MEMO MAX HAVO, SAMENVATTING, H1-12
Hoofdstuk 1 Jagers en Boeren
1.1. De agrarische revolutie
- Homo Sapiens (=de denkende mens) 140 000 v. Chr Afrika => 40 000 v. Chr in Europa. Ze
leefden van de jacht op dieren.
Jagers Verzamelaars waren nomaden (= onderweg). Kleine groepen (20-30 personen) met
nauwelijks bezit => geen sociale verschillen, wel rolverdeling man/vrouw. Gereedschappen.
Kunst. Geen schrift = geen geschreven bronnen = Prehistorie.
Agrarische revolutie => landbouw
Einde laatste ijstijd 12.000 v Chr.: Het werd warmer, de grond vruchtbaarder. In het Midden
Oosten: Jager Verzamelaars => Boeren. 9000 v. Chr: - 6000 v.Chr. Het ontstaan van
Landbouwsamenlevingen.
Een nieuwe levenswijze => gevolgen
1) Bevolkingsgroei => Meer voedsel en hoger geboortecijfer per vrouw.
2) Ontstaan van dorpjes. Nomaden => 1 plaats.
3) Nieuwe technieken en gereedschappen => eerst steen later brons (3000 v Chr) en ijzer
(1200 v Chr). Steen/Brons/IJzertijd.
Vooruitgang? Risico op infectieziekten Bij de boeren verschil in bezit => sociale verschillen
=> ongelijkheid.
1.2. Het ontstaan van steden
Mesopotamië: => zuidelijk deel = Soemerie: daar eerste steden. 3300 v Chr.
Twee rivieren Tigris en Eufraat. In het voorjaar laagje slib bleef achter. Akkers irrigeren in de
zomer => Irrigatiesystemen => Dezelfde samenleving ontstonden rond 3000 v Chr. in Egypte
(China, India, Mexico en Peru). Nieuw soort samenleving: stedelijke gemeenschap. De
steden hadden goede bestuurders nodig. Onderhoud waterwerken.
Landbouwproductie omhoog. Gevolgen:
1. Groei bevolking => dorpen worden steden
2. Specialisatie => nieuwe beroepen naast boer: ambtenaar, ambachtsman, koopman en
priester. Verschil rijkdom en macht => verschillende sociale lagen => ongelijkheid. Koning
aan de top.
Rond 3000 v. Chr ook in Egypte aan de rivier de Nijl een ontwikkelde beschaving met
steden. Een grote rivier, met overstroming en irrigatie door de boeren.
Ontwikkeling van het schrift 3300 v. Chr voor (1) communicatie en (2) administratie van het
bestuur en de handel. Eerste schrift is het spijkerschrift in Soemerie. Koningen stelden
samen hun ambtenaren in het spijkerschrift wetten op. Ook de priesters gebruiken het schrift.
In Egypte ontstaat het hiërogliefenschrift.
Egyptische Rijk vanaf 3100 v. Chr: eerste staat ter wereld. Staat is een afgebakend gebied
met een centraal bestuur (en rechtssysteem).
Koning van Egypte => Farao.
- INTERN: Hij bezat de hoogste rechterlijke macht. De farao met zijn ambtenaren hadden het
geweldmonopolie, alleen zij mochten geweld gebruiken.
,- EXTERN: De Farao was ook verantwoordelijk voor de verdediging van het land.
- BELANGRIJKSTE TAAK: het organiseren van de irrigatiesystemen voor de landbouw deel
van de oogst afdragen aan de farao. Hiervoor had hij ambtenaren.
Macht en religie
Farao lieten zich als god vereren, zoon van zonnegod Re. Er werden meerdere goden
vereerd: polytheïsme. Belangrijke goden =>God Re (v.h. licht) , Horus (v.d. hemel), Osirus
(v.h. dodenrijk). Ze geloofden in het leven na de dood. Na sterven beoordeling door Osirus.
Piramides dienden om de farao makkelijker in het dodenrijk te kunnen laten opstijgen.
De farao als god gaf hem veel macht, maar hij had ook de verantwoordelijkheid de andere
goden te kalmeren als ze boos waren. De priesters kregen deze taak namens de farao. De
tempels werden zo machtig en rijk.
