OWG 03-09-2024 – Taak 1
Probleemstelling: Wanneer ben je gezond?
Gezondheid: gedrag, omgeving en biologie
Waarom is de definitie van gezondheid zo veranderd in de laatste tijd (verschil tussen vroeger en nu)?
Men pakte vroeger de letterlijke betekenis van gezondheid: heelheid. In het oude Griekenland
startten ze met deze opvatting door arts Hippocrates (ca. 460-370 v.Chr.), die beschreef 'goede
gezondheid' (φύσις) als de natuurlijke situatie: een toestand van evenwicht tussen verschillende
soorten lichaamssappen: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. De fysieke en psychische toestand (het
temperament) en ziekteverschijnselen werden verklaard uit het bestaande gehalte aan de
verschillende ‘elementen’. Bijv. ook de vijf elementen: hout, vuur, aarde, metaal en water, de Yin en
Yang kwaliteiten in de Chinese filosofie (Taoïsme) en de levensstijlfactoren van Grieks-Romaanse
fysicus Galenus: eten en drinken, slapen en wakker zijn, licht en lucht, af-en uitscheidingen, werk en
ontspanning en emoties. Gezondheid wordt beschreven als haalbaar en beïnvloed door
leefgewoonten en, onder bepaalde omstandigheden en als het lot het toelaat, zoals beïnvloed door
god(en) en bemiddeld door priesters in tempels. 'Hygeia', de godin en personificatie van gezondheid,
reinheid en hygiëne in het oude Griekenland, stond voor een gezonde manier van leven. Aristoteles
(384-322 v.Chr.) beschreef daarnaast het dynamische begrip 'eudaimonia' (persoonlijk welzijn/geluk)
als het uiteindelijke doel en goed voor de mens om jezelf te ontwikkelen.
Toen men (anatomisch) onderzoek kon doen (16e eeuw; Vesalius (1543) publiceerde zijn studies;
William Harvey (1628) beschreef het systeem van bloedsomloop, Rudolph Virchow (1858)
publiceerde zijn theorie over cellulaire pathologie, Semmelweiss beschreef de beschermende
werking van desinfecterende maatregelen tegen dodelijke kraamvrouwenkoorts en daarna beschreef
Pasteur het bestaan van bacteriën) werd gezondheid beschreven als de 'afwezigheid van ziekte'.
Echter de filosofen keken veel breder op gezondheid; Goethe (1749-1832) en Nietzsche (1844-1900)
beschreven de deugd van voortdurende persoonlijke ontwikkeling, waarvoor ziekte zelfs een opstapje
kan zijn naar de volledige acceptatie van het leven, die Nietzsche de 'große Gesundheit' ('grote
gezondheid') noemde. Rilke (1875-1926) had een zwakke persoonlijke gezondheid, maar beschouwde
zijn ziekten op een positieve manier, namelijk als iets dat zijn persoonlijke groei ondersteunde. Toen
ging de staat zich bemoeien (public health), bijvoorbeeld met vaccinatieprogramma’s, wetten,
afvalverwerking en schoon drinkwater. In 1948 werd de World Health Organisation (WHO) opgericht
(als deel van VN) en zij moesten een definitie verzinnen: 'Een toestand van volledig fysiek, geestelijk
en sociaal welbevinden en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek’. Maar er is veel *kritiek op
deze oude versie, waardoor men eiste om verder te kijken dan slechts ziekte, gezien psychische
problemen stijgen en mensen met een ziekte niet willen worden gemarkeerd als ‘ongezond’. Ottowa
Charter for Health Promotion (1986) is de naam van een internationaal verdrag ondertekend op een
conferentie georganiseerd door de WHO. Er werden vijf acties opgesteld om gezondheid te
promoten: 1. Bouwen aan een gezondheidsbeleid 2. Ondersteunende omgevingen creëren 3. De
gemeenschap versterken 4. Persoonlijke vaardigheden ontwikkelen 5. Heroriëntatie van
gezondheidsdiensten op preventie van ziekte en bevorderen van gezondheid.
