Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1:.................................................................................................. 1
Hoofdstuk 2:.................................................................................................. 4
Hoofdstuk 3................................................................................................... 8
Hoofdstuk 4................................................................................................. 12
Hoofdstuk 5:................................................................................................ 15
Hoofdstuk 6:................................................................................................ 17
Hoofdstuk 7................................................................................................. 20
Hoofdstuk 9................................................................................................. 25
Hoofdstuk 10............................................................................................... 28
Hoofdstuk 12............................................................................................... 32
Hoofdstuk 13:.............................................................................................. 39
Hoofdstuk 14............................................................................................... 45
Hoofdstuk 15............................................................................................... 48
Hoofdstuk 16............................................................................................... 51
Hoofdstuk 17............................................................................................... 54
Hoofdstuk 18............................................................................................... 57
Hoofdstuk 19............................................................................................... 61
Hoofdstuk 21............................................................................................... 64
Hoofdstuk 23............................................................................................... 67
Hoofdstuk 24............................................................................................... 70
Hoofdstuk 25............................................................................................... 73
Hoofdstuk 1:
Klinische psychologie is het psychologische vakgebied dat zich primair bezighoudt met afwijkend
menselijk gedrag, inclusief problemen met aanpassing. Het omvat activiteiten zoals diagnose,
1
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
classificatie, behandeling, preventie en onderzoek. In de Engelstalige literatuur wordt dit veld soms
ook abnormal psychology genoemd, wat de studie van afwijkend gedrag aanduidt. Het is belangrijk te
weten dat de term 'klinisch' niet beperkt is tot psychologen die in ziekenhuizen werken; zij zijn actief
in diverse settings binnen de gezondheidszorg, waaronder de eerstelijnszorg.
Binnen de psychologie wordt een onderscheid gemaakt tussen basisdisciplines en
toepassingsgerichte disciplines.
Basisdisciplines Toepassingsgerichte disciplines
Functieleer klinische en gezondheidspsychologie
Ontwikkelingspsychologie arbeids- en organisatiepsychologie
Sociale psychologie onderwijspsychologie
Persoonlijkheidspsychologie
methodenleer
De klinische psychologie behoort tot de toepassingsgerichte disciplines, naast bijvoorbeeld arbeids-
en organisatiepsychologie en onderwijspsychologie. De basisdisciplines, zoals cognitieve psychologie,
ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie, persoonlijkheidspsychologie en methodenleer, leveren
de fundamentele kennis die nodig is om afwijkingen van de norm te begrijpen en vast te stellen.
De kern van de klinische psychologie ligt bij gedragingen, gedachten en gevoelens die problemen
veroorzaken voor de persoon zelf of hun omgeving. Hoewel het vakgebied zich in de loop der tijd
heeft verbreed, blijft de hoofdfocus op psychische stoornissen liggen. Afwijkingen van de norm
kunnen zich uiten in individueel gedrag (zoals overmatig alcoholgebruik), gedachten (zoals
dwanggedachten) of gevoelens (zoals extreme angst), maar ook in problematische relaties met
anderen. Vaak is er een wisselwerking tussen deze verschillende aspecten.
Er zijn verschillende criteria die meespelen bij de beoordeling of gedrag als abnormaal of
pathologisch wordt gezien. Hoe meer van de volgende factoren aanwezig zijn, hoe groter de kans dat
gedrag als afwijkend wordt beschouwd:
Persoonlijk lijden: De mate waarin iemand onder de problematiek gebukt gaat.
Disfunctioneren: De mate waarin het gedrag het dagelijks leven en het welzijn van de
persoon of anderen negatief beïnvloedt.
Incomprehensibiliteit: Wanneer het gedrag als onlogisch of onbegrijpelijk wordt ervaren.
Onvoorspelbaarheid en controleverlies: Gedrag dat onverwacht is of suggereert dat iemand
de controle over zichzelf verloren heeft, vooral wanneer normale sociale regels worden
genegeerd of de aanleiding voor het gedrag onduidelijk is.
Opvallend en onconventioneel gedrag: Gedrag dat sterk afwijkt van de gangbare norm en
als sociaal onwenselijk wordt beschouwd.
Gedrag dat anderen een ongemakkelijk gevoel geeft: Vaak door het overtreden van
ongeschreven sociale regels.
Het overtreden van morele normen: Gedrag dat ingaat tegen heersende opvattingen over
goed en kwaad of ideaal functioneren.
2
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
De klinische psychologie richt zich op het ontstaan, de diagnostiek en de behandeling van psychische
stoornissen. Klinisch psychologen zijn werkzaam in diverse sectoren van de gezondheidszorg en
vormen de grootste groep psychologen in de praktijk.