Verschillen tussen Eygypte en Mesopotamie.
Koning is in Mesopotamie geen god, in Egypte wel
Mesopotamie sombere voorstelling van de dood
Mesopotamie minder grote graftombes
1.3 De Griekse Democratie
500 v.Chr. Athene had geen koning, maar een volksvergadering. Athene is een stadsstaat
(= polis). In Griekenland meerdere poleis:
Athene had 300.000 inwoners. (vrije mannen, vrouwen, kinderen, vreemdelingen, slaven).
Athene had een directe democratie. Burgers ( de vrije mannen) hadden burgerrecht, dus
stemrecht. Athene had eerder andere systemen gehad: koningschap, aristocratie en
tirannie.
Denken over politiek en wetenschap.=>
Vragen stellen, het bestaan onderzoeken => filosofen. Hoe zitten natuur en heelal in
elkaar? (Natuurfilosofie). Wat is goed gedrag? (Ethiek). Hoe moet een polis bestuurd
worden? (politiek). Speculatief denken.
Beroemde filosoof: Socrates. (399 v. Chr gifbeker). Plato (leerling van Socrates) en
Aristoteles, kritisch op de democratie. Burgers lieten zich leiden door volksmenners, de
meerderheid had niet altijd gelijk. Aristoteles systematisch verzamelen van kennis (=
Wetenschap i.p.v. speculatief denken).
1.4 Het Romeinse Rijk
Groot rijk door behoefte aan veiligheid en roem/macht. 500 v. Chr klein dorpje. 300 v Chr
heel Italië. 200 n. Chr op zijn grootst, 50.000.000 mensen.
Middelen voor uitbreiding: diplomatie (bondgenootschappen) + leger (geweld). Romeinen
hadden een sterk beroepsleger. Voor verplaatsing leger: verharde wegen en kampen.
Soldaten kregen aan het einde van hun diensttijd een stukje land in nieuw gebied. Verslagen
volkeren kregen vaak Romeins burgerrecht, het werden Romeinen met aanzien en
voorrechten. Op deze manier uitbreiding van het Romeins imperium (=rijk).
Sinds de 5e eeuw een republiek = land zonder koning of keizer. Rome werd geleid door
burgers met een tijdelijk een hoog ambt,. Aangewezen door vergaderingen van burgers.
Einde van de republiek => burgeroorlogen (ruzies tussen de leidende families).
In de 1e eeuw v.Chr. wist één man de macht te veroveren. De eerste keizer: Augustus (27
v.Chr-14 n. Chr). Augustus (=verhevene). Keizer opperbevelhebber van het leger en
, topbestuurder. => keizerrijk (= imperium). Rust en orde in het rijk door effectief handelen
van 1 persoon = Pax Romana. Soms gekke keizers, dan wanorde. Tot 200 n.Chr rust.
Verspreiding van de Grieks Romeinse cultuur =>
Bouwwerken in heel Europa volgens hetzelfde ontwerp. Romeins recht was overal van
toepassing. Romeinen hadden veel overgenomen van de Grieken, dus Grieks/Romeinse
cultuur. = Klassieke cultuur. Voorbeeld voor het latere Europa m.n. in West-Europa waar
minder ontwikkelde boerenvolkeren woonden, b.v. Germanen. Nieuw voor hen was
schrijven, muntgeld, bouwen van steen. Ze namen de Romeinse gewoontes over =
Romanisering.
Einde van het Romeinse Rijk
200 n. Chr had het Rijk zijn maximale omvang bereikt. Met de toenmalige middelen was het
te groot om bestuurbaar te zijn. Na deze periode van Pax Romana: wanorde, machtsgrepen
en machtsverdeling.
395 n.Chr werd het Rijk verdeeld in een Grieks sprekend oostelijk en een latijn sprekend
westen: Oost en West Romeinse Rijk. Hoofdstad oost: constantinopel. Hoofdstad west:
Rome.
Het West Romeinse Rijk valtl uit elkaar.
Oorzaken:
a. - verdeeldheid aan de top, veel wisselende keizers
b. - druk op de buitengrenzen door de volksverhuizingen.