Er was brede steun voor de overgang van de huidige statische formulering van de WHO-definitie van
gezondheid naar een meer dynamische beschrijving, gebaseerd op veerkracht en het menselijk
vermogen om ermee om te gaan en om integriteit, evenwicht en een gevoel van welzijn te behouden
,en te herstellen. De gezondheidsraad in Nederland organiseerde in 2009 een internationale
conferentie om gezondheid opnieuw te definiëren. Er was kritiek op de oude definitie van de WHO,
omdat deze te idealistisch, statisch en onbegrensd is. Daarom moest er een nieuwe formulering
komen van gezondheid, het dynamische concept van Huber: ‘Het ‘vermogen’ van mensen om zich
aan te passen en regie te voeren in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het
leven’. Huber stelt dan ook dat het hoognodig is voor verandering gezien ze pas net ontdekten wat
antibiotica was, de enorme invloed van voeding en de grote last van infectieziekten i.p.v. chronisch
zieken. Daarbij komt natuurlijk ook de enorme stijging van (*digitale) kennis en de daling in geloof
kijken, we weten dat we met veel meer strugglen dan slechts ziekten. Mensen verzamelen al eeuwen
persoonlijke gegevens, alleen het gemak om aan self tracking (zelfmeting) te doen en de hoeveelheid
data was nog niet eerder zo groot.
Wat is de definitie van gezondheid volgens Huber? (eigen mening) (sense of coherence, salutogenesis
en veerkracht)
Voormalig huisarts en onderzoeker Machteld Huber gelooft in de zogenaamde definitie van ‘positieve
gezondheid’. Haar gedachtegoed bestaat uit een model van 6 dimensies en 32 aspecten, rekening
houdend met sociale, emotionele, fysieke en mentale gezondheid; lichamelijke functies (meest
professioneel aandacht voor*), sociaal participeren, dagelijks functioneren, zingeving, mentaal
welbevinden en kwaliteit van leven. Haar definitie van gezondheid, ontstaan na haar kritiek op de
WHO, is een dynamisch begrip: het ‘vermogen’ van mensen om zich aan te passen en regie te voeren
in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven (veerkracht/resilience;
neuropsycholoog Portzky, 2015; trainbaar via hulp/vertrouwen/aanpakken).
Gezondheid is dan ook geen doel om naar te streven, maar het is een middel om jezelf te kunnen
ontwikkelen en om te leven. Ziekte en gezondheid sluiten elkaar dan ook niet uit: gezondheid is
gradueel en ook mensen met een (chronische) ziekte kunnen een grote mate van ‘gezondheid’
beleven. Daarom moet er gefocust worden vanuit de gedachte dat iemand gezond is, dat gezondheid
gaat om factoren die gezondheid en welzijn stimuleren in plaats van factoren die ziekte veroorzaken:
salutogenesis (antoniem ‘pathogenesis’). Zo is er meer aandacht op de geest van de mens zelf, men
wordt behandeld als een ‘heel mens’, wat men weerbaarder maakt met een hogere veerkracht. Een
hogere veerkracht resulteert in een hogere ‘Sense of Coherence’: De kenmerken van veerkrachtige
mensen die het gevoel van samenhang in zichzelf (tussen lichaam en geest) en het leven versterken,
onderverdeeld in drie persoonlijkheidskenmerken: begrijpelijkheid (1), beheersbaarheid (=men kan
de situatie beïnvloeden) (2) en zinvolheid (=sterkste) (3). Dit is een concept bedacht door de
Amerikaans-Israëlische medisch socioloog Aaron Antonovsky (1923-1994) met een nieuwe kijk op
gezondheid in 1979. Hij vroeg zich af waarom de ene mens kan overleven en onverwacht gezond kan
zijn als het dezelfde slechte omstandigheden (=uit onderzoek in Israëlische concentratiekampen waar
vrouwen konden omgaan met de stress) moet doorstaan als iemand die hier juist ziek van wordt.
Antonovsky verwerpt de opvatting dat gezondheid en ziekte pure tegenpolen zijn; in plaats daarvan
beschrijft hij de twee als uitersten op een continuüm, en benadrukt hij de mogelijkheden om SOC te
versterken om de gezondheid te verbeteren.