Mensen beoordelen gedrag niet alleen op gangbaarheid, maar vellen ook morele oordelen op basis
van hun opvattingen over hoe men zich zou moeten gedragen. 'Slecht' gedrag wordt vaak als
abnormaal ervaren. Ook persoonlijke idealen over optimaal functioneren in de maatschappij
beïnvloeden de beoordeling van gedrag als abnormaal. Zowel agressief als zeer terughoudend gedrag
kan als zodanig worden gezien vanuit een ideaalbeeld. Het versturen van anonieme dreigmails aan
politici is een voorbeeld van het overtreden van morele normen.
De American Psychiatric Association (APA) definieert een psychische stoornis als een combinatie van
problemen in het denken (cognitieve functies), voelen (emotionele of affectieve functies) of doen
(conatieve functies), veroorzaakt door een verstoring in de geest, het lichaam of de ontwikkeling.
Deze problemen leiden vaak tot lijden of beperkingen in belangrijke levensdomeinen. Normale
reacties op ingrijpende gebeurtenissen zoals rouw worden niet direct als psychische stoornissen
beschouwd, mits passend binnen de context en cultuur. Evenmin impliceert afwijkend gedrag op
politiek, religieus of seksueel vlak, of maatschappelijke conflicten, automatisch een psychische
stoornis; dit is pas het geval als deze voortkomen uit problemen in het psychisch functioneren. Er is
veel discussie over de definitie en de grenzen tussen normaal en pathologisch, hoewel de APA-
definitie breed geaccepteerd wordt.
Er zijn verschillende modellen die het onderscheid tussen normaal en abnormaal gedrag proberen te
verklaren:
Het statistisch model: Dit model beschouwt menselijke eigenschappen als normaal verdeeld.
Abnormaliteit wordt gedefinieerd als extreme scores op betrouwbare metingen. 'Abnormaal'
heeft hier een statistische betekenis. Een nadeel is de arbitraire grens tussen normaal en
abnormaal. Ook specificeert het model niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om abnormaal
te worden genoemd, en maakt het geen onderscheid tussen statistische afwijkingen met en
zonder lijden.
Het medisch of ziektemodel: Dit model ziet psychische stoornissen als vergelijkbaar met
lichamelijke ziekten, met onderliggende somatogene (lichamelijke) of psychogene
(psychologische) mechanismen. Kritiekpunten zijn dat voor veel stoornissen geen duidelijk
mechanisme is aangetoond en dat de termen 'ziekte' en 'therapie' stigmatiserend kunnen
werken. Het model kent een therapeut als deskundige en een passieve patiënt.
Het leer- of onderwijsmodel: Dit model stelt dat psychische problemen ontstaan door
verkeerd verlopen leerprocessen. Het spreekt van een persoonlijk probleem van de 'leerling'
en het vaststellen van een leerdoel in overleg met de 'leraar' (hulpverlener). Dit model
vermijdt stigmatisering en benadrukt de eigen verantwoordelijkheid. Het criterium voor
'ziekte' is hier het verlies van verantwoordelijkheid of aanspreekbaarheid. Dit leidt tot een
meningsverschil met Szasz, die organische afwijkingen als criterium ziet.
Steeds meer wordt aangenomen dat er een continuüm is tussen psychische gezondheid en
psychische problemen. De ernst en frequentie van klachten kunnen hierop verschuiven. De behoefte
aan hulp hangt af van de ernst en duur van de klachten voor de persoon en diens omgeving.
De relatie tussen hulpverlener en patiënt verschilt per model. Het medisch model is enigszins
autoritair, terwijl het onderwijsmodel meer gelijkwaardigheid kent en uitgaat van een
samenwerkingsmodel. In de praktijk is er een ontwikkeling naar gedeelde besluitvorming, waarbij
hulpverlener en patiënt samen beslissingen nemen, gebruikmakend van elkaars expertise
3
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
Hoofdstuk 2:
Het fundamentele argument voor de neurobiologische benadering van psychopathologie is dat de
hersenen een cruciale rol spelen bij het ontstaan van (psychopathologisch) gedrag.
Historische Schets van de Neurobiologische Benadering
In de Griekse oudheid stelde Hippocrates al dat gedrag en gevoel voortkwamen uit de
hersenen.
Lange tijd werden psychische stoornissen toegeschreven aan bovennatuurlijke krachten.
In de zeventiende eeuw opperde René Descartes dat de ziel in de pijnappelklier zetelt, wat
leidde tot discussies over lichaam en geest.
