen aftrekken, uitgezonderd de overgedragen
investeringsaftrek.
De volgorde van de aftrekken is als volgt:
1. De aftrek van niet belastbare bestanddelen van het huidige jaar (art. 199 WIB92)
2. De DBI-aftrek van het huidige jaar (art. 202 t.e.m. 205 WIB92)
3. De aftrek voor innovatie-inkomsten van het huidige jaar (art. 205/1 t.e.m. 205/5 WIB92)
4. De investeringsaftrek van het huidige jaar (incl. overgedragen aftrek) (art. 72 & 201 WIB92)
5. De aftrek van de groepsbijdrage van het huidige jaar (art. 205/5 WIB92)
6. De korf van de overgedragen aftrekken
De overgedragen DBI-aftrek (art. 205, §3 WIB92)
De overgedragen aftrek innovatie-inkomsten (art. 205/1, §1 WIB92)
De overgedragen fiscale verliezen (art. 206 WIB92)
De overgedragen aftrek risicokapitaal (art. 536, 1ste t.e.m. 3de lid WIB92)
De aftrekken van de zogenaamde “korf” worden cf. art. 207, 5 de lid WIB92 beperkt tot 1 miljoen EUR,
vermeerderd met 40% van het gedeelte van de fiscale winst dat 1 miljoen EUR overschrijdt.
Het gedeelte van de winst dat dus meer bedraagt dan 1 miljoen EUR zal steeds voor 60%
daadwerkelijk belast worden, ongeacht de resterende fiscale aftrekken uit de “korf”.
Dit noemt men in de volksmond ook wel de “minimumbelasting voor multinationals”.
Let op: voor kleine vennootschappen geldt de bovenstaande beperking niet voor de overgedragen
fiscale verliezen gedurende de 1ste 4 belastbare tijdperken vanaf oprichting (art. 207, 6 de lid WIB92).
Let op: de fiscale aftrekposten van het huidige jaar zijn onbeperkt aftrekbaar, maar de fiscale
overgedragen aftrekposten uit de “korf” dient men te beperken tot maximaal 1 miljoen EUR (+) 40%
van de werkelijke winst boven de 1 miljoen EUR.
Let op (!): de beperking van 40% is dus nadelig, maar zal wel maar tijdelijk zijn. Vanaf 1 april 2024
is opnieuw de meer voordelige beperking van 70% van toepassing en dus slechts 30% belastbaar.
DE BELASTBARE GERESERVEERDE WINST
, Algemeen
Volgens art. 206/1, 1ste lid WIB92 wordt het fiscaal resultaat van het belastbaar tijdperk ingedeeld in 3
categorieën:
1) De mutaties in de belastbare reserves (+ of -)
2) De verworpen uitgaven (+)
3) De uitgekeerde dividenden (+)
De optelsom van deze winstbestanddelen wordt in het vakjargon het “fiscaal resultaat van de 1 ste
bewerking” genoemd.
De belastbare gereserveerde winst is gelijk aan de mutatie in de belastbare reserves tijdens het
belastbaar tijdperk.
De vennootschap dient jaarlijks een gedetailleerde opgaaf van de belaste reserves bij te houden
(opgave 328R).
De belastbare reserves in het kapitaal & de belastbare uitgiftepremies
Voor fiscale doeleinden wordt het begrip “kapitaal” anders gedefinieerd dan voor het wetboek
vennootschappen & verenigingen (art. 2, §1, 6°, a WIB92).
De eigen definitie van “kapitaal” in het fiscaal recht betekent dus dat de zogenaamde “kapitaalloze”
vennootschappen zoals een BV geen kapitaal hebben op vennootschapsrechtelijk niveau, maar voor
fiscale doeleinden toch nog steeds over een kapitaal kunnen beschikken, ten belope van het
ingebrachte eigen vermogen.
Indien een vennootschap zou overgaan tot een “kapitaalverhoging” door incorporatie van belastbare
reserves, zullen deze reserves vanuit fiscaal oogpunt geen kapitaal vormen, en behouden deze reserves
hun aard van belastbare reserves in kapitaal.
In de aangifte vennootschapsbelasting betekent dit dat de belaste reserves die in het kapitaal worden
geïncorporeerd, als “belastbare reserves in kapitaal” worden opgenomen.
Indien vrijgestelde reserves in het kapitaal worden ingelijfd, blijven deze vrijgesteld, omdat de
inlijving van dergelijke reserves in kapitaal geen schending inhoudt van de
onaantastbaarheidsvoorwaarde.
Fiscaal gezien is de incorporatie van reserves in het kapitaal louter een
“vermogensverschuiving” die geen belastbare materie met zich meebrengt.
Om de samenstelling & oorsprong van het kapitaal te kunnen bepalen, wordt door elke binnenlandse
vennootschap een opgave 328D bijgehouden.
