6de eeuw vot: men begint de betrouwbaarheid in vraag te stellen van opvattingen en
meningen, van intuïties en overgeleverde kennis
Grieken komen tot inzicht dat de kwaliteit vd argumenten er toe doet → ontstaan vd
wiskunde & wijsbegeerte
17de eeuw: wordt de experimentele methode ontwikkeld om op rationele wijze
betrouwbare kennis te verwerven, bepaalde problemen vd wijsbegeerte worden nu
wetenschappelijk behandeld in de natuurwetenschap, problemen waarover
onduidelijkheid heerst over de wetenschappelijk oplossingsmethode behoren tot de
wijsbegeerte
Herakleitos: we kunnen niet tweemaal in dezelfde rivier stappen
toch wel → het water is nooit hetzelfde, de bedding vd rivier wel
metafoor voor de Westerse wijsbegeerte: water stelt de verschillende denkbeelden en
denksystemen voor maar de bedding blijft altijd de verwondering!!!
Hoofdstuk 1: Kennis, wetenschap en wijsbegeerte (p. 13- 47)
1. Wijsbegeerte als wetenschappelijke discipline
*Wijsbegeerte/Filosofie = de studie van die problemen waarvoor we nog geen
wetenschappelijke oplossingsmethode hebben
kenmerken:
- tendentieus
- brengt geen definitieve waarheden, enkel opvattingen van individuen en
stromingen
- doet pogingen tot oplossingen van wijsgerige problemen
- zijn persoonlijke, kritische opvattingen
- geen dogmatische houding, ook geen vergaande relativisme
- enkel ernstige argumentatie
*dogmatisch = onbuigzame geloofsovertuigingen → rationele argumentatie is overbodig
*relativisme = de waarheid is relatief (afhankelijk van iets anders) → rationele
argumentatie is onmogelijk
2. Kennis, wetenschap en de indeling van de wetenschappen
*kennis = elke voorstelling, denkbeeld of overtuiging waarvan we aannemen dat die met
een zekere ‘werkelijkheid’ overeenkomt
*wetenschap = een menselijke activiteit die erop gericht is tot gesystematiseerde en
betrouwbare kennis te komen
wetenschap kan worden meegedeeld, systematisch geordend en gecontroleerd worden
methodes:
- Formele/ deductieve wetenschap: logica & wiskunde (werkt met axioma's =
basisformules, logische deductie, wetten, stellingen)
↪ leren ons niets over de werkelijkheid maar verschaffen vormen
(symboolsystemen) die helpen om de werkelijkheid uit te drukken
, - Ervaringswetenschappen/ empirische of inductieve wetenschappen: ervaring
door zintuigen
↪ onderzoeken hoe de werkelijkheid in elkaar zit, empirische data/ gegevens
verkrijgen adhv. de zintuigen of waarnemingsapparatuur
1) natuurwetenschappen = bestuderen de wetten van de dode materie en
van de levende wezens (natuurkunde, scheikunde, biologie, geologie)
2) gedragswetenschappen/ sociale wetenschappen = onderzoeken het
gedrag van de mens als individu of in groep (psychologie, sociologie,
economie)
3) cultuurwetenschappen = bestuderen de producten vd menselijke
creativiteit (filologie, kunst en literatuurwetenschap, taalkunde,
rechtswetenschap, archeologie en geschiedenis)
3. Natuur-, gedrags- en cultuurwetenschappen
↪ de grenzen de 3 zijn moeilijk scherp te trekken → vloeien vaak door elkaar!
onderscheiden:
- ‘natuurwetenschappen’ ↔ ‘geesteswetenschappen’ (humane w. 2&3)
↪ geen zinvol onderscheid want sommige methodes van bv. de psychologie
staan dichter bij de natuurwetenschappen, term ‘geest’ is vaag en misleidend
- de ‘exacte’ wetenschappen = natuurwetenschappen samen met wiskunde
↪ geen zinvol onderscheid want alle wetenschappen moeten streven naar
exactheid
- ‘zuivere’ wetenschappen ↔ ‘toegepaste’ wetenschappen
*zuivere wetenschappen = enkel op kennis gericht
*toegepaste wetenschappen = gebruik van wetenschappelijke gegevens en
methodes om praktische problemen op te lossen en menselijke noden te
bevredigen
↪ wel een zinvol onderscheid!
- ‘positieve’ wetenschappen → de ervaringswetenschappen
↪ geen zinvol onderscheid want ook de geschiedenis, rechtswetenschap en
literatuurwetenschap steunt op nauwkeurig feitenmateriaal
4. Waarom zoeken wij kennis, inzicht?
↪ de mens heeft nood aan inzicht, samenhang en cognitieve inhouden met betrekking
tot zingeving en richtlijnen voor het handelen om angst en onzekerheid te reduceren
5. Oorspronkelijke vormen van ‘kennis’ en ‘gedragsregels’: taboe, magie,
wijsheidsspreuken en mythen
primitieve samenlevingen → houden handelen eerst binnen veilige perken dmv. taboes
*taboe = objecten die men niet mag aanraken en handelingen die men niet mag stellen
objecten zijn taboe door…
- een associatie met gevaar
, - hun vreemd en uitzonderlijk karakter die onrust of angst verwekken
- handelingen die de basisstructuur vd maatschappij aantasten
het individu ziet contact met de taboe als een bezoedeling, besmetting, vorm van
onreinheid → reinigen zich door magie
*magie = een geheel van stereotiepe handelingen of uitspraken waarmee men bepaalde
doeleinden wenst te realiseren, steunend op wetmatigheden die volgens de rationeel
denkende mens totaal onbestaand zijn (vb. taboe vh lijk)
*riten = de stereotiepe handelingen
*bezweringen = de formules
magische riten en formules worden niet enkel gebruikt voor het opheffen van onreinheid:
3 functies
1) de afweermagie: apotropaeïsche riten die gevaren moeten afwenden, vooral de
gevaren die gepaard gaan met taboe overtreding (vb. reinigingsriten na contact
met een dode)
2) de productieve magie: bevredigen van menselijke noden (vb. regen maken,
liefdesdrank, ziekten genezen)
3) de destructieve magie: berokkenen van kwaad aan de vijand (vb. vloek)
*tovenarij = de productieve en destructieve magie, waarbij positieve als witte magie en
de kwaadaardige als zwarte magie geldt
6. Magisch en mythisch denken
*magisch denken = een geheel van opvattingen over de werkelijkheid waarbij men
gelooft in wetmatigheden via riten en bezweringen te beheersen zijn, maar die zich
volgens de huidige wetenschappelijke inzichten niet voordoen
- vertrouwen in associaties
volgens dit denken: taboes = machtig
taboe en magie beschikken nog niet over moraal enkel een ongereflecteerde relatie tot
het onreine en machtige → eerste vorm van bewust moraal = wijsheidsspreuken
(raadgevingen voor het handelen bv. spreuken uit de Bijbel)
poging van de primitieve mens om inzicht in de wereld te verwerven voor de
wereldgodsdiensten = mythen
*mythen = verhalen die aan de menselijke fantasie ontspruiten en waaraan men een
zeker geloof hechten
functies:
1) ordenen de wereld tot een samenhangend geheel
2) bieden een verklaring voor vreesaanjagend fenomenen en pijnlijke revolterende
toestanden
3) rechtvaardigen en consolideren zo bepaalde individueel menselijke om
maatschappelijke situaties
ze verklaren hoe dingen zijn ontstaan, kosmologische mythen (ontstaan vd wereld)