*Artsen en patiënten spreken eigenlijk langs elkaar, gezien ze beide een andere kijk hebben op wat
gezondheid is. Artsen kijken vooral naar de uitkomsten van onderzoek op de hoofddimensie
‘lichamelijke functies’, terwijl patiënten de ‘pijlers’ als even belangrijk beschouwen en meegenomen
willen worden tot gedeelde besluitvorming. De zorg heeft zelf, voor een deel, de behoefte aan zorg
gestimuleerd, door mensen meer regie te ontnemen dan strikt noodzakelijk is, ook waar het
vermogen tot zelfzorg nog aanwezig is
,Wat is de definitie van gezondheid volgens de WHO? (eigen mening)
De westerse geneeskunde werd verder ontwikkeld in de 19 e en vroege 20e eeuw, waarbij de nadruk
lag op een zo algemeen mogelijk concept van gezondheid, gebaseerd op de afwezigheid van ziekten
of gebreken en gedefinieerd door fysieke parameters. Later vond er dankzij de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een heroriëntatie plaats, waar hun definitie over de hele
wereld werd verspreid en een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van nationale
gezondheidszorgsystemen, waardoor landen voorbij de traditionele grenzen van gezondheidszorg
werden geduwd die werden gesteld door de fysieke omstandigheden van individuen. De
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) omschrijft gezondheid in 1948 statisch: een toestand van
volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek.
Wat is het verschil tussen de definitie van arts Huber en van de WHO? (eigen mening)
Volgens Huber is het zinloos om een persoon als gezond of ongezond te typeren. Huber maakt
gebruikt van ‘een general concept’ en niet van een definitie en dat daardoor ruimte is voor een eigen
individuele invulling. Deze breedte heeft zij ‘‘positieve gezondheid’’ genoemd. Ze belicht het concept
terecht het graduele karakter van gezondheid en het belang van (het aanspreken van) de veerkracht
van mensen. Hubers gedachtegoed is dynamisch breed en meerdimensionaal, zoals het ook zo is in
de praktijk. Men heeft diverse opvattingen wat gezondheid is en zo geeft het richting aan
gezondheidsbeleid, bepaalt het uitkomsten in gezondheidsonderzoek en stuurt het het handelen van
de arts. De WHO staat voor een vast concept.
De WHO focust op ziekte, pathogenesis, terwijl Huber focust op het welzijn, salutogenesis. Vandaar
dat Hubers gedachtegoed ‘positieve gezondheid’ wordt benoemd, ze kijkt vanuit het optimisme, dat
iemand die bijv. chronisch ziek is niet per se ‘ongezond’ is.
Huber focust op dagelijkse factoren – bijv. zingeving en mentaal welbevinden - ze benadrukt de eigen
rol die mensen kunnen spelen in het managen van hun (on)gezondheid. Wel omvatten ze beiden
gezondheid op fysiek, psychisch en sociaal gebied.
Hoe speelt *gezondheidstechnologie een rol in de hedendaagse maatschappij?
Technologie is geen doel, maar er is grote interesse door het gemak waarmee met bijvoorbeeld
mobiele apps of wearables (draagbare sensoren; Quantified Self; mensen die nieuwsgierig zijn naar
hun numerieke afspiegeling; Quantified self: verzamelnaam voor mensen die zich bezig houden
met persoonlijke experimenten. Gedreven door de wens tot meer zelfinzicht, verbetering van
gezondheid of prestatie, het oplossen van een specifiek probleem of nieuwsgierig naar onontdekte
patronen, besluit het individu data te verzamelen over een voor hem/haar relevant onderwerp.)
gegevens kunnen worden verzameld. Het zorgt voor meer zelfinzicht om jezelf te kunnen tracken en
laten herinneren over een verbetering van gezondheid of prestatie, het oplossen van een specifiek
probleem of nieuwsgierig naar onontdekte patronen. Denk aan apps om je stemming of voeding bij
te houden of sensoren om je beweegpatroon of slaapgedrag te meten. Zolang de inspanning voor het
verzamelen van gegevens maar opweegt tegen de opbrengst, blijft de zelfmeting interessant. Het kan
ook in noodgevallen helpen, bijvoorbeeld het zelf meten van hartritme, waardoor op afstand kan
worden gekeken of er noodzaak is voor een bezoek aan de Spoedeisende Hulp.
