100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Other

Alle 13 OWG-taken van blok 4 uitgebreid uitgewerkt: Gezondheid, Voeding en Beweging

Rating
-
Sold
-
Pages
176
Uploaded on
08-04-2025
Written in
2024/2025

Dit document bevat alle 13 OWG-taken van blok 4, die duidelijk en volledig zijn uitgewerkt per leerdoel (met probleemstelling) met onderstreepte/dikgedrukte stukken die belangrijk zijn voor het tentamen en eventuele bronvermeldingen.

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
April 8, 2025
Number of pages
176
Written in
2024/2025
Type
Other
Person
Unknown

Subjects

Content preview

sOWG blok 4 – GZW1024 – 04/02/2025

Taak 1: Evolutie: Hoe is voeding en beweging in de mens geëvolueerd?

1. Wat is evolutie?

Verandering in erfelijke eigenschappen (DNA/genen) van populaties van de ene generatie op de
andere (voortplanting) -> "Afstamming met modificatie"

In de evolutie is toeval een belangrijke factor. De evolutie borduurt altijd voort op een ingeslagen weg
en haar ontwerp kan enkel verbeteren door nieuwe aanpassingen en niet door opnieuw te beginnen
met een ander concept. Onder toeval behoren bijvoorbeeld ook de uit de populatiegenetica bekende
bottlenecks, gene flow en genetic drift. Ten slotte hebben we te maken met mismatches. De
bekendste daarvan is die tussen onze huidige omgeving en onze genen, die zich nog in de steentijd
bevinden. Voor de hedendaagse geneeskunde vormen mismatches de meest toepasbare en daarmee
uitdagendste taak.

Hier: was er bijv. evolutie van geur naar zicht; de oude apen met hun mono- en dichromatische
(blauw, groen) kijk gingen naar een trichromatische kijk (blauw, groen, rood). Bij fruit was er een
duidelijk verschil, maar met de overgang op blad net, en dit was nodig om bijv. jonge van oude bladen
te detecteren i.v.m. gifstoffen.

2. Welke eetpatronen zijn er?

Omdat de stofwisselingssnelheid oploopt tot de 3/4e macht van het lichaamsgewicht, nemen de
massa specifieke energiekosten (bijv. kcal/kg) af naarmate het lichaam groter wordt. Dit houdt in dat
kleine primaten een lage totale energiebehoefte hebben, maar een zeer hoge energiebehoefte per
eenheidsmassa. Bijgevolg voldoen ze aan hun voedingsbehoeften door voedsel te consumeren dat
beperkt is in overvloed, maar van hoge kwaliteit (insecten, sappen, gom). Grote primaten hebben
een hoge totale energiebehoefte, maar zeer lage massa specifieke kosten. Daarom zijn ze grote
volumevoeders, die voedsel eten dat algemeen verkrijgbaar is, maar een lage voedingsdichtheid heeft
(bijv. bladeren, schors, ander gebladerte).

Mensen hebben echter een aanzienlijk hogere kwaliteit dieet dan verwacht voor een primaat van
onze grootte.

Menselijke foerageerders halen maar liefst 45-65% van hun voedingsenergie-inname uit dierlijk
voedsel. Ter vergelijking: moderne mensapen halen het grootste deel van hun dieet uit plantaardige
voedingsmiddelen van lage kwaliteit. Gorilla's halen meer dan 80% van hun dieet uit vezelrijk voedsel
zoals bladeren en schors. Zelfs bij gewone chimpansees (Pan troglodytes) wordt slechts ongeveer 5-
10% van hun calorieën afkomstig van dierlijk voedsel, waaronder insecten. Dit dieet van hogere
kwaliteit betekent dat we minder voedsel hoeven te eten om de energie en voedingsstoffen binnen te
krijgen die we nodig hebben.