Franz Joseph Gall kwam met het idee dat de hersenen verschillende mentale organen
bevatten, wat de basis vormde voor het koppelen van hersenen aan afwijkend gedrag.
In de negentiende eeuw toonde Paul Broca de relatie tussen hersenbeschadiging en
taalstoornissen aan. Fritsch en Hitzig demonstreerden dat elektrische stimulatie van de
hersenen tot beweging leidt.
Wilhelm Griesinger stelde dat geestesziekten hersenziekten zijn, maar erkende ook de rol van
psychologie en antropologie.
De ontwikkeling van neurowetenschappen leidde tot dubieuze behandelingen zoals de
frontale lobotomie, maar ook tot vooruitgang met de ontdekking van antipsychotische
medicijnen.
Tegenwoordig is de dominante visie dat psychopathologie ontstaat door een samenhang
tussen psychische processen, neurobiologische mechanismen en de omgeving
De samenhang tussen psychische processen en neurobiologische mechanismen wordt bestudeerd
door te kijken naar:
Genen: Alledaagse eigenschappen en sommige somatische afwijkingen zijn genetisch bepaald.
Onderzoek naar de genetische achtergrond van psychische stoornissen maakt gebruik
van familiestudies, tweelingstudies en adoptiestudies.
Familiestudies onderzoeken of een stoornis vaker voorkomt in bepaalde families, wat kan
wijzen op erfelijke vatbaarheid. Het probleem is dat families ook omgevingsfactoren delen.
Tweelingstudies vergelijken de concordantie (de mate waarin een eigenschap bij beide leden
van een tweeling voorkomt) tussen eeneiige (genetisch identiek) en twee-eiige (gemiddeld
50% genetisch identiek) tweelingen. Een hogere concordantie bij eeneiige tweelingen
suggereert een genetische rol.
Adoptiestudies onderzoeken of geadopteerde kinderen met een stoornis vaker biologische
ouders met dezelfde stoornis hebben dan geadopteerde kinderen zonder die stoornis in hun
biologische familie.
Het genotype is de totale genetische bagage, terwijl het fenotype de observeerbare
kenmerken zijn die het resultaat zijn van de interactie tussen genotype en omgeving.
4
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1:.................................................................................................. 1
Hoofdstuk 2:.................................................................................................. 4
Hoofdstuk 3................................................................................................... 8
Hoofdstuk 4................................................................................................. 12
Hoofdstuk 5:................................................................................................ 15
Hoofdstuk 6:................................................................................................ 17
Hoofdstuk 7................................................................................................. 20
Hoofdstuk 9................................................................................................. 25
Hoofdstuk 10............................................................................................... 28
Hoofdstuk 12............................................................................................... 32
Hoofdstuk 13:.............................................................................................. 39
Hoofdstuk 14............................................................................................... 45
Hoofdstuk 15............................................................................................... 48
Hoofdstuk 16............................................................................................... 51
Hoofdstuk 17............................................................................................... 54
Hoofdstuk 18............................................................................................... 57
Hoofdstuk 19............................................................................................... 61
Hoofdstuk 21............................................................................................... 64
Hoofdstuk 23............................................................................................... 67
Hoofdstuk 24............................................................................................... 70
Hoofdstuk 25............................................................................................... 73
Hoofdstuk 1:
Klinische psychologie is het psychologische vakgebied dat zich primair bezighoudt met afwijkend
menselijk gedrag, inclusief problemen met aanpassing. Het omvat activiteiten zoals diagnose,
1
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
classificatie, behandeling, preventie en onderzoek. In de Engelstalige literatuur wordt dit veld soms
ook abnormal psychology genoemd, wat de studie van afwijkend gedrag aanduidt. Het is belangrijk te
weten dat de term 'klinisch' niet beperkt is tot psychologen die in ziekenhuizen werken; zij zijn actief
in diverse settings binnen de gezondheidszorg, waaronder de eerstelijnszorg.
Binnen de psychologie wordt een onderscheid gemaakt tussen basisdisciplines en
toepassingsgerichte disciplines.
Basisdisciplines Toepassingsgerichte disciplines
Functieleer klinische en gezondheidspsychologie
Ontwikkelingspsychologie arbeids- en organisatiepsychologie
Sociale psychologie onderwijspsychologie
Persoonlijkheidspsychologie
methodenleer
De klinische psychologie behoort tot de toepassingsgerichte disciplines, naast bijvoorbeeld arbeids-
en organisatiepsychologie en onderwijspsychologie. De basisdisciplines, zoals cognitieve psychologie,
ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie, persoonlijkheidspsychologie en methodenleer, leveren
de fundamentele kennis die nodig is om afwijkingen van de norm te begrijpen en vast te stellen.