Studies laten zien dat mensen ook echt hun gedrag veranderen als ze op deze manier een objectief
object gedetailleerd laten waarnemen. Het biedt een nieuw startpunt om te communiceren over de
situatie met de omgeving van de gebruiker. Het gaat om persoonlijke data over individueel gedrag,
, eventueel in relatie tot anderen. Het levert feitelijk een numerieke afspiegeling van jezelf op. Veel
apps maken het makkelijk de gegevens met anderen te delen via e-mail of sociale media.
Leidt dit zelf meten tot meer autonomie en verbeterde gezondheid, of juist tot gevoelens van stress,
schuld of schaamte? Dat hangt af van de aanleiding en het type mens. Het aantal mensen dat trouw
is aan het zelf meten is relatief laag, slechts circa 5 procent meet dagelijks. De uitkomst is niet altijd
positief en confronteert de patiënt met een ziekte waarvan hij soms liever niet wil weten. Dit
ondermijnt doorgaans het zelfvertrouwen en vergroot gevoelens van stress en depressie. Deze
gevolgen zijn bovendien nog sterker bij mensen met een lage sociaaleconomische status (SES).
Daarnaast zullen dokters te maken krijgen met mensen met ziektevrees, die denken ziek te zijn door
symptomen aangewezen door de apps, resulterend in overconsumptie en dus medicalisering.
Van wie is die informatie? Doorgeven aan 3e partijen + hoe valide het onderzoek is (andere
variabelen, niet betrouwbaar).
Wat is de kritiek op de definitie van Huber?
Volgens men verwart Huber verwart gedrag en gezondheid met elkaar alsof zelfs zeer zieke mensen
als gezond kunnen worden gezien zolang ze zich maar constructief gedragen.
Het is verwarrend dat het geen vast concept is, want het suggereert dat er ook zoiets is als negatieve
gezondheid, negatieve ongezondheid en positieve ongezondheid.
Haar definitie wordt nieuw genoemd, maar om de vraag of Huber hiermee voldoende recht doet aan
auteurs die in feite al jaren eerder vergelijkbare definities in de internationale literatuur
introduceerden.
Het concept ‘positieve gezondheid’ kan leiden tot medicalisering van sociale problemen en
levensproblemen. Problemen in de sociale sfeer of zingevingsvraagstukken vallen immers ook onder
positieve gezondheid en worden zo tot gezondheidsproblemen gemaakt. De vraag is of dit nodig is.
Waarom zouden we het omgaan met emotionele uitdagingen aan gezondheid moeten relateren?
Er wordt gezegd dat ze geen rekening houdt met het sociaaleconomische aspect; het is niet
vanzelfsprekend om ziekte en gezondheid goed te kunnen managen. We noemen zo mensen die
moeite hebben om met hun sociale, fysieke of emotionele problemen om te gaan, ongezond.
Daarmee lijkt ook een element van ‘eigen schuld’: wie zich niet kan aanpassen, heeft het aan zichzelf
te danken dat hij niet gezond is. De sterke focus op het individuele aanpassingsvermogen en
zelfmanagement (‘zichzelf kunnen redden’) leidt bovendien af van de structurele sociale factoren en
omgevingsfactoren die medebepalend zijn voor iemands (fysieke) gezondheid en welbevinden.
Er kan ontstaan wat in de gezondheidspsychologie bekend staat als de ‘disability paradox’. Iemand
die zijn verwachtingen en wensen naar beneden bijstelt, wordt misschien wel tevreden met een
leven vol beperkingen, maar die beperkingen zijn er niet minder om.
Het is onduidelijk hoe haar 6 dimensies deze zich precies tot elkaar verhouden. Zo is er overlap tussen
de dimensies – bijvoorbeeld tussen mentaal welbevinden en kwaliteit van leven – en is het niet
duidelijk of bijvoorbeeld aspecten als ‘gezondheidsvaardigheden’ of ‘zingeving’ moeten worden
begrepen als onderdeel, determinant of indicator van gezondheid. Het is verwarrend dat deze
dimensies niet of slechts gedeeltelijk corresponderen met de definitie. Mental functions zijn niet in
de definitie opgenomen, wel bij de dimensies. Emotionele uitdagingen staan wel in de definitie, maar
niet bij de dimensies. En bijv. de kwaliteit van leven is een determinant van gezondheid – en dus niet
Probleemstelling: Wanneer ben je gezond?
Gezondheid: gedrag, omgeving en biologie
Waarom is de definitie van gezondheid zo veranderd in de laatste tijd (verschil tussen vroeger en nu)?
Men pakte vroeger de letterlijke betekenis van gezondheid: heelheid. In het oude Griekenland
startten ze met deze opvatting door arts Hippocrates (ca. 460-370 v.Chr.), die beschreef 'goede
gezondheid' (φύσις) als de natuurlijke situatie: een toestand van evenwicht tussen verschillende
soorten lichaamssappen: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. De fysieke en psychische toestand (het
temperament) en ziekteverschijnselen werden verklaard uit het bestaande gehalte aan de
verschillende ‘elementen’. Bijv. ook de vijf elementen: hout, vuur, aarde, metaal en water, de Yin en
Yang kwaliteiten in de Chinese filosofie (Taoïsme) en de levensstijlfactoren van Grieks-Romaanse
fysicus Galenus: eten en drinken, slapen en wakker zijn, licht en lucht, af-en uitscheidingen, werk en
ontspanning en emoties. Gezondheid wordt beschreven als haalbaar en beïnvloed door
leefgewoonten en, onder bepaalde omstandigheden en als het lot het toelaat, zoals beïnvloed door
god(en) en bemiddeld door priesters in tempels. 'Hygeia', de godin en personificatie van gezondheid,
reinheid en hygiëne in het oude Griekenland, stond voor een gezonde manier van leven. Aristoteles
(384-322 v.Chr.) beschreef daarnaast het dynamische begrip 'eudaimonia' (persoonlijk welzijn/geluk)
als het uiteindelijke doel en goed voor de mens om jezelf te ontwikkelen.
Toen men (anatomisch) onderzoek kon doen (16e eeuw; Vesalius (1543) publiceerde zijn studies;
William Harvey (1628) beschreef het systeem van bloedsomloop, Rudolph Virchow (1858)
publiceerde zijn theorie over cellulaire pathologie, Semmelweiss beschreef de beschermende
werking van desinfecterende maatregelen tegen dodelijke kraamvrouwenkoorts en daarna beschreef
Pasteur het bestaan van bacteriën) werd gezondheid beschreven als de 'afwezigheid van ziekte'.
Echter de filosofen keken veel breder op gezondheid; Goethe (1749-1832) en Nietzsche (1844-1900)
beschreven de deugd van voortdurende persoonlijke ontwikkeling, waarvoor ziekte zelfs een opstapje
kan zijn naar de volledige acceptatie van het leven, die Nietzsche de 'große Gesundheit' ('grote
gezondheid') noemde. Rilke (1875-1926) had een zwakke persoonlijke gezondheid, maar beschouwde
zijn ziekten op een positieve manier, namelijk als iets dat zijn persoonlijke groei ondersteunde. Toen
ging de staat zich bemoeien (public health), bijvoorbeeld met vaccinatieprogramma’s, wetten,
afvalverwerking en schoon drinkwater. In 1948 werd de World Health Organisation (WHO) opgericht
(als deel van VN) en zij moesten een definitie verzinnen: 'Een toestand van volledig fysiek, geestelijk
en sociaal welbevinden en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek’. Maar er is veel *kritiek op
deze oude versie, waardoor men eiste om verder te kijken dan slechts ziekte, gezien psychische
problemen stijgen en mensen met een ziekte niet willen worden gemarkeerd als ‘ongezond’. Ottowa
Charter for Health Promotion (1986) is de naam van een internationaal verdrag ondertekend op een
conferentie georganiseerd door de WHO. Er werden vijf acties opgesteld om gezondheid te
promoten: 1. Bouwen aan een gezondheidsbeleid 2. Ondersteunende omgevingen creëren 3. De
gemeenschap versterken 4. Persoonlijke vaardigheden ontwikkelen 5. Heroriëntatie van
gezondheidsdiensten op preventie van ziekte en bevorderen van gezondheid.