Voorbeeld
TOEPASSINGSGEBIED
1. DE ONDERWORPEN ENTITEITEN
De vennootschapsbelasting is een directe belasting die behoort tot de inkomstenbelastingen.
Aan de vennootschapsbelasting zijn binnenlandse vennootschappen onderworpen (art. 179 WIB92).
Een “binnenlandsFe vennootschap” is een rechtspersoon die zich bezighoudt met het voeren van
verrichtingen van winstgevende aard en waarvan de voornaamste inrichting of zetel van bestuur zich
in België bevindt.
In tegenstelling tot het W.V.V. gaat men in het fiscaal recht uit van de werkelijke zetelleer.
Er dient voldaan te zijn aan 3 voorwaarden om onderworpen te zijn aan de
vennootschapsbelasting in België:
1) Men dient een rechtspersoon te zijn
Hiervoor volgt het fiscaal recht de kwalificatie van het W.V.V.
Rechtspersonen: BV, CV, NV, VOF, Comm. V., Europese vennootschap, etc.
Let op: het ontbreken van een winstoogmerk bij een VZW betekent NIET noodzakelijk dat ze
automatisch is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. Aanzienlijke inkomsten uit commerciële
activiteiten en de opbouw van reserves via deze activiteiten zijn 2 sterke indicatoren voor de
toepassing van de vennootschapsbelasting op een VZW.
Let op: een maatschap is fiscaal transparant en bijgevolg NIET onderworpen aan
vennootschapsbelasting. Elke “maat” betaalt zelf inkomstenbelasting over zijn eigen deel van de
beloning of winst.
2) De fiscale woonplaats dient zich te bevinden in België
Voornaamste inrichting of zetel van bestuur (synoniemen)
De voornaamste inrichting vormt de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap
Een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt behoudens tegenbewijs,
vermoed daar ook haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur te hebben
Het tegendeel wordt enkel aanvaard indien er aangetoond kan worden dat de fiscale
woonplaats van de vennootschap in een andere staat dan België is gevestigd volgens de
fiscale wetgeving van de andere staat (art. 2, §1, 5°, b WIB92)
De vaststelling van de fiscale woonplaats is in elk geval een feitenkwestie, waarbij de volgende
elementen een rol kunnen spelen:
- De plaats waar de boekhouding wordt gevoerd
- De plaats waar de A.V. worden gehouden
- De plaats waar het bestuursorgaan gewoonlijk bijeenkomt
- De plaats waar de belangrijkste beslissingen worden genomen
- De plaats waar de meerderheid van de bestuurders woont
- De plaats waarop de briefwisseling gebeurd
3) De onderneming verricht activiteiten van winstgevende aard
Het verrichten van handels-, nijverheids-, ambachts- of landbouwactiviteiten
2. DE UITGESLOTEN ENTITEITEN
,Sommige rechtspersonen zijn op basis van art. 180 t.e.m. 182 WIB92 uitgesloten van de
vennootschapsbelasting:
1) De publieke rechtspersonen (art. 180 WIB92)
Bijvoorbeeld: ziekenhuizen, instellingen voor oorlogsslachtoffers, mindervaliden,
bejaarden, Infrabel, de Delcredere, etc.
2) De VZW’s en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven (art. 181 WIB92)
Om niet als een verrichting van winstgevende aard te worden beschouwd, moeten de
verrichtingen (art. 182, 3° WIB92):
1) Een bijkomstig karakter vertonen
of
2) Niet volgens nijverheid – of handelsmethoden worden uitgevoerd
Volgens de rechtspraak volstaat het dat aan één van de twee criteria voldaan is om niet aan de
vennootschapsbelasting onderworpen te zijn.
Zodra een VZW zich organiseert & functioneert als een commerciële onderneming, zal de fiscus haar
ook willen belasten als een commerciële onderneming.
Het feit dat een VZW geen vermogensrechtelijke voordelen mag uitkeren aan haar leden is fiscaal niet
van doorslaggevend belang.
DE BEPALING VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG
,De belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting wordt bepaald door op het boekhoudkundig
resultaat een aantal “bewerkingen” toe te passen.
De volgorde van deze bewerkingen wordt bepaald in art. 207/1 t.e.m. art. 207/9 WIB92.
Het belastbaar resultaat (de 1ste bewerking):
- De mutatie in de belastbare reserves (+ of -)
- De verworpen uitgaven (+)
- De uitgekeerde dividenden (+)
Vervolgens worden de bestanddelen waarop het aftrekverbod van toepassing is verwijderd.
Dit zijn de bestanddelen van het resultaat van de 1ste bewerking waarop geen van de fiscale aftrekken
kunnen worden toegepast, en dus steeds deel zullen uitmaken van de uiteindelijk belastbare grondslag.
In de volgende fase gaat men de diverse fiscale aftrekken toepassen, in de verplichte volgorde zoals
bepaald in art. 207, 3de lid WIB92.