De kern van de klinische psychologie ligt bij gedragingen, gedachten en gevoelens die problemen
veroorzaken voor de persoon zelf of hun omgeving. Hoewel het vakgebied zich in de loop der tijd
heeft verbreed, blijft de hoofdfocus op psychische stoornissen liggen. Afwijkingen van de norm
kunnen zich uiten in individueel gedrag (zoals overmatig alcoholgebruik), gedachten (zoals
dwanggedachten) of gevoelens (zoals extreme angst), maar ook in problematische relaties met
anderen. Vaak is er een wisselwerking tussen deze verschillende aspecten.
Er zijn verschillende criteria die meespelen bij de beoordeling of gedrag als abnormaal of
pathologisch wordt gezien. Hoe meer van de volgende factoren aanwezig zijn, hoe groter de kans dat
gedrag als afwijkend wordt beschouwd:
Persoonlijk lijden: De mate waarin iemand onder de problematiek gebukt gaat.
Disfunctioneren: De mate waarin het gedrag het dagelijks leven en het welzijn van de
persoon of anderen negatief beïnvloedt.
Incomprehensibiliteit: Wanneer het gedrag als onlogisch of onbegrijpelijk wordt ervaren.
Onvoorspelbaarheid en controleverlies: Gedrag dat onverwacht is of suggereert dat iemand
de controle over zichzelf verloren heeft, vooral wanneer normale sociale regels worden
genegeerd of de aanleiding voor het gedrag onduidelijk is.
Opvallend en onconventioneel gedrag: Gedrag dat sterk afwijkt van de gangbare norm en
als sociaal onwenselijk wordt beschouwd.
Gedrag dat anderen een ongemakkelijk gevoel geeft: Vaak door het overtreden van
ongeschreven sociale regels.
Het overtreden van morele normen: Gedrag dat ingaat tegen heersende opvattingen over
goed en kwaad of ideaal functioneren.
2
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
De klinische psychologie richt zich op het ontstaan, de diagnostiek en de behandeling van psychische
stoornissen. Klinisch psychologen zijn werkzaam in diverse sectoren van de gezondheidszorg en
vormen de grootste groep psychologen in de praktijk.
Mensen beoordelen gedrag niet alleen op gangbaarheid, maar vellen ook morele oordelen op basis
van hun opvattingen over hoe men zich zou moeten gedragen. 'Slecht' gedrag wordt vaak als
abnormaal ervaren. Ook persoonlijke idealen over optimaal functioneren in de maatschappij
beïnvloeden de beoordeling van gedrag als abnormaal. Zowel agressief als zeer terughoudend gedrag
kan als zodanig worden gezien vanuit een ideaalbeeld. Het versturen van anonieme dreigmails aan
politici is een voorbeeld van het overtreden van morele normen.
De American Psychiatric Association (APA) definieert een psychische stoornis als een combinatie van
problemen in het denken (cognitieve functies), voelen (emotionele of affectieve functies) of doen
(conatieve functies), veroorzaakt door een verstoring in de geest, het lichaam of de ontwikkeling.
Deze problemen leiden vaak tot lijden of beperkingen in belangrijke levensdomeinen. Normale
reacties op ingrijpende gebeurtenissen zoals rouw worden niet direct als psychische stoornissen
beschouwd, mits passend binnen de context en cultuur. Evenmin impliceert afwijkend gedrag op
politiek, religieus of seksueel vlak, of maatschappelijke conflicten, automatisch een psychische
stoornis; dit is pas het geval als deze voortkomen uit problemen in het psychisch functioneren. Er is
veel discussie over de definitie en de grenzen tussen normaal en pathologisch, hoewel de APA-
definitie breed geaccepteerd wordt.
Er zijn verschillende modellen die het onderscheid tussen normaal en abnormaal gedrag proberen te
verklaren:
Het statistisch model: Dit model beschouwt menselijke eigenschappen als normaal verdeeld.
Abnormaliteit wordt gedefinieerd als extreme scores op betrouwbare metingen. 'Abnormaal'
heeft hier een statistische betekenis. Een nadeel is de arbitraire grens tussen normaal en
abnormaal. Ook specificeert het model niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om abnormaal
te worden genoemd, en maakt het geen onderscheid tussen statistische afwijkingen met en
zonder lijden.