Er was brede steun voor de overgang van de huidige statische formulering van de WHO-definitie van
gezondheid naar een meer dynamische beschrijving, gebaseerd op veerkracht en het menselijk
vermogen om ermee om te gaan en om integriteit, evenwicht en een gevoel van welzijn te behouden
,en te herstellen. De gezondheidsraad in Nederland organiseerde in 2009 een internationale
conferentie om gezondheid opnieuw te definiëren. Er was kritiek op de oude definitie van de WHO,
omdat deze te idealistisch, statisch en onbegrensd is. Daarom moest er een nieuwe formulering
komen van gezondheid, het dynamische concept van Huber: ‘Het ‘vermogen’ van mensen om zich
aan te passen en regie te voeren in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het
leven’. Huber stelt dan ook dat het hoognodig is voor verandering gezien ze pas net ontdekten wat
antibiotica was, de enorme invloed van voeding en de grote last van infectieziekten i.p.v. chronisch
zieken. Daarbij komt natuurlijk ook de enorme stijging van (*digitale) kennis en de daling in geloof
kijken, we weten dat we met veel meer strugglen dan slechts ziekten. Mensen verzamelen al eeuwen
persoonlijke gegevens, alleen het gemak om aan self tracking (zelfmeting) te doen en de hoeveelheid
data was nog niet eerder zo groot.
Wat is de definitie van gezondheid volgens Huber? (eigen mening) (sense of coherence, salutogenesis
en veerkracht)
Voormalig huisarts en onderzoeker Machteld Huber gelooft in de zogenaamde definitie van ‘positieve
gezondheid’. Haar gedachtegoed bestaat uit een model van 6 dimensies en 32 aspecten, rekening
houdend met sociale, emotionele, fysieke en mentale gezondheid; lichamelijke functies (meest
professioneel aandacht voor*), sociaal participeren, dagelijks functioneren, zingeving, mentaal
welbevinden en kwaliteit van leven. Haar definitie van gezondheid, ontstaan na haar kritiek op de
WHO, is een dynamisch begrip: het ‘vermogen’ van mensen om zich aan te passen en regie te voeren
in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven (veerkracht/resilience;
neuropsycholoog Portzky, 2015; trainbaar via hulp/vertrouwen/aanpakken).
Gezondheid is dan ook geen doel om naar te streven, maar het is een middel om jezelf te kunnen
ontwikkelen en om te leven. Ziekte en gezondheid sluiten elkaar dan ook niet uit: gezondheid is
gradueel en ook mensen met een (chronische) ziekte kunnen een grote mate van ‘gezondheid’
beleven. Daarom moet er gefocust worden vanuit de gedachte dat iemand gezond is, dat gezondheid
gaat om factoren die gezondheid en welzijn stimuleren in plaats van factoren die ziekte veroorzaken:
salutogenesis (antoniem ‘pathogenesis’). Zo is er meer aandacht op de geest van de mens zelf, men
wordt behandeld als een ‘heel mens’, wat men weerbaarder maakt met een hogere veerkracht. Een
hogere veerkracht resulteert in een hogere ‘Sense of Coherence’: De kenmerken van veerkrachtige
mensen die het gevoel van samenhang in zichzelf (tussen lichaam en geest) en het leven versterken,
onderverdeeld in drie persoonlijkheidskenmerken: begrijpelijkheid (1), beheersbaarheid (=men kan
de situatie beïnvloeden) (2) en zinvolheid (=sterkste) (3). Dit is een concept bedacht door de
Amerikaans-Israëlische medisch socioloog Aaron Antonovsky (1923-1994) met een nieuwe kijk op
gezondheid in 1979. Hij vroeg zich af waarom de ene mens kan overleven en onverwacht gezond kan
zijn als het dezelfde slechte omstandigheden (=uit onderzoek in Israëlische concentratiekampen waar
vrouwen konden omgaan met de stress) moet doorstaan als iemand die hier juist ziek van wordt.
Antonovsky verwerpt de opvatting dat gezondheid en ziekte pure tegenpolen zijn; in plaats daarvan
beschrijft hij de twee als uitersten op een continuüm, en benadrukt hij de mogelijkheden om SOC te
versterken om de gezondheid te verbeteren.