De achterliggende gedachte van deze volgorde is dat eerst de aftrekken van het huidige jaar in aftrek
worden gebracht en daarna pas de overgedragen aftrekken, uitgezonderd de overgedragen
investeringsaftrek.
De volgorde van de aftrekken is als volgt:
1. De aftrek van niet belastbare bestanddelen van het huidige jaar (art. 199 WIB92)
2. De DBI-aftrek van het huidige jaar (art. 202 t.e.m. 205 WIB92)
3. De aftrek voor innovatie-inkomsten van het huidige jaar (art. 205/1 t.e.m. 205/5 WIB92)
4. De investeringsaftrek van het huidige jaar (incl. overgedragen aftrek) (art. 72 & 201 WIB92)
5. De aftrek van de groepsbijdrage van het huidige jaar (art. 205/5 WIB92)
6. De korf van de overgedragen aftrekken
De overgedragen DBI-aftrek (art. 205, §3 WIB92)
De overgedragen aftrek innovatie-inkomsten (art. 205/1, §1 WIB92)
De overgedragen fiscale verliezen (art. 206 WIB92)
De overgedragen aftrek risicokapitaal (art. 536, 1ste t.e.m. 3de lid WIB92)
De aftrekken van de zogenaamde “korf” worden cf. art. 207, 5 de lid WIB92 beperkt tot 1 miljoen EUR,
vermeerderd met 40% van het gedeelte van de fiscale winst dat 1 miljoen EUR overschrijdt.
Het gedeelte van de winst dat dus meer bedraagt dan 1 miljoen EUR zal steeds voor 60%
daadwerkelijk belast worden, ongeacht de resterende fiscale aftrekken uit de “korf”.
Dit noemt men in de volksmond ook wel de “minimumbelasting voor multinationals”.
Let op: voor kleine vennootschappen geldt de bovenstaande beperking niet voor de overgedragen
fiscale verliezen gedurende de 1ste 4 belastbare tijdperken vanaf oprichting (art. 207, 6 de lid WIB92).
Let op: de fiscale aftrekposten van het huidige jaar zijn onbeperkt aftrekbaar, maar de fiscale
overgedragen aftrekposten uit de “korf” dient men te beperken tot maximaal 1 miljoen EUR (+) 40%
van de werkelijke winst boven de 1 miljoen EUR.
Let op (!): de beperking van 40% is dus nadelig, maar zal wel maar tijdelijk zijn. Vanaf 1 april 2024
is opnieuw de meer voordelige beperking van 70% van toepassing en dus slechts 30% belastbaar.
DE BELASTBARE GERESERVEERDE WINST
, Algemeen
Volgens art. 206/1, 1ste lid WIB92 wordt het fiscaal resultaat van het belastbaar tijdperk ingedeeld in 3
categorieën:
1) De mutaties in de belastbare reserves (+ of -)
2) De verworpen uitgaven (+)
3) De uitgekeerde dividenden (+)
De optelsom van deze winstbestanddelen wordt in het vakjargon het “fiscaal resultaat van de 1 ste
bewerking” genoemd.
De belastbare gereserveerde winst is gelijk aan de mutatie in de belastbare reserves tijdens het
belastbaar tijdperk.
De vennootschap dient jaarlijks een gedetailleerde opgaaf van de belaste reserves bij te houden
(opgave 328R).
De belastbare reserves in het kapitaal & de belastbare uitgiftepremies
Voor fiscale doeleinden wordt het begrip “kapitaal” anders gedefinieerd dan voor het wetboek
vennootschappen & verenigingen (art. 2, §1, 6°, a WIB92).
De eigen definitie van “kapitaal” in het fiscaal recht betekent dus dat de zogenaamde “kapitaalloze”
vennootschappen zoals een BV geen kapitaal hebben op vennootschapsrechtelijk niveau, maar voor
fiscale doeleinden toch nog steeds over een kapitaal kunnen beschikken, ten belope van het
ingebrachte eigen vermogen.
Indien een vennootschap zou overgaan tot een “kapitaalverhoging” door incorporatie van belastbare
reserves, zullen deze reserves vanuit fiscaal oogpunt geen kapitaal vormen, en behouden deze reserves
hun aard van belastbare reserves in kapitaal.
In de aangifte vennootschapsbelasting betekent dit dat de belaste reserves die in het kapitaal worden
geïncorporeerd, als “belastbare reserves in kapitaal” worden opgenomen.
Indien vrijgestelde reserves in het kapitaal worden ingelijfd, blijven deze vrijgesteld, omdat de
inlijving van dergelijke reserves in kapitaal geen schending inhoudt van de
onaantastbaarheidsvoorwaarde.
Fiscaal gezien is de incorporatie van reserves in het kapitaal louter een
“vermogensverschuiving” die geen belastbare materie met zich meebrengt.
Om de samenstelling & oorsprong van het kapitaal te kunnen bepalen, wordt door elke binnenlandse
vennootschap een opgave 328D bijgehouden.
Voorbeeld