Gevolg: verbrokkeling van bestuur en economie.
Volksverhuizing kwam doordat de Hunnen in 375 n. Chr, plunderend naar westen trokken.
De Germanen aan de rand van het Rijk werden over de grenzen heen geduwd => Chaos.
De belastinginkomsten daalden en het leger kon meer betaald worden. De verdediging
stortte in elkaar. De laatste west Romeinse keizer: Romulus Augustus 476 n.Chr.
Oost Romeinse Rijk (=Byzantijnse Rijk)
Er waren Oost Romeinse keizers tot 1453. Constantijn verplaatste de hoofdstad in 330 n.Chr
naar de Griekse stad Byzantium. Het “nieuwe Rome” werd Constantinopel. De stad kreeg
zeer sterke vestingsmuren en lag op het knooppunt van handelsroutes. Grootste kerk ter
wereld werd gebouwd > Hagia Sophia. Byzantijnse Rijk had goed functionerend leger en
bureaucratie.
In1453 namen de Ottomanen de stad in, ze doorbraken de muren. Stad werd islamitisch en
het centrum van het Ottomaanse Rijk > nieuwe naam: Istanbul.
1.5. Joden en Christenen
100 v. Chr Romeinen de baas in Palestina. Joden verspreiden zich over andere delen van
het Romeinse Rijk = Diaspora.
Verschil Jodendom andere religies
1. Monotheïsme. 1 God. Joden waren ‘het uitverkorenen volk’. Tempel in Jeruzalem.
2. Belang heilige boeken. Heilige schrift van de Joden > Oude Testament, 1e deel Bijbel
3. Ze hielden zich aan religieuze voorschriften . Besnijdenis en voedselwetten (geen
varkensvlees).
Veel verschillende Joodse groepen, sommigen geloofden in de komst van een verlosser: de
Messias. Jezus (Christus) > 30 n.Chr. Levensverhaal uit de 4 evangeliën = Nieuwe
Testament. Nieuwe invulling Jodendom: verdraagzaamheid en vergiffenis. Tegenstanders in
Hoofdstuk 1 Jagers en Boeren
1.1. De agrarische revolutie
- Homo Sapiens (=de denkende mens) 140 000 v. Chr Afrika => 40 000 v. Chr in Europa. Ze
leefden van de jacht op dieren.
Jagers Verzamelaars waren nomaden (= onderweg). Kleine groepen (20-30 personen) met
nauwelijks bezit => geen sociale verschillen, wel rolverdeling man/vrouw. Gereedschappen.
Kunst. Geen schrift = geen geschreven bronnen = Prehistorie.
Agrarische revolutie => landbouw
Einde laatste ijstijd 12.000 v Chr.: Het werd warmer, de grond vruchtbaarder. In het Midden
Oosten: Jager Verzamelaars => Boeren. 9000 v. Chr: - 6000 v.Chr. Het ontstaan van
Landbouwsamenlevingen.
Een nieuwe levenswijze => gevolgen
1) Bevolkingsgroei => Meer voedsel en hoger geboortecijfer per vrouw.
2) Ontstaan van dorpjes. Nomaden => 1 plaats.
3) Nieuwe technieken en gereedschappen => eerst steen later brons (3000 v Chr) en ijzer
(1200 v Chr). Steen/Brons/IJzertijd.
Vooruitgang? Risico op infectieziekten Bij de boeren verschil in bezit => sociale verschillen
=> ongelijkheid.
1.2. Het ontstaan van steden
Mesopotamië: => zuidelijk deel = Soemerie: daar eerste steden. 3300 v Chr.
Twee rivieren Tigris en Eufraat. In het voorjaar laagje slib bleef achter. Akkers irrigeren in de
zomer => Irrigatiesystemen => Dezelfde samenleving ontstonden rond 3000 v Chr. in Egypte
(China, India, Mexico en Peru). Nieuw soort samenleving: stedelijke gemeenschap. De
steden hadden goede bestuurders nodig. Onderhoud waterwerken.
Landbouwproductie omhoog. Gevolgen:
1. Groei bevolking => dorpen worden steden
2. Specialisatie => nieuwe beroepen naast boer: ambtenaar, ambachtsman, koopman en
priester. Verschil rijkdom en macht => verschillende sociale lagen => ongelijkheid. Koning
aan de top.
Rond 3000 v. Chr ook in Egypte aan de rivier de Nijl een ontwikkelde beschaving met
steden. Een grote rivier, met overstroming en irrigatie door de boeren.
Ontwikkeling van het schrift 3300 v. Chr voor (1) communicatie en (2) administratie van het
bestuur en de handel. Eerste schrift is het spijkerschrift in Soemerie. Koningen stelden
samen hun ambtenaren in het spijkerschrift wetten op. Ook de priesters gebruiken het schrift.
In Egypte ontstaat het hiërogliefenschrift.
Egyptische Rijk vanaf 3100 v. Chr: eerste staat ter wereld. Staat is een afgebakend gebied
met een centraal bestuur (en rechtssysteem).
Koning van Egypte => Farao.
- INTERN: Hij bezat de hoogste rechterlijke macht. De farao met zijn ambtenaren hadden het
geweldmonopolie, alleen zij mochten geweld gebruiken.
,- EXTERN: De Farao was ook verantwoordelijk voor de verdediging van het land.
- BELANGRIJKSTE TAAK: het organiseren van de irrigatiesystemen voor de landbouw deel
van de oogst afdragen aan de farao. Hiervoor had hij ambtenaren.
Macht en religie
Farao lieten zich als god vereren, zoon van zonnegod Re. Er werden meerdere goden
vereerd: polytheïsme. Belangrijke goden =>God Re (v.h. licht) , Horus (v.d. hemel), Osirus
(v.h. dodenrijk). Ze geloofden in het leven na de dood. Na sterven beoordeling door Osirus.
Piramides dienden om de farao makkelijker in het dodenrijk te kunnen laten opstijgen.
De farao als god gaf hem veel macht, maar hij had ook de verantwoordelijkheid de andere
goden te kalmeren als ze boos waren. De priesters kregen deze taak namens de farao. De
tempels werden zo machtig en rijk.
Verschillen tussen Eygypte en Mesopotamie.
Koning is in Mesopotamie geen god, in Egypte wel
Mesopotamie sombere voorstelling van de dood
Mesopotamie minder grote graftombes
1.3 De Griekse Democratie
500 v.Chr. Athene had geen koning, maar een volksvergadering. Athene is een stadsstaat
(= polis). In Griekenland meerdere poleis:
Athene had 300.000 inwoners. (vrije mannen, vrouwen, kinderen, vreemdelingen, slaven).
Athene had een directe democratie. Burgers ( de vrije mannen) hadden burgerrecht, dus
stemrecht. Athene had eerder andere systemen gehad: koningschap, aristocratie en
tirannie.
Denken over politiek en wetenschap.=>
Vragen stellen, het bestaan onderzoeken => filosofen. Hoe zitten natuur en heelal in
elkaar? (Natuurfilosofie). Wat is goed gedrag? (Ethiek). Hoe moet een polis bestuurd
worden? (politiek). Speculatief denken.
Beroemde filosoof: Socrates. (399 v. Chr gifbeker). Plato (leerling van Socrates) en
Aristoteles, kritisch op de democratie. Burgers lieten zich leiden door volksmenners, de
meerderheid had niet altijd gelijk. Aristoteles systematisch verzamelen van kennis (=
Wetenschap i.p.v. speculatief denken).
1.4 Het Romeinse Rijk
Groot rijk door behoefte aan veiligheid en roem/macht. 500 v. Chr klein dorpje. 300 v Chr
heel Italië. 200 n. Chr op zijn grootst, 50.000.000 mensen.
Middelen voor uitbreiding: diplomatie (bondgenootschappen) + leger (geweld). Romeinen
hadden een sterk beroepsleger. Voor verplaatsing leger: verharde wegen en kampen.
Soldaten kregen aan het einde van hun diensttijd een stukje land in nieuw gebied. Verslagen
volkeren kregen vaak Romeins burgerrecht, het werden Romeinen met aanzien en
voorrechten. Op deze manier uitbreiding van het Romeins imperium (=rijk).
Sinds de 5e eeuw een republiek = land zonder koning of keizer. Rome werd geleid door
burgers met een tijdelijk een hoog ambt,. Aangewezen door vergaderingen van burgers.
Einde van de republiek => burgeroorlogen (ruzies tussen de leidende families).
In de 1e eeuw v.Chr. wist één man de macht te veroveren. De eerste keizer: Augustus (27
v.Chr-14 n. Chr). Augustus (=verhevene). Keizer opperbevelhebber van het leger en
, topbestuurder. => keizerrijk (= imperium). Rust en orde in het rijk door effectief handelen
van 1 persoon = Pax Romana. Soms gekke keizers, dan wanorde. Tot 200 n.Chr rust.
Verspreiding van de Grieks Romeinse cultuur =>
Bouwwerken in heel Europa volgens hetzelfde ontwerp. Romeins recht was overal van
toepassing. Romeinen hadden veel overgenomen van de Grieken, dus Grieks/Romeinse
cultuur. = Klassieke cultuur. Voorbeeld voor het latere Europa m.n. in West-Europa waar
minder ontwikkelde boerenvolkeren woonden, b.v. Germanen. Nieuw voor hen was
schrijven, muntgeld, bouwen van steen. Ze namen de Romeinse gewoontes over =
Romanisering.
Einde van het Romeinse Rijk
200 n. Chr had het Rijk zijn maximale omvang bereikt. Met de toenmalige middelen was het
te groot om bestuurbaar te zijn. Na deze periode van Pax Romana: wanorde, machtsgrepen
en machtsverdeling.
395 n.Chr werd het Rijk verdeeld in een Grieks sprekend oostelijk en een latijn sprekend
westen: Oost en West Romeinse Rijk. Hoofdstad oost: constantinopel. Hoofdstad west:
Rome.
Het West Romeinse Rijk valtl uit elkaar.
Oorzaken:
a. - verdeeldheid aan de top, veel wisselende keizers
b. - druk op de buitengrenzen door de volksverhuizingen.
Gevolg: verbrokkeling van bestuur en economie.
Volksverhuizing kwam doordat de Hunnen in 375 n. Chr, plunderend naar westen trokken.
De Germanen aan de rand van het Rijk werden over de grenzen heen geduwd => Chaos.
De belastinginkomsten daalden en het leger kon meer betaald worden. De verdediging
stortte in elkaar. De laatste west Romeinse keizer: Romulus Augustus 476 n.Chr.
Oost Romeinse Rijk (=Byzantijnse Rijk)
Er waren Oost Romeinse keizers tot 1453. Constantijn verplaatste de hoofdstad in 330 n.Chr
naar de Griekse stad Byzantium. Het “nieuwe Rome” werd Constantinopel. De stad kreeg
zeer sterke vestingsmuren en lag op het knooppunt van handelsroutes. Grootste kerk ter
wereld werd gebouwd > Hagia Sophia. Byzantijnse Rijk had goed functionerend leger en
bureaucratie.
In1453 namen de Ottomanen de stad in, ze doorbraken de muren. Stad werd islamitisch en
het centrum van het Ottomaanse Rijk > nieuwe naam: Istanbul.
1.5. Joden en Christenen
100 v. Chr Romeinen de baas in Palestina. Joden verspreiden zich over andere delen van
het Romeinse Rijk = Diaspora.
Verschil Jodendom andere religies
1. Monotheïsme. 1 God. Joden waren ‘het uitverkorenen volk’. Tempel in Jeruzalem.
2. Belang heilige boeken. Heilige schrift van de Joden > Oude Testament, 1e deel Bijbel
3. Ze hielden zich aan religieuze voorschriften . Besnijdenis en voedselwetten (geen
varkensvlees).
Veel verschillende Joodse groepen, sommigen geloofden in de komst van een verlosser: de
Messias. Jezus (Christus) > 30 n.Chr. Levensverhaal uit de 4 evangeliën = Nieuwe
Testament. Nieuwe invulling Jodendom: verdraagzaamheid en vergiffenis. Tegenstanders in