*Artsen en patiënten spreken eigenlijk langs elkaar, gezien ze beide een andere kijk hebben op wat
gezondheid is. Artsen kijken vooral naar de uitkomsten van onderzoek op de hoofddimensie
‘lichamelijke functies’, terwijl patiënten de ‘pijlers’ als even belangrijk beschouwen en meegenomen
willen worden tot gedeelde besluitvorming. De zorg heeft zelf, voor een deel, de behoefte aan zorg
gestimuleerd, door mensen meer regie te ontnemen dan strikt noodzakelijk is, ook waar het
vermogen tot zelfzorg nog aanwezig is
,Wat is de definitie van gezondheid volgens de WHO? (eigen mening)
De westerse geneeskunde werd verder ontwikkeld in de 19 e en vroege 20e eeuw, waarbij de nadruk
lag op een zo algemeen mogelijk concept van gezondheid, gebaseerd op de afwezigheid van ziekten
of gebreken en gedefinieerd door fysieke parameters. Later vond er dankzij de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een heroriëntatie plaats, waar hun definitie over de hele
wereld werd verspreid en een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van nationale
gezondheidszorgsystemen, waardoor landen voorbij de traditionele grenzen van gezondheidszorg
werden geduwd die werden gesteld door de fysieke omstandigheden van individuen. De
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) omschrijft gezondheid in 1948 statisch: een toestand van
volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en niet louter het ontbreken van ziekte of gebrek.
Wat is het verschil tussen de definitie van arts Huber en van de WHO? (eigen mening)
Volgens Huber is het zinloos om een persoon als gezond of ongezond te typeren. Huber maakt
gebruikt van ‘een general concept’ en niet van een definitie en dat daardoor ruimte is voor een eigen
individuele invulling. Deze breedte heeft zij ‘‘positieve gezondheid’’ genoemd. Ze belicht het concept
terecht het graduele karakter van gezondheid en het belang van (het aanspreken van) de veerkracht
van mensen. Hubers gedachtegoed is dynamisch breed en meerdimensionaal, zoals het ook zo is in
de praktijk. Men heeft diverse opvattingen wat gezondheid is en zo geeft het richting aan
gezondheidsbeleid, bepaalt het uitkomsten in gezondheidsonderzoek en stuurt het het handelen van
de arts. De WHO staat voor een vast concept.
De WHO focust op ziekte, pathogenesis, terwijl Huber focust op het welzijn, salutogenesis. Vandaar
dat Hubers gedachtegoed ‘positieve gezondheid’ wordt benoemd, ze kijkt vanuit het optimisme, dat
iemand die bijv. chronisch ziek is niet per se ‘ongezond’ is.
Huber focust op dagelijkse factoren – bijv. zingeving en mentaal welbevinden - ze benadrukt de eigen
rol die mensen kunnen spelen in het managen van hun (on)gezondheid. Wel omvatten ze beiden
gezondheid op fysiek, psychisch en sociaal gebied.
Hoe speelt *gezondheidstechnologie een rol in de hedendaagse maatschappij?
Technologie is geen doel, maar er is grote interesse door het gemak waarmee met bijvoorbeeld
mobiele apps of wearables (draagbare sensoren; Quantified Self; mensen die nieuwsgierig zijn naar
hun numerieke afspiegeling; Quantified self: verzamelnaam voor mensen die zich bezig houden
met persoonlijke experimenten. Gedreven door de wens tot meer zelfinzicht, verbetering van
gezondheid of prestatie, het oplossen van een specifiek probleem of nieuwsgierig naar onontdekte
patronen, besluit het individu data te verzamelen over een voor hem/haar relevant onderwerp.)
gegevens kunnen worden verzameld. Het zorgt voor meer zelfinzicht om jezelf te kunnen tracken en
laten herinneren over een verbetering van gezondheid of prestatie, het oplossen van een specifiek
probleem of nieuwsgierig naar onontdekte patronen. Denk aan apps om je stemming of voeding bij
te houden of sensoren om je beweegpatroon of slaapgedrag te meten. Zolang de inspanning voor het
verzamelen van gegevens maar opweegt tegen de opbrengst, blijft de zelfmeting interessant. Het kan
ook in noodgevallen helpen, bijvoorbeeld het zelf meten van hartritme, waardoor op afstand kan
worden gekeken of er noodzaak is voor een bezoek aan de Spoedeisende Hulp.