3. Hoe is eet- en beweeggedrag over de jaren heen veranderd?

De overgang naar een moderne voedselomgeving kwam door:

1. Divergentie van apen naar rechtopstaande menselijke tweevoeters (zweten, samenwerken,
gooien)

2. Australopithecus evolueerde om te foerageren naar en te eten van een breed scala aan voedsel,
behalve voornamelijk fruit

,3. 2 miljoen jaar geleden ontwikkelde de menselijke afstamming zich tot bijna moderne lichamen
en iets grotere hersenen: eerste jagers-verzamelaars

4. Zelfs grotere hersenen evolueerden en langzamer groeiende lichamen (mensen verspreidden zich
over de wereld; vragen meer energie, Basal/Resting metabolic rate)

5. Moderne mensen evolueerden taal, cultuur en samenwerking

6. Landbouwrevolutie

De overgang van een meer beboste
omgeving naar open graslanden
dwong onze voorouders om hun
dieet aan te passen. In bossen was
er waarschijnlijk meer toegang tot
fruit en bladeren, terwijl open
habitats hen stimuleerden om
andere voedselbronnen, zoals vlees,
zaden en knollen, te benutten.

De ontwikkeling van
gereedschappen (zoals weergegeven
met de Oldowan- en Acheuléen-
tools) maakte het mogelijk om vlees
te bewerken en voedselbronnen
efficiënter te benutten.




Moderne westerling; veel koolhydraten en vet, weinig eiwit

Jager-verzamelaar; veel goed vet en eiwit, weinig koolhydraten

"Bigger brains" en "bigger teeth" weerspiegelen aanpassingen aan veranderingen in het dieet.
Grotere tanden waren handig voor het kauwen van taai plantaardig voedsel, terwijl een groter brein
geassocieerd wordt met een veelzijdiger dieet en de cognitieve capaciteit om voedsel te zoeken en te
bereiden. Milieufactoren beïnvloedden waar homininen leefden en hoe hun dieet zich ontwikkelde,
afhankelijk van de lokale beschikbaarheid van voedselbronnen.

,Neolithische revolutie

• Veranderingen in dieet variëren van regio tot regio, geen enkele omgeving waarin het menselijk
lichaam is geëvolueerd, bijvoorbeeld:

- Landinwaarts gewassen verbouwen: meer koolhydraten

- Schapen houden, geiten, koeien: meer zuivelproducten

- Dichtbij de kust wonen: visrijk (college)



Het genome-lag model begon met de introductie van granen, die rond 10.000 jaar geleden voor het
eerst werden verbouwd in Mesopotamië. Tijdens ons bestaan als jager-verzamelaar was de inname
van granen minimaal. Ten opzichte van de huidige voedselinname aten we veel meer eiwit, meer
onverzadigde vetten en minder koolhydraten. Hoewel de introductie van granen een gunstig effect
had op onze overleving en de wereldbevolking sindsdien explosief is toegenomen, is ons genoom nog
steeds niet aangepast aan deze relatief snel veranderde omgeving. Voorbeelden hiervan zijn de hoge
prevalentie van de reeds genoemde coeliakie (~1%) maar ook lactose-intolerantie.

Qua voeding lijkt de disbalans tussen omgeving en genoom niet alleen te zijn ontstaan door de
discrepantie tussen calorie-inname en energieverbruik maar ook door kwalitatieve verschillen.
Voorbeeld is een te hoge koolhydraatinname, vooral koolhydraten met een hoge glycemische index
en lading, die ten koste gingen van zowel eiwitten als onverzadigde (vis-)vetzuren. Het is geen toeval
dat tekorten aan de bovengenoemde brainfoods aanleiding geven tot de meest wijdverspreide
deficiënties en dat enkele hiervan worden toegevoegd aan tafelzout (jodium) en margarines
(vitamines A en D). Onze huidige gezondheid en levensverwachting zijn vooral toegenomen door het
uitbannen van enkele belangrijke natuurlijke selectiefactoren zoals infecties, geweld en honger. Ons
aantal jaren zonder chronische ziekte neemt echter af. De evolutionaire geneeskunde biedt voorlopig
geen verbeteringen voor onze levensverwachting, maar kan behulpzaam zijn in het terugdringen van
de mismatch met onze omgeving.