Het medisch of ziektemodel: Dit model ziet psychische stoornissen als vergelijkbaar met
lichamelijke ziekten, met onderliggende somatogene (lichamelijke) of psychogene
(psychologische) mechanismen. Kritiekpunten zijn dat voor veel stoornissen geen duidelijk
mechanisme is aangetoond en dat de termen 'ziekte' en 'therapie' stigmatiserend kunnen
werken. Het model kent een therapeut als deskundige en een passieve patiënt.
Het leer- of onderwijsmodel: Dit model stelt dat psychische problemen ontstaan door
verkeerd verlopen leerprocessen. Het spreekt van een persoonlijk probleem van de 'leerling'
en het vaststellen van een leerdoel in overleg met de 'leraar' (hulpverlener). Dit model
vermijdt stigmatisering en benadrukt de eigen verantwoordelijkheid. Het criterium voor
'ziekte' is hier het verlies van verantwoordelijkheid of aanspreekbaarheid. Dit leidt tot een
meningsverschil met Szasz, die organische afwijkingen als criterium ziet.
Steeds meer wordt aangenomen dat er een continuüm is tussen psychische gezondheid en
psychische problemen. De ernst en frequentie van klachten kunnen hierop verschuiven. De behoefte
aan hulp hangt af van de ernst en duur van de klachten voor de persoon en diens omgeving.
De relatie tussen hulpverlener en patiënt verschilt per model. Het medisch model is enigszins
autoritair, terwijl het onderwijsmodel meer gelijkwaardigheid kent en uitgaat van een
samenwerkingsmodel. In de praktijk is er een ontwikkeling naar gedeelde besluitvorming, waarbij
hulpverlener en patiënt samen beslissingen nemen, gebruikmakend van elkaars expertise
3
, Leeuwen, E.A.E.A. van (Eliana)
Hoofdstuk 2:
Het fundamentele argument voor de neurobiologische benadering van psychopathologie is dat de
hersenen een cruciale rol spelen bij het ontstaan van (psychopathologisch) gedrag.
Historische Schets van de Neurobiologische Benadering
In de Griekse oudheid stelde Hippocrates al dat gedrag en gevoel voortkwamen uit de
hersenen.
Lange tijd werden psychische stoornissen toegeschreven aan bovennatuurlijke krachten.
In de zeventiende eeuw opperde René Descartes dat de ziel in de pijnappelklier zetelt, wat
leidde tot discussies over lichaam en geest.
Franz Joseph Gall kwam met het idee dat de hersenen verschillende mentale organen
bevatten, wat de basis vormde voor het koppelen van hersenen aan afwijkend gedrag.
In de negentiende eeuw toonde Paul Broca de relatie tussen hersenbeschadiging en
taalstoornissen aan. Fritsch en Hitzig demonstreerden dat elektrische stimulatie van de
hersenen tot beweging leidt.
Wilhelm Griesinger stelde dat geestesziekten hersenziekten zijn, maar erkende ook de rol van
psychologie en antropologie.
De ontwikkeling van neurowetenschappen leidde tot dubieuze behandelingen zoals de
frontale lobotomie, maar ook tot vooruitgang met de ontdekking van antipsychotische
medicijnen.
Tegenwoordig is de dominante visie dat psychopathologie ontstaat door een samenhang
tussen psychische processen, neurobiologische mechanismen en de omgeving
De samenhang tussen psychische processen en neurobiologische mechanismen wordt bestudeerd
door te kijken naar:
Genen: Alledaagse eigenschappen en sommige somatische afwijkingen zijn genetisch bepaald.
Onderzoek naar de genetische achtergrond van psychische stoornissen maakt gebruik
van familiestudies, tweelingstudies en adoptiestudies.
Familiestudies onderzoeken of een stoornis vaker voorkomt in bepaalde families, wat kan
wijzen op erfelijke vatbaarheid. Het probleem is dat families ook omgevingsfactoren delen.
Tweelingstudies vergelijken de concordantie (de mate waarin een eigenschap bij beide leden
van een tweeling voorkomt) tussen eeneiige (genetisch identiek) en twee-eiige (gemiddeld
50% genetisch identiek) tweelingen. Een hogere concordantie bij eeneiige tweelingen
suggereert een genetische rol.
Adoptiestudies onderzoeken of geadopteerde kinderen met een stoornis vaker biologische
ouders met dezelfde stoornis hebben dan geadopteerde kinderen zonder die stoornis in hun
biologische familie.
Het genotype is de totale genetische bagage, terwijl het fenotype de observeerbare
kenmerken zijn die het resultaat zijn van de interactie tussen genotype en omgeving.
4