Studies laten zien dat mensen ook echt hun gedrag veranderen als ze op deze manier een objectief
object gedetailleerd laten waarnemen. Het biedt een nieuw startpunt om te communiceren over de
situatie met de omgeving van de gebruiker. Het gaat om persoonlijke data over individueel gedrag,
, eventueel in relatie tot anderen. Het levert feitelijk een numerieke afspiegeling van jezelf op. Veel
apps maken het makkelijk de gegevens met anderen te delen via e-mail of sociale media.
Leidt dit zelf meten tot meer autonomie en verbeterde gezondheid, of juist tot gevoelens van stress,
schuld of schaamte? Dat hangt af van de aanleiding en het type mens. Het aantal mensen dat trouw
is aan het zelf meten is relatief laag, slechts circa 5 procent meet dagelijks. De uitkomst is niet altijd
positief en confronteert de patiënt met een ziekte waarvan hij soms liever niet wil weten. Dit
ondermijnt doorgaans het zelfvertrouwen en vergroot gevoelens van stress en depressie. Deze
gevolgen zijn bovendien nog sterker bij mensen met een lage sociaaleconomische status (SES).
Daarnaast zullen dokters te maken krijgen met mensen met ziektevrees, die denken ziek te zijn door
symptomen aangewezen door de apps, resulterend in overconsumptie en dus medicalisering.
Van wie is die informatie? Doorgeven aan 3e partijen + hoe valide het onderzoek is (andere
variabelen, niet betrouwbaar).
Wat is de kritiek op de definitie van Huber?
Volgens men verwart Huber verwart gedrag en gezondheid met elkaar alsof zelfs zeer zieke mensen
als gezond kunnen worden gezien zolang ze zich maar constructief gedragen.
Het is verwarrend dat het geen vast concept is, want het suggereert dat er ook zoiets is als negatieve
gezondheid, negatieve ongezondheid en positieve ongezondheid.
Haar definitie wordt nieuw genoemd, maar om de vraag of Huber hiermee voldoende recht doet aan
auteurs die in feite al jaren eerder vergelijkbare definities in de internationale literatuur
introduceerden.
Het concept ‘positieve gezondheid’ kan leiden tot medicalisering van sociale problemen en
levensproblemen. Problemen in de sociale sfeer of zingevingsvraagstukken vallen immers ook onder
positieve gezondheid en worden zo tot gezondheidsproblemen gemaakt. De vraag is of dit nodig is.
Waarom zouden we het omgaan met emotionele uitdagingen aan gezondheid moeten relateren?
Er wordt gezegd dat ze geen rekening houdt met het sociaaleconomische aspect; het is niet
vanzelfsprekend om ziekte en gezondheid goed te kunnen managen. We noemen zo mensen die
moeite hebben om met hun sociale, fysieke of emotionele problemen om te gaan, ongezond.
Daarmee lijkt ook een element van ‘eigen schuld’: wie zich niet kan aanpassen, heeft het aan zichzelf
te danken dat hij niet gezond is. De sterke focus op het individuele aanpassingsvermogen en
zelfmanagement (‘zichzelf kunnen redden’) leidt bovendien af van de structurele sociale factoren en
omgevingsfactoren die medebepalend zijn voor iemands (fysieke) gezondheid en welbevinden.
Er kan ontstaan wat in de gezondheidspsychologie bekend staat als de ‘disability paradox’. Iemand
die zijn verwachtingen en wensen naar beneden bijstelt, wordt misschien wel tevreden met een
leven vol beperkingen, maar die beperkingen zijn er niet minder om.
Het is onduidelijk hoe haar 6 dimensies deze zich precies tot elkaar verhouden. Zo is er overlap tussen
de dimensies – bijvoorbeeld tussen mentaal welbevinden en kwaliteit van leven – en is het niet
duidelijk of bijvoorbeeld aspecten als ‘gezondheidsvaardigheden’ of ‘zingeving’ moeten worden
begrepen als onderdeel, determinant of indicator van gezondheid. Het is verwarrend dat deze
dimensies niet of slechts gedeeltelijk corresponderen met de definitie. Mental functions zijn niet in
de definitie opgenomen, wel bij de dimensies. Emotionele uitdagingen staan wel in de definitie, maar
niet bij de dimensies. En bijv. de kwaliteit van leven is een determinant van gezondheid – en dus niet