Gedurende het gehele Paleolithicum (de steentijd) en vermoedelijk al daarvoor werd ons genoom
door selectiedruk langzaam aangepast aan haar nieuwe omgeving. Met het verlaten van het
oerwoud introduceerden de Hominiden geleidelijk meer dierlijk materiaal in de voeding, ten koste
van plantaardig materiaal. Uiteindelijk bezetten onze verre voorouders een niche in het water-land
ecosysteem, met bijbehorende specifieke voedingssamenstelling. Voorbeelden daarvan zijn
schelpdieren, vissen en eieren en later ook beenmerg en hersenen uit met werktuigen opengebroken
botten. Dierlijk voedsel bevat doorgaans meer vet dan plantaardig voedsel en heeft daardoor een
hogere energiedichtheid. Ook bevat dierlijk voedsel, vooral uit de aquatische voedselketen,
voedingsstoffen die onontbeerlijk zijn voor opbouw en expansie van de hersenen. In het verloop van
miljoenen jaren kon in deze ecologische niche de relatieve herseninhoud toenemen ten opzichte van
ons lichaamsvolume en werd ook het aantal neuronale connecties sterk vergroot. Belangrijke
voedingsstoffen voor deze hersenontwikkeling, zogenaamde brainfoods, waren jodium, vitamines A
en D en visvetzuren. In ditzelfde ecosysteem hadden we een ruime inname van vitamines en
micronutriënten uit fruit, groente, vlees en vis.

Geschat wordt dat 70 tot 90 procent van veel typisch westerse ziektes voorkómen kan worden door
een veranderde levensstijl, waaronder ook voeding. Centraal bij onze welvaartsziekten staat een
‘chronische systemische lage graad ontsteking’, die niet alleen wordt veroorzaakt door onze huidige

, voeding, maar ook door onderschatte factoren als stress, slaaptekort, milieuverontreiniging,
lichamelijke activiteit en een veranderde endogene bacteriële flora.

Onderzoek onder enkele niet-westerse volkeren toont een opvallend lage incidentie van typisch
westerse ziektes. Het totaalcholesterol van onderzochte jager-verzamelaars is met 2,1-3,6 mmol/l
lager dan het in Nederland gehanteerde referentiekader van 3,5-5,0 mmol/l en lijkt, net als de
bloeddruk, niet met de leeftijd te stijgen, ondanks een hoge inname van verzadigd vet en maar liefst
600 mg cholesterol per dag. Tenslotte is ons vermogen om energie op te slaan in de vorm van
vetweefsel een belangrijke evolutionaire selectiefactor geweest: het gaf onze voorouders een
overlevingsvoordeel in periodes van schaarste en tijdens de zwangerschap. Hongersnoden
selecteerden ons tot het zogenaamde ‘thrifty genotype’, maar deze onderliggende ‘zuinige genen’
verkorten in de huidige obesogene omgeving vooral het aantal jaren in gezondheid. (Kuijpers)

• Tijd is beperkt:

- Voortplanting

- Zorg voor nakomelingen

- Voedsel vinden/verkrijgen

- Veiligheid

• Voedsel (energie) is beperkt:

- In tijd

- In ruimte

- In overvloed

- In toegankelijkheid

4. Wat is het effect van weinig bewegen en veel eten op de gezondheid nu?

Van jager-verzamelaar naar landbouw leidt tot afname van leeftijd/verhoging van BMI vanwege:

- Meer werkuren per dag (toenemende slijtage van het lichaam)

- Hoge infectiepercentages (toename van omvang en permanente nederzettingen)

- Grotere interfererende minerale absorptie (dieet op basis van granen)

- Slechtere voeding (minder vleesconsumptie)



De “motivational state” om te eten is belangrijk:

- Schat de beschikbaarheid van de hulpbron in GEEN TEKORT

- Schat de toegankelijkheid van de hulpbron in GEMAKKELIJKE TOEGANG

- Schat de concurrentie voor de hulpbron in WEINIG CONCURRENTIE

- Kunt u de hulpbron zelf verkrijgen GEMAKKELIJK TE KOPEN

Na het Paleolithicum (oude steentijd) heeft zich biologisch gezien geen significante evolutie meer
voorgedaan. Echter natuurlijke selectie blijft bestaan, voor middel van het overdragen van genetische
$8.96
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
novasmulders

Get to know the seller

Seller avatar
novasmulders Maastricht University
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
0
Member since
9 months
Number of followers
0
Documents